Essay Thuis in een vreemd land

Het eeuwig ontbrekende deel

Een paspoort, drie geboren en getogen kinderen en een sociaal leven, maar toch, een Nederlander word je nooit. Wie zijn land verlaat, zal eeuwig blijven zoeken.

‘WAT KOST het blikje ananas?’
'Vijftig cent. Cheap.’
'Ja, maar… is het nog vers? Ik zie nergens een houdbaarheidsdatum…’
De eigenaar van de Chinese supermarkt achter de Amsterdamse Zeedijk reageert als door een wesp gestoken. 'Natuurlijk is nog goed! Slecht? Bedorven? Ga maar kijken bij de Albert Heijn.’ Hij draait zich om en sjokt weg, met een onmiskenbaar woedende schouderophaal. Opeens word ik me bewust van de andere klanten in de supermarkt: bijna zonder uitzondering 'buitenlanders’, van Aziatische afkomst, maar ook veel Engelssprekende toeristen.
Ik verlaat de supermarkt en wandel voorbij de laatst overgebleven prostitutieramen aan deze kant van de Zeedijk. Om de een of andere reden voel ik me altijd verplicht de dikke, donkere dames met de sigaren te groeten met een beleefd hoofdknikje. Nu ook. Ze lachen me toe. Even verderop loop ik een Chinees 'cultureel centrum’ binnen. Op de begane grond zijn er twee massagesalons. Daarnaast een winkeltje of bedrijf, maar wat voor zaken hier worden gedaan blijft onduidelijk. Voor de salon treedt een Chinees meisje van een jaar of vijftien mij tegemoet. In gebroken Nederlands vraagt ze of ik er ben voor een massage. Ik glimlach en leg uit dat ik, we, hier zijn om opnamen te maken voor een serie filmpjes voor een project op YouTube, waarbij een van de afleveringen een Aziatische setting vereist.
'Oké’, zegt ze vriendelijk, stapt vervolgens terug in de salon en gaat achter een laptop zitten rommelen. Ze doet een hoofdtelefoon op om online naar muziek te luisteren.
Ik probeer contact te leggen. 'Ken je Faye Wong?’ vraag ik. 'Popster? Uit Hongkong?’
Ze schudt haar hoofd, lacht beleefd en draait haar blik terug naar het scherm.
Haar buurman toont zich minder genegen. Terwijl de crew aan de gang gaat met het opzetten van camera’s en lampen en microfoons houdt hij ons nauwlettend in de gaten. Wij, indringers in zijn wereld.
Amsterdam. De Zeedijk. Een wereld in een wereld, een afgesloten stukje werkelijkheid. Ik weet niet waarom, maar ik voel me hier thuis.

IK BEN NEDERLANDER. Maar toch ook niet. Ik heb een Nederlands paspoort, ik spreek en schrijf de taal inmiddels goed, sterker, ik geloof dat ik sinds een paar jaar zelfs in deze taal droom, en ik heb drie kinderen die hier geboren en getogen en dus Nederlandertjes in hart en nieren zijn. Ik ben dat niet. En het blijft een mysterie hoe dat mogelijk is: hoe ik zo lang hier kan wonen en ogenschijnlijk aan alle voorwaarden voldoe om een volwaardig burger van dat land te zijn, althans dat hoop ik maar, en toch: echt Nederlander zal ik misschien wel nooit zijn. Ik vermoed dat iets van een verklaring te vinden is in de beruchte woorden van prinses Máxima in 2007, toen ze bij de presentatie van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over dubbele nationaliteit verklaarde: 'De Nederlander bestaat niet.’ Gelijk had ze. Of grijp ik haar nog altijd lavende woorden slechts aan ter verzachting van mijn eigen gevoel van vervreemding in de Lage Landen? Als 'de’ Nederlander immers niet bestaat, dan hoef ik ook niet zo hard te proberen een Nederlander te zijn. Soelaas.
Of niet. Want er wordt nogal wat van je gevraagd tegenwoordig, wat 'inburgering’ betreft. Vaak sta ik er versteld van dat politici en intellectuelen zo gemakkelijk mensen van vreemde afkomst proberen te dwingen een andere culturele identiteit, de Nederlandse dus, aan te nemen. Het is niet genoeg dat iemand als ik Nederlands spreekt, werkt, belasting betaalt en met zijn kinderen Sinterklaas viert. Nee, ik moet een stapje verder gaan, ik moet ergens diep vanbinnen een soort mystieke gedaanteverwisseling ondergaan zodat ik 'echt’ Nederlander kan zijn. Als een onkruidwieder moet je je vorige identiteit verdelgen ten gunste van de nieuwe. Neem sport. Als Zuid-Afrika, mijn land van herkomst, tegen Nederland zou voetballen, dan móet ik voor Nederland zijn. Anders ben ik een verrader.
Landverhuizers hebben nu eenmaal gespleten culturele persoonlijkheden. Nederland lijkt hier blind voor te zijn geworden, getuige het huidige debat, ingegeven door het WRR-rapport uit 2007 waarin een dubbele nationaliteit nog als iets positiefs werd besproken. Maar toen prinses Máxima - nietsvermoedend, durf ik te wedden - hierop inspeelde met haar ontkenning van het bestaan van 'de’ Nederlander was het land te klein. De Tweede-Kamerfracties van CDA, VVD en PVV reageerden verbolgen en PVV-leider Wilders bestempelde de uitspraken van Máxima als 'politiek correcte prietpraat’. Tegenover NRC Handelsblad stelde Tweede-Kamerlid Mirjam Sterk (CDA): 'De nationale identiteit bestaat wel degelijk. Het koningshuis is daar zelf een goed voorbeeld van. Natuurlijk is er pluriformiteit, maar we hebben een collectieve historie en nationale symbolen die Nederlanders binden.’
Deze krampachtige reacties zijn exemplarisch voor de tijdgeest. Ook de Britse historicus Tony Judt haalt het politieke en culturele klimaat erbij wanneer het om 'identiteit’ gaat. Judt schrijft: 'We leven in een economisch, fysiek en politiek onzekere tijd. Onzekerheid kweekt angst, en angst - voor verandering, voor aftakeling, voor vreemdelingen en voor een onbekende wereld - ondermijnt het vertrouwen en de wederzijdse afhankelijkheid waar beschaafde samenlevingen op gebaseerd zijn.’ En: 'In open samenlevingen zal de roep toenemen om de instroom van vreemdelingen te beperken en vrijheid op te offeren voor “veiligheid”.’
Daar schort het nogal aan, aan dat 'vertrouwen’ en die 'wederzijdse afhankelijkheid’. Na twintig jaar inburgeren en dus als 'nieuwe Nederlander’ of 'halve Nederlander’ of 'Nederlander in spe’ of vooruit, landverrader, voel ik eerder argwaan en angst en onzekerheid. Soms ook haat, zeker in het discours rond niet-westerse immigranten.
Om de hoek van de supermarkt en het Chinese culturele centrum loop ik de Zeedijk op en stap een vertrouwd adresje binnen: het comicswinkeltje van Rob, een Amsterdammer die naar ik heb begrepen van bier en blowen houdt. Zelf heb ik hem dat nooit zien doen. Het enige wat ik Rob ooit heb zien doen, is het eindeloos herinrichten van zijn winkeltje. Ik kom er vaak, soms wekelijks, maar nog geen twee keer achter elkaar heb ik hetzelfde interieur gezien. Steeds weer rangschikt hij zijn collectie, dan weer in de kelder, dan weer boven, in rekken, in dozen, op toonbanken, het is nooit af. Dat is maar goed ook, want hij is een verzamelaar, en net als bij alle verzamelaars is ook zijn grote nachtmerrie het vooruitzicht dat zijn collectie ooit compleet zou zijn. En dat er niets meer te ordenen zou vallen.
Ook hier lopen veel toeristen binnen, maar bij Rob tref ik voornamelijk Nederlanders aan die geïnteresseerd zijn in Amerikaanse strips, comics die je niet in normale winkels aantreft en waarop je je kunt abonneren.
Wanneer ik bij Rob in de winkel sta te praten over iets als de nieuwste Dracula-serie van Marvel, dan voel ik me inderdaad ietwat als een verrader. Eigenlijk zou ik voor mijn plezier Nederlandstalige strips moeten lezen of vaker naar Nederlandse films of Nederlandse televisie moeten kijken. Maar uitzonderingen daargelaten vind ik zelfs maar een paar minuten of enkele scènes uit een Amerikaanse televisieserie als Seinfeld of al helemaal uit het nieuwe, magistrale Boardwalk Empire beter dan de meeste Nederlandse films of series die ik dit jaar heb gezien. Heel soms ben ik eerlijk hierover en dan zijn de reacties ook niet mals en niet altijd vrij van agressie. De meest voorkomende is: als je dat echt vindt, waarom woon je dan al zo lang hier? Waarom ga je niet eens weg?
Legitieme vragen. Het antwoord is eigenlijk vrij simpel. Het werd eerder geformuleerd door V.S. Naipaul en Salman Rushdie en Anil Ramdas en andere auteurs die concluderen dat de immigrant zijn leven lang juist dat blijft: een landverhuizer, ontheemd en soms ook ontredderd en altijd op zoek naar een 'voltooide’ identiteit. De immigrant heeft iets gemeen met een ware verzamelaar als Rob van de Zeedijk: volkomen volledigheid is een illusie. Wie zijn land van herkomst eenmaal verlaat, zal eeuwig blijven zoeken naar het ontbrekende deel.
Op de Zeedijk eet ik met Chinese stokjes uit mijn blikje ananas terwijl ik op straat loop en de camera mij volgt. Het is in scène gezet, maar niemand kijkt me aan, want ik ben even vreemd als iedereen hier. Misschien voel ik me daarom zo thuis op deze plaats: een vreemdeling in een vreemd land, om met Robert Heinlein te spreken. Vervreemding. Het hangt als een laag mist over deze plaats. Voorbij rood verlichte ramen van eethuisjes met erachter repen varkensvlees en hele kippen en stomende wokken, voorbij elektronicazaken en videotheken en steegjes die toegang bieden tot de Wallen waar lijkbleke Engelse toeristen op de trottoirs overgeven tot afschuw van Hollandse serveersters in bruine kroegen waar Sky Sports constant aan staat, tot bij de Fo Guang Shan He Hua Temple, de grootste, in traditioneel Chinese paleisstijl gebouwde tempel in Europa, een paar jaar geleden geopend door koningin Beatrix.
Wat voor stad is dit toch? En wat voor land? Kan het zijn dat niemand dat echt weet, dat de bewoners van stad en land constant bezig zijn zichzelf opnieuw uit te vinden? Net als ik? Misschien zijn we allemaal dan vreemdelingen; misschien is dat hoe het is in de moderne wereld waarin geografische grenzen weinig voorstellen en mentale afscheidingen al helemaal in rook zijn opgegaan dankzij het internet. In zijn brief aan Rajiv Gandhi naar aanleiding van het Indiase verbod op The Satanic Verses schrijft Rushdie dat het boek niet over de islam gaat, maar over 'migratie, metamorfose en het gespleten zelf’. Dat is inderdaad het grote verhaal van onze tijd: de impact van geografische en geestelijke verplaatsing op de levensvatbaarheid van de 'nationale identiteit’.
Steeds meer is de taal mijn redding, het brandpunt van mijn metamorfose. Op mijn bureau ligt een roman die blijkbaar briljant is, geschreven in het Afrikaans, de aan het Nederlands verwante taal van mijn verleden die ik sinds een jaar of zeven de rug heb toegekeerd - ten gunste van het Nederlands, de taal waarin ik tegenwoordig uitsluitend schrijf. Vaak post ik nog wel op sociale-mediasites in het Afrikaans. Het valt me op dat ik dat foutloos kan. Maar de taal spreken, nee. Want ik ben niet meer wie ik was, ik realiseer me dat de kogel door de kerk is: mijn moedertaal is inmiddels mijn derde taal, naast het Engels als tweede taal en een vreemde taal, het Nederlands, als eerste taal. Ben ik nu volledig? Een voltooide immigrant? Nederlander? Zegt u het maar.