Het echte verhaal

Ik ben niet op de vlucht of zo, maar ik lees even geen krant. De krantenman hier is op vakantie, en eigenlijk vind ik het wel lekker rustig.

Ik kijk meteen ook maar geen nieuws meer. Kom ik er onverhoopt in terecht, zap ik snel naar een ander kanaal, waar David Attenborough laat zien uit welk wonderlijk materiaal spinnenraggen zijn opgebouwd. En ooit geweten dat zeepaardjes alleen in het paarseizoen samenkomen?

Omdat mijn ogen erop zijn ingesteld om ’s ochtends onmiddellijk iets te lezen, lees ik nu tijdens het ontbijt een tijdschrift dat ik al een jaar had liggen. Misschien moet ik erbij zeggen dat ik me ook fysiek even heb teruggetrokken. Voor de verandering heb ik eens niet heel veel boeken meegenomen, alleen een rugzak vol papieren. Mapjes met daarin een interview uit de Paris Review met James Salter, een stuk over de tatoeage van een zeiler, een oud interview met Marlies Heuer, een verhaal van iemand die Joan Didion op bezoek kreeg, het interview van pas nog met oncoloog Pinedo. Maar vooral dat tijdschrift was een goed idee.

Ik doe er nu al een week mee, iedere ochtend lees ik een stuk. Het blad heet Hole & Corner, en heeft als ondertitel: Celebrating Craft, Beauty, Passion and Skill. Ik zoek nu even in het colofon op hoe vaak het verschijnt, twee keer per jaar. Het is een rijk blad, vol prachtige tekeningen en foto’s, zonder dat het wezenloos is. Het gaat niet om luxe, maar om iets echts. Het kan zijn dat ik een tik heb op het moment, want ik ben de hele tijd op zoek naar dat echte. Geen ‘Goedemorgen, hoe is het met u?’-toneel, zoals Marlies Heuer het noemt. Ik wil het echte verhaal, zegt James Salter, inclusief overdrijving en leugens. Eigenlijk besef ik dat pas nu ik probeer te beschrijven wat me zo aantrekt in Hole & Corner.

Het gaat over mensen die iets maken, dat allereerst. Ze zijn ergens goed in, omdat ze zich hun hele leven ergens op toeleggen, of op een bepaald punt in hun leven erachter kwamen dat ze ergens goed in konden worden. Het zijn geen voor de hand liggende verhalen, er worden geen voor de hand liggende dingen in gezegd. Ze beantwoorden aan, zoals Michael Cunningham het schrijft in zijn nieuwe roman De sneeuwkoningin, ‘de liefde die je soms koestert voor de serveersters en de koks, de timmerlieden en elektriciens, een verering bijna als geen andere’.

En dus spel ik het portret uit van een tuinarchitecte van 83, met een huis in Somerset en een fascinatie voor de tuincultuur in Iran. Aardse paradijsjes moeten ze daar hebben, voorproefjes van wat je in het hiernamaals te wachten staat. Vorig jaar nog reisde ze erheen, ze maakt zich ernstige zorgen om het behoud. De vorige president, Ahmadinejad, was ervan overtuigd dat het einde der tijden nabij was, vertelt ze, en zag er geen brood in de tuinen te conserveren. Een paar pagina’s verderop vertelt de eigenaar van Driftwood, Newquay, over zijn eindeloos schaven aan het perfecte surfboard. Hij ziet er zelf ook uit als de gedroomde surfer. ‘The only way you learn is by doing it.’ Het geldt voor veel, maar kennelijk dus ook hiervoor.

Zaten die vliegjes al op de spiegel, of komen ze met mij mee?

Zeg me maar hoe alles in elkaar zit, hoe het werkt.

Ik lees het interview van Jannetje Koelewijn met Bob Pinedo opnieuw, het stond twee maanden geleden in NRC Handelsblad. Naast heel veel andere dingen is het ook een vader-dochterverhaal. Pinedo weet hoe het werkt, hij ontving net een grote Amerikaanse prijs voor zijn werk op het gebied van kankeronderzoek, maar maakt er ook geen geheim van telkens opnieuw te moeten nadenken. Zeker als het op zijn dochter aankomt. ‘Als het heel dichtbij komt, ga je als dokter nieuwe dingen leren.’

Het is niet veel wat ik aan leeswerk bij me heb, maar het is genoeg.

Als ik in het interview ben aanbeland bij Pinedo’s verhaal over een oude dame op Curaçao, met een been dat al twintig jaar was ingezwachteld en waaronder duizenden wormen en maden leefden in opperste harmonie, aarzel ik. Ik weet niet of ik dat hier opnieuw helemaal durf te lezen, in een huis dat niet het mijne is, waar zich opvallend veel vliegjes blijken op te houden bovendien.

Niet op letten, zeg ik tegen mezelf, want er is niemand anders hier die dat tegen me kan zeggen. Het zijn maar vliegjes.

Ik gooi fruit weg, brood, papier, filters, maak schoon, maar het lijkt wel alsof er iedere dag meer zijn. Als ik in de spiegel kijk, verzamelen ze zich op het glas. Zaten ze daar al, of komen ze met mij mee? David Attenborough zou enthousiast zijn loep erbij halen, vol ontzag voor het wonderlijke materiaal waaruit hun pislijfjes zijn opgebouwd, maar ik wil ze dood hebben. Mijn echte verhaal komt pas tot bloei in mijn hoogsteigen glossy magazine Fly & Corner: Celebrating Anxiety, Demons, Rage, Filth and Nightmares. Maar wie wil dat lezen bij het ontbijt?