Het echte leven

Giovanni Verga
De Leeglopers
Vertaald (I Malavoglia) door Yond Boeke en Patty Krone, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 318 blz., € 32,50

De aandoenlijk mooie roman De Leeglopers (1881) van Giovanni Verga doet in eerste aanleg denken aan Herman Heijermans’ drama Op hoop van zegen. De vissersfamilie van Antonio Leegloper probeert in het Siciliaanse dorpje Aci Trezza, in de buurt van Catania, met noest werk het hoofd boven water te houden. Het verhaal draait om de boot van de familie, de Voorzienigheid, waarmee de familie al generaties in haar onderhoud voorziet. Het is een huurboot die zijn beste tijd heeft gehad, maar waaraan de familie een relatieve welstand ontleent. De Leeglopers wonen in het Huis met de Mispelboom; ze verhandelen de sardines die ze gevangen hebben; ze hebben enig bezit vergaard; er is een bruidsschat waarmee de kleindochters, Mena en Lia, kunnen worden uitgehuwelijkt. Dan koopt baas ’Ntoni een lading, naar achteraf blijkt rotte, lupinebonen die hij voordelig denkt te kunnen verkopen in Riposto. Bastiano, ’Ntoni’s zoon, zal de vracht, samen met Menico, de zoon van de Malle, naar Riposto varen. Maar er steekt een storm op, het schip vergaat, Bastiano en Menico komen om. Baas ’Ntoni blijft achter met de schuld van de bonen die hij op krediet heeft gekocht. Hij moet zijn huis verkopen. De Leeglopers: schoondochter Maruzza en haar kinderen ’Ntoni, Luca, Mena, Alessi en Lia, verhuizen naar een huurhuis in de Zwarte Steeg. Daarna gaat het van kwaad tot erger. Moeder Maruzza sterft aan cholera. Luca, de tweede zoon, wordt opgeroepen voor militaire dienst en sneuvelt in een zeeslag. Mena kan niet meer worden uitgehuwelijkt nu de familie geen bruidsschat meer heeft. ’Ntoni, de werkschuwe oudste kleinzoon, begint te drinken, sluit zich aan bij een smokkelaarsbende, wordt gepakt en verdwijnt achter de tralies. Lia, de jongste kleindochter, gooit haar naam te grabbel door het aan te leggen met Don Michele, de bromsnor van het dorp, en belandt in de goot. Baas ’Ntoni raakt invalide. Hij wordt op een ezelskar naar het ziekenhuis gebracht. Alessi trouwt met zijn buurmeisje. Hij slaagt er door hard werken in het Huis met de Mispelboom terug te kopen. Maar voor baas ’Ntoni is het te laat. Hij sterft voordat Alessi en Mena hem naar zijn oude huis hebben kunnen terugbrengen.

De Leeglopers is een roman over sociale onrechtvaardigheid. De familie van baas ’Ntoni gaat ten onder door malversaties van de rijke reder en woekeraar Crossifisso, daarbij geholpen door de corrupte gemeentesecretaris Don Silvestro. Maar uitbuiting is niet de enige oorzaak van de ondergang van de Leeglopers. Maruzza komt om het leven door cholera, Luca sneuvelt in een zeeslag, kleinzoon ’Ntoni wil niet deugen, kleindochter Lia raakt aan lager wal. De schipbreuk van de Voorzienigheid en de rotte lupinebonen zijn maar een onderdeel van het lange défilé aan rampen dat het Noodlot op de familie Leegloper afstuurt als vergelding, lijkt het wel, voor een misdaad die door een van hun voorouders is bedreven. In de roman klinken echo’s door van Griekse mythen: Oedipous of Orestes, wier families net als die van de Leeglopers tot in de derde en vierde generatie worden geteisterd door een vergrijp in een ver verleden. Dit mythische drama wordt geprojecteerd in de kleine wereld van Aci Trezza. Stel dat de tragische geschiedenis van Oedipous zich zou afspelen in het dorp van Swiebertje en Bromsnor, dan heeft u enig idee van de bijzondere spanning die in De Leeglopers wordt opgeroepen. Verga lijkt een procédé te hanteren dat later door James Joyce werd gebruikt in Ulysses, waar het epos van Odysseus, Penelope en hun zoon Telemachus wordt weerspiegeld in het banale bestaan van advertentiecolporteur Leopold Bloom, zijn overspelige vrouw Molly en hun zoon Stephen.

Verga plaatste zich met deze roman aan het hoofd van het ‘verismo’, de Italiaanse evenknie van het Franse realisme-naturalisme. Het verismo liet zich, net als het Franse naturalisme, inspireren door de gedachte dat de mens gedetermineerd wordt door wetten van ras, milieu en moment. Het determinisme is de laat negentiende-eeuwse variant van het klassieke noodlot. Zola illustreerde het determinisme aan de geschiedenis van de familie Rougon-Macquart. Hij wilde, aan de hand van de tragische ondergang van deze familie, de wetten van het determinisme op een wetenschappelijke manier aantonen. Zola weerhield zich van commentaar; hij toonde de werkelijkheid ‘zoals ze was’. Hij registreerde, zei hij, als een fotograaf die opnamen maakt van zijn omgeving. Zijn romans waren ‘ramen’ die onbelemmerd zicht gaven op de sociale werkelijkheid, maar waarvan het medium zelf, de taal, onzichtbaar bleef.

Waar Zola bij taal denkt aan een venster dat zelf onzichtbaar is, legt Verga alle nadruk op de taal waarin hij zijn romans schrijft. Taal geeft aan De Leeglopers zijn weergaloze en unieke dimensie. De Leeglopers wordt namelijk niet verteld door een verteller die achter de schermen blijft, maar door de personages zelf: de leden van de familie en de vele andere dorpsbewoners. Zij zijn voortdurend aan het woord. De verteller komt zelden tussenbeide. Als hij de gesprekken al aan elkaar knoopt, dan doet hij dat in de taal van de dorpsbewoners, hij mengt zich onder hen, spreekt hun taal. De roman is één doorlopend citaat van wat Verga met een bandrecorder zou hebben opgevangen op het dorpsplein, de apotheek van Don Franco, de kroeg van de Kwezel, de kapperszaak van Pizzuto en de huiskamer van de Leeglopers. Het knappe van de roman zit ’m daarin dat het grote sociale en mythische drama wordt opgeroepen via het geleuter van de klanten bij kapper Vanni Pizzuto, de dronkemanspraat in de kroeg van de Kwezel, het geroddel van de vrouwen die elkaar fluisterend op de hoogte brengen van de laatste schandaaltjes. Verga is overal bij. Hij registreert zonder enig commentaar, zonder enige toelichting. Nergens in de roman wordt een jaartal of datum genoemd. De hoofdstukken hebben geen titels. Er is alleen het ononderbroken geklets van de dorpsbewoners. De Leeglopers is dus niet alleen een sociale roman in de maatschappelijke, maar ook in de talige zin van het woord. Het is een roman waarin Verga de Siciliaanse volkstaal heeft vastgelegd, met zijn schat aan uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden: ‘Een hongerige maag heeft geen oren’, ‘Wie in het water valt wordt nat’, ‘Een mager paard krijgt vliegen’ en duizenden andere uitdrukkingen, de ene nog smakelijker dan de andere.

De vertalers, Yond Boeke en Patty Krone, verdienen een grote pluim voor deze vertaling. Zij hebben de Siciliaanse volkstaal overgezet in een mooi en natuurlijk klinkend Nederlands. Ze hebben de melodieus klinkende en rijmende spreekwoorden en gezegden vertaald in Nederlandse spreekwoorden die net zo mooi klinken en rijmen als de Italiaanse. Dat is een prestatie waar ik mijn pet voor afneem.