Het echte verhaal

Joan Didion schrijft alsof ze zichzelf met een pikhouwel vooruittrekt. Nergens probeert ze het zware luchtig te brengen.

Joan Didion, Blauwe nachten, EUR 19,95

De Amerikaanse schrijfster Joyce Carol Oates verloor begin 2008 plotsklaps haar echtgenoot, en schreef een boek over haar eerste jaar weduwschap (A Widow’s Story: A Memoir, 2011). Nogal wat lezers voelden zich achteraf bekocht door dit autobiografische relaas. Het rouwjaar van Oates liep af in februari 2009, en de maand erop volgend trouwde ze opnieuw. Met een man die ze al in augustus 2008 had ontmoet. Geen woord hierover echter in het boek, dat bol stond van het verdriet, het ongeloof, het gemis.

Zelf had ik niet zo’n last van het idee dat Oates opzettelijk iets verzwegen zou hebben om een waarachtiger weduwe te kunnen zijn. Ik vond het boek overtuigend en ontroerend, in zijn tekening van een oud huwelijk waarin beide echtelieden zo hun ‘kluisjes’ hadden. Het al dan niet toelaten van een nieuwe geliefde leek me weer een heel ander verhaal.

Een gevoel van bevreemding herinner ik me wel toen ik het alombejubelde The Year of Magical Thinking (2005; in Nederlandse vertaling verschenen bij Prometheus, 2006) las van de Amerikaanse essayiste/schrijfster Joan Didion. Ook een weduwenboek, ook geschreven om te kunnen overleven na de plotselinge dood van een echtgenoot. De schrijver John Gregory Dunne overleed in december 2003, Didion was bezig de tafel te dekken en had hem net zijn tweede scotch gebracht.

‘Je gaat aan tafel en het leven dat je kent houdt op.’

Deze zin keerde herhaaldelijk terug in haar boek; de ultieme verwoording van het even dagelijkse als ontzagwekkende van de dood die je van achteren op kousenvoeten besluipt. Didion begon haar boek te schrijven in oktober 2004, tien maanden na het verlies van haar man. Het jaar van magisch denken wemelt van de tijdsaanduidingen, van de precies gedateerde terugblikken, de rekensommetjes in de trant van drie weken ervoor, en twee dagen erna. Wat ze echter ten enenmale niet vermeldt is het feit dat haar dochter Quintana in hetzelfde jaar van het magische denken overlijdt, om precies te zijn op 26 augustus 2004 (zoals ik uit andere bronnen weet). Wel schrijft ze uitgebreid over het ziekbed van Quintana als gevolg van een griep die uitgroeit tot een longontsteking die ontaardt in een algehele infectie en zelfs leidt naar een coma. Een paar keer krabbelt ze op, ze kan dan bijvoorbeeld de uitgestelde herdenkingsdienst van haar vader meemaken, een eigen gedicht ten gehore brengen – om dan toch weer tegen de grond te klappen, net als ze denkt met haar kersverse echtgenoot wat tijd door te kunnen brengen in zonnig Californië.

Het is een gek, extreem verhaal, die geschiedenis van het ziekbed van een dertiger, misschien wel extremer dan de onverhoedse dood van een oudere man met hartproblemen. Vooral omdat je met zo veel vragen blijft zitten. Over haar gezondheid, en over de afloop van haar ziekbed, en waarom uiteindelijk Didion zo selectief blijkt met hetgeen ze wel en niet vertelt, zelfs suggereert aan het eind van haar boek dat ze er nog steeds is, het eerste jaar van rouw samen met haar afsluit.

Het boek dat Didion nu het licht laat zien, Blue Nights, deze week in Nederlandse vertaling verschenen, is deels een antwoord op die vragen. Deels, want eens en te meer maakt deze tweede memoir van de gevierde essayiste duidelijk dat geen genre uiteindelijk zo zijn eigen waarheid kent als de autobiografie. Tegelijkertijd is de wanhoop van de schrijfster bijna aanraakbaar, sterker dan in haar vorige geschrift dat meer nog een bezwerend karakter had, iets gepolijst literairs daarin, en af en toe leek te vluchten in een schijnorde van medische feitelijkheden en causale verbanden.

In Het jaar van magisch denken definieerde Didion haar schrijven als een constante oefening om alles wat ze denkt en vindt weg te houden achter een steeds ondoordringbaarder scherm van verfijning. Die verfijning maakt haar werk natuurlijk ook zo verleidelijk om te lezen, ogenschijnlijk simpel en direct, maar au fond gecondenseerd proza doortrokken van haar belezenheid en losgezongen van het al te realistische. Een exotische mengeling ook van frivoliteit en engagement, berichtend van een leven dat zich afspeelt in hotelkamers, de allerduurste, en op filmsets. Een leven waarin net zo makkelijk voor een opdracht naar Hanoi wordt afgereisd als naar Washington, waar de cocktails worden gemixt in een appartement in New York en bloemenslingers de pc’s versieren in een strandhuis in Malibu. Open haard. Kaarsen. In de namiddag nog een duik in het zwembad, en daarna gewikkeld in een grote handdoek naar de favoriete tv-serie kijken. Uit eten. Altijd uit eten, met kennissen met ongetwijfeld klinkende namen, gekleed in Chanel en in het bezit van een eigen vliegtuig; handig als er weer eens met spoed vanwege de zieke dochter heen en weer gevlogen moet worden tussen New York en Los Angeles.

Maar nu dus Blauwe nachten, zes jaar verder. Net als in Het jaar van magisch denken is er een hoofdverhaal, de officiële aanleiding, een drama van jewelste, en een subverhaal dat telkens de kop opsteekt, zo hardnekkig en opdringerig dat je je kunt afvragen of dat eigenlijk niet het hoofdverhaal is. In het eerste boek ging het officieel om het overlijden van Dunne, maar eigenlijk steeds meer om het (verzwegen) overlijden van Quintana. Nu is alle aandacht voor Quintana. Een tijdje.

Zoals in Blauwe nachten met de intensiteit van het hindsight een even spijtig als absoluut beeld wordt opgetrokken van het verloren kind doet het erg aan Tonio denken, van A.F.Th. van der Heijden. Didion citeert haar man die zijn dochtertje over de heuvels naar school zag lopen, in haar geruite overgooiertje. Het was ‘het mooiste wat hij ooit had gezien’. Natuurlijk was zij het allermooiste, was zij ‘het volmaakte kind’, voorbestemd voor grootse dingen, zelf ook vast van plan haar beide schrijvende ouders wel eens wat te laten zien. Letterlijk zei ze dat ook, toen ze als dertien-, veertienjarige opeens een roman geschreven bleek te hebben. ‘Om jullie eens wat te laten zien.’

‘Had ze een roman willen schrijven omdat wij romans schreven?’ vraagt Didion zich onzeker af. ‘Was dat de zoveelste verplichting geweest die haar werd opgelegd?’

Zo ogenschijnlijk openhartig als Didion haar twijfels, haar spijt, haar verdriet op tafel legt, zo goed moet je tussen de regels door lezen om te begrijpen wat er aan de hand is. Toen ik Het jaar van magisch denken opnieuw las ná Blauwe nachten, omdat ik zeker wilde weten niet ergens overheen te hebben gelezen, vielen me pas de kleine scheurtjes her en der op in het portret van een huwelijk, de subtiele weerhaakjes. Bijvoorbeeld dat ze in haar eerste column voor Life, geschreven vanuit Honolulu, zichzelf introduceert en dan opeens het volgende zinnetje schrijft: ‘In plaats van echtscheiding aan te vragen zitten we nu hier op dit eiland midden in de Stille Oceaan.’ De terloopse opmerkingen over ‘de periode’ dat John erover begon meer tijd in New York te willen doorbrengen, terwijl zij in Californië wilde blijven. De herinneringen aan de lange terugritten als ze ergens uit eten waren geweest, en ruzie kregen. Of niets meer tegen elkaar zeiden. Het zijn enkele zinnetjes, ten onder gaand in het grote verhaal van twee mensen die, inderdaad, met elkaar kunnen lezen en schrijven. Maar die geen kinderen kunnen krijgen.

Ook hierover geen woord van Didion. In Blauwe nachten wordt op een zeer tersluikse manier duidelijk dat ze hun dochter als baby adopteren en haar Quintana Roo noemen, naar het Mexicaanse stukje grond dat bekend staat als terra incognita. Het feit van de adoptie blijft de bom onder het bestaan van alledrie. De ‘gewone’ spijt van de hard werkende ouder, achteraf constaterend dat haar misschien iets is ontgaan omdat er telkens een boek geschreven moest worden, krijgt door de adoptie iets extra schrijnends. De hardnekkige vragen van de dochter naar het hoe en waarom cirkelen telkens om de intrinsieke toevalligheid van haar identiteit, het zijden draadje waaraan haar levensbestemming voor haar gevoel kennelijk bleef hangen.

Stel dat jullie niet thuis waren geweest toen er werd gebeld dat er een baby was… Stel dat er een ongeluk was gebeurd op de snelweg… Hoe was het dan met mij afgelopen? Quintana wordt het niet moe haar moeder te vragen.

De angst en onzekerheid die Quintana’s bestaan kennelijk voorgoed kenmerken, al schrijft Didion daar ook terughoudend over, krijgen bijna iets pervers in het licht van het soort leven waarin haar ouders haar meeslepen. Als ze zeven is weet ze haar weg te vinden in alle duurste hotels in Amerika en Europa. Droefgeestig constateert Didion: ‘Ze was een kind dat probeerde zich niet als kind voor te doen, dat onvermoeibaar probeerde een overtuigende volwassene neer te zetten.’ Ze was zo ‘bevoorrecht’, als iemand wie een ‘normale jeugd’ was ontzegd.

Halverwege Blauwe nachten schrijft Didion dat ze had gedacht dat dit boek over kinderen zou gaan, de kinderen die we hebben en de kinderen die we ons wensen. ‘Dat wij er in zekere zin afhankelijk van zijn dat onze kinderen afhankelijk zijn van ons, dat wij hen aanmoedigen kinderen te blijven, dat wij hen minder goed kennen dan zij hun oppervlakkigste kennissen, dat wij voor hen even ondoorgrondelijk blijven.’ Naarmate haar boek vorderde, kwam ze erachter dat ze aan het schrijven was over iets anders. Namelijk: het onafwendbare van oud worden. De onmogelijkheid om ziekte en dood ‘echt’ onder ogen te zien. En opeens wordt het ook zichtbaar. De wankelheid die zich vanaf pagina één laat aflezen aan de manier waarop ze telkens een nieuwe regel begint, alsof ze met behulp van een pikhouweel zichzelf vooruit aan het trekken is, leek aanvankelijk de wankelheid van de moeder die rouwt om haar kind. Al meer blijkt het echter de wankelheid van een vrouw die zich steeds onzekerder beweegt in de publieke ruimte, die bang is te vallen. En die zich daar tegelijkertijd voor schaamt. De wijze waarop Didion haar eigen ondoordringbare scherm van verfijnd schrijven halverwege haar memoir neer probeert te halen, komt dicht in de buurt van het hartbrekende.

‘Ik moet u direct toespreken’, schrijft ze opeens. ‘Ik moet het onderwerp aan de orde stellen, maar er is iets wat me daarvan weerhoudt.’

Even verderop:

‘Laat ik nog eens proberen u rechtstreeks toe te spreken.’

Om er uiteindelijk in simpele woorden mee voor de dag te komen: ‘Oud worden, met de uiterlijke tekenen daarvan, is nu eenmaal de voorspelbaarste gebeurtenis in het leven, maar tegelijkertijd blijft het ook een zaak die we liever onbenoemd, onverkend laten.’

Een van de grote kwaliteiten van de schrijfkunst van Joan Didion is dat ze het zware nergens luchtig probeert te brengen. En dus wordt haar rouw om de rode suède sandalen met naaldhakken – die overigens al een rol speelden in Het jaar van magisch denken – waar ze altijd een zwak voor had en waarvan ze zich nooit kon voorstellen dat ze die op een dag níet meer zou dragen, een indringend gevoeld verlies. Net als haar verdriet om de grote gouden oorringen, de zwarte kasjmieren legging, de geëmailleerde kralen. Ik geloofde onvoorwaardelijk dat ik de situatie het hoofd zou kunnen bieden, schrijft ze, zonder te weten wat ‘de situatie’ eigenlijk was.

Haar situatie onder ogen zien, dat is wat Didion uiteindelijk doet, op de laatste bladzijde van Blauwe nachten. Dat ze 75 is, en dat het vijf jaar geleden is dat Quintana stierf. Dat ze haar niet meer kan bereiken, en dat er geen dag in haar leven is dat ze haar niet ziet.