Het echte leven

Oud-leerling van me gesproken - ondertussen al 34 jaar, en een zwart verleden van verdriet achter de rug, waarover nog geen roman is geschreven.

Het ging nu weer goed - de dood van haar beide kindjes en haar man zou ze nooit helemaal verwerken, en echt verliefd zou ze ook nooit meer worden, maar er waren toch weer dingen gevonden die waard waren om te leven, al was er overal angst voor een nieuwe catastrofe.
‘Als zoiets aan je kleeft, weet je nooit of het helemaal weg is’, zei ze.
De oud-leerling zocht contact met mij - en thans wordt het lichtelijk gênant - omdat ze 'zoveel van mij geleerd had’.
'Je deed helemaal niks’, zei ze, 'je vertelde allemaal verhalen. Ik heb van die andere leraren niks onthouden, maar van jouw lessen wel. Die kwam ik voortdurend in mijn eigen leven tegen.’
Een groter compliment kan je niet krijgen. Maar het rare is: ik deed inderdaad niks. Ik was de luiste leraar Nederlands van het westelijk halfrond, die niets anders deed dan boeken navertellen. 'De boeken der kleine zielen’, 'De uitvreter’, 'De avonden’ - ik wist dat mijn leerlingen niet lazen, dus vertelde ik de inhoud maar na.
Het vreemde is, in die boeken staat nu niks waarvan ik denk: daar heb ik in mijn leven wat aan. Waarom zag mijn oud-leerlinge mij dan als een soort goeroe?
'Je vertelde het zo dat het over mensen ging met wie het altijd slechter ging dan met jou’, zei ze, 'dus ik dacht, het kan altijd rotter. En soms dacht ik - toen ik mijn kinderen en mijn man begroef - was mijn leraar hier maar bij, dan zou hij zien dat ik nu ook in een boek speel.’
Hoe vreemd.
'Ik heb toch altijd vrolijke verhalen verteld’, zei ik vragend.
'Jawel, maar toch… En die gedichten die je voorlas.’
'Waarover?’
'Over liefde die nooit volledig is of zo.’
Ik weet nog precies wat ik zeventien jaar geleden voorlas in die klas: Hans Lodeizen, Remco Campert, Komrij, Wilmink. Het moest altijd over de liefde gaan, vond ik.
Terwijl ik met mijn oud-leerling sprak, werd het me allengs duidelijker: ze heeft volstrekt andere beelden binnengekregen dan ik bedoelde.
Ik vertelde verhalen om te vertellen hoe leuk zo'n boek eigenlijk is; ik las gedichten voor om te laten merken dat de liefde anders in elkaar steekt dan de sentimentele opvattingen die jonge mensen van zestien erover koesteren.
Maar de literatuur van de vrolijkheid en de liefde werd gebruikt als troost voor een onzegbaar verdriet, want er werd uitgehaald dat mensen het nog slechter kunnen hebben dan jij.
Was hier nu sprake van een misverstand?
'Ik dacht altijd, als je zo veel weet als jij, zal je wel nooit helemaal droevig zijn’, zei de oud-leerling, 'of misschien ben je wel droevig, maar je bent nooit alleen. Je hebt altijd steun aan die verhalen.’
Moest ik haar nu uitleggen dat het mij eigenlijk niet om die verhalen ging, maar juist om de geschreven woorden?
Gewaardeerd om een misverstand - zoiets kleeft aan mij.
Zoals ik aan mijn eerste vrouw ben gekomen door een misverstand (men dacht dat ik de pianist was voor een balletgroep waar mijn vrouw in zat), zoals ik later gescheiden ben door een misverstand, zo word ik nu gewaardeerd om iets wat ik zelf nimmer heb bedoeld.
Het vervelende is nu dat ik niet kan genieten van die waardering. Integendeel: ik voel me alsnog schuldig.
Had ik toen maar andere boeken aan die leerlingen verteld, of juist toch, ondanks alles, zelf laten lezen.
'Lees je nog boeken?’ vroeg ik.
'Die boekjes die je bij Albert Heijn kan kopen… daar droom ik helemaal in weg… Die zijn goed, hoor. Dat is het echte leven.’