Het eerste meisje

Onlangs hoorde ik bij toeval dat het eerste meisje waarmee ik naar bed was gegaan zelfmoord had gepleegd.

Of toeval… Het was op een schoolreünie. Daar hoor je zulke zaken.

De jongen die het mij vertelde had het ook bij toeval vernomen. Via een advertentie in een regionale krant.

Ze moet net zo oud zijn geweest als ik, misschien iets ouder, want we zaten nog op school.

Toen het ‘uit’ was, heb ik haar nooit meer gezien.

Dat was dus vijftig jaar geleden.

Sinds ik hoorde dat ze zelfmoord had gepleegd, blijft ze in mijn gedachten rondspoken.

Ik probeerde via internet iets te achterhalen maar wat wilde ik eigenlijk vinden? Er was nauwelijks iets over haar te vinden.

Ik ontdekte dat ze veertig jaar geleden een totaal andere naam ging gebruiken. Waarom? En daarna, twintig jaar geleden, was er weer een andere naam. Dit is nu al de tweede vriendin van mij die plotseling een totaal andere persoonlijkheid wenste en die ook probeerde aan te nemen. Is er een verband tussen die zelfmoord en de wens om iemand anders te zijn?

In 1969 gingen we één keer met elkaar naar bed, en in 1981 hoorde ik via een klasgenoot – ook al dood – dat zij in Parijs in een boekhandel werkte. Waarom Parijs? Vanwege een Franse vriend. Ik begreep het. Toen ik een half jaar later in Parijs was, bezocht ik die boekwinkel, maar zij was er niet. Ze kenden haar ook niet. Ik noemde nog een keer haar voor- en achternaam en opeens werd er geknikt. Er had daar wel een Duitse dame gewerkt met die naam. Maar die had een andere voornaam en die kwam dus uit Hamburg en niet uit Nederland. Ik beschreef haar, maar mijn povere Franse vocabulaire paste niet op haar portret. Maar wacht. Men liep naar achteren en kwam terug met een personeelsfoto en ik herkende haar onmiddellijk. Ze werkte al drie jaar niet meer in de boekhandel. Ze had op een dag zomaar ontslag genomen. Ze wisten ook niet waar ze zou kunnen wonen en of ze nog wel in Parijs was. Ik haalde mijn schouders op. Keek nog eens naar de foto: ze had kort haar, maar ook dat kon ze hebben.

Er was destijds een reden waarom ze het met mij uitmaakte.

Ze was verliefd op een ander. Al tijden. Een oudere man. Een veel oudere man.

Ze vertelde het me in het Lyceumcafé. Een tafeltje bij het raam.

‘En die man van wie ik hou is ook nog eens gek’, zei ze.
‘Hoe bedoel je?’
‘Hij zit in een kliniek.’
‘Waarom?’
‘Hij is schizofreen.’
‘Hoe kun je houden van iemand die schizofreen is?’ vroeg ik.

‘Hoe kun je houden van ­iemand die schizofreen is?’ vroeg ik

De vraag ergerde haar.

‘Ik hou in ieder geval niet van jou’, zei ze, ‘ik zou dat wel willen, maar het gaat niet.’
‘Ik hou wel van jou’, zei ik.
‘Omdat ik met je naar bed ben geweest.’

Misschien was dat wel waar.

We namen van elkaar afscheid met een kus.

Ik kan die kus nog voelen, evenals het liefdesverdriet waar ik nog zeker een jaar last van heb gehad.

Ze voedde mijn gedachte dat vrouwen eerder vallen voor gestoorde mannen dan voor ongestoorde.

En nu is ze dood.

Zelfmoord.

De dood is op mijn leeftijd een gevaar omdat hij je minder interesseert. Sterker: je begrijpt waarom sommigen ernaar verlangen. Doodsangst hoort bij de jeugd en bij jeugdigheid.

Waarom vind ik zo weinig over haar op internet?

Wat voor leven leidde ze? Waarom ging ze naar Parijs in een boekwinkel werken, een boekwinkel met vooral spirituele boeken? Wat zocht ze?

Ik weet nog hoe ik haar vasthield toen we in bed lagen.

Ik durfde niet te huilen van geluk.

Is er iemand die haar gedenkt?