China is doordrenkt van de tao

Het eeuwige niets

Alle Chinese cultuur komt voort uit het ongrijpbare taoïsme. In het land van de ijverige vingertjes blijken Chinezen onder de oppervlakte veelal getalenteerde kringetjes-spugers en flierefluiters. ‘Niets doen geldt hier voor velen als hoogste ambitie.’

SOFTCORE KLUIZENAAR Wang Yaocun vindt een tikkie afstand van de razende buitenwereld voor het moment meer dan genoeg. Vanaf het terras van zijn grotwoning, ingeklemd tussen de busingang van de heilige bergketen Huashan en een spoorlijn, overdenkt hij zijn Tao. ‘Hier of daar, het maakt niet zoveel uit’, zegt de 47-jarige meester als hij opstaat om in een plastic emmer te urineren. ‘Bovendien geeft het komen en gaan van die toeristen die allemaal denken iets te moeten gaan doen en al die treinen me wel plezier. Eerder leefde ik haast totaal afgezonderd in Fujian. Ook dat was prima.’
Buiten heel veel lezen en een dagelijks wandeltochtje naar de kaartjescontrolepost van Huashan om ironisch genoeg zijn gsm op te laden doet Wang helemaal niks. ‘Het schijnt dat sommigen veel bevrediging uit werken krijgen’, zegt hij. ‘Maar persoonlijk hou ik helemaal niet van moe worden.’
En dan heeft hij het alleen nog maar over zijn mede-taoïsten die onlangs hun handen uit de mouwen staken om even verderop een nieuw tempeltje te bouwen. Over de immer razende Chinese economie die de wereld volplempt met spotgoedkope spullen is hij al helemaal taoïstisch: ‘Goed of slecht?’ peinst hij. ‘Iedereen bereist de weg die hij denkt te moeten gaan. Als ze zeker weten dat het nut heeft moeten ze zich vooral niet inhouden.’
In het land van de ijverige vingertjes lijkt het zoeken naar ledigheid wellicht onzin, maar rakelings onder de oppervlakte zijn Chinezen veelal getalenteerde kringetjesspugers en flierefluiters. Tekenen daarvan zijn voor iedere toerist waar te nemen. Hotels draaien met minstens tweemaal het aantal personeelsleden als in het Westen en in restaurants zijn vaak meer obers dan klanten te vinden. Allemaal druk doend om de indruk van efficiëntie te wekken.
‘Buiten de productiecentra waar inderdaad iedereen zich voor minstens een paar jaar uit de naad werkt valt het normaliter reuze mee met de bejubelde Chinese ijver’, grijnst een gepokt-en-gemazelde westerse ondernemer die helaas niet met zijn naam in de krant wil. ‘En dan druk ik me nog zacht uit. Na jaren begin ik zeker te weten dat niets doen voor velen hier als hoogste ambitie geldt. Beetje leuteren, thee drinken en de dagen zien verglijden. Inderdaad niet wat bij de krantenlezer bovenkomt als dit land ter sprake komt.’
China’s meest beroemde moderne schrijver Lu Xun zei het al eens: alle Chinese cultuur komt voort uit dat schier ongrijpbare taoïsme en het starre confucianisme is alleen voor de opsmuk. En in z’n hoogste vorm kijkt de Tao nu eenmaal met onthechte ironie naar de opgefokte waan van de dag.
Een korte en gangbare maar ongetwijfeld ook wat simpele definitie gaat aldus: de Tao is de consolidatie van een aantal concepten en praktijken die tezamen het ‘pad’ of de ‘weg’ van het leven vormen – de consolidatie van basisprincipes of ‘theorieën’ wat betreft het lichaam, voedsel, ademhaling en fysieke training, het universum, filosofische bespiegelingen en meditatie. Dit alles brengt de mens dichter bij de ‘natuurlijke orde’ van het leven.
Kristofer Schipper verzorgde eerder dit jaar voor uitgeverij Augustus een nieuwe Nederlandse vertaling van de Lao Zi – oftewel de klassieke Daodejing – de 2600 jaar oude tekst waarin de legendarische en wellicht mythologische Laozi z’n ideeën uiteenzette voordat hij op een blauwe buffel naar het westen reisde en nimmer meer iets van hem werd vernomen.

_De eeuwige Tao
kan niet in woorden worden uitgedrukt
De eeuwige naam
kan niet worden genoemd.

Het niets:een naam voor de herkomst van de tienduizend dingen.
Het iets: een naam voor de moeder van de tienduizend dingen._

WIE DAT ONMOGELIJK etherisch vindt, hoeft zich niet voor het hoofd te slaan, want sommige aspirant-taoïsten schijnen het hun hele leven lang niet te kunnen begrijpen. ‘Het is niet eens een kwestie van domheid of intelligentie’, zegt meester Guo, die hoger in de Huashan-bergen zijn domicilie koos. ‘Sommigen met maar nauwelijks scholing vatten de strekking wel degelijk en er zijn zogenaamd hoogopgeleiden die er nooit iets van zullen van begrijpen.’
In vergelijking tot het taoïsme lijkt het confucianisme welhaast een simpele boodschappenlijst. De plaats van het individu in de maatschappij, de rol van familie, de rol van de overheid en respect voor gezag – dat alles wordt eindeloos voorgeschreven.
‘Dat China cultureel confucianistisch is, is een wijdverbreide misvatting’, zegt Kristofer Schipper, emeritus hoogleraar sinologie aan de Universiteit Leiden en een internationaal erkende autoriteit op dat gebied. ‘In werkelijkheid is het land doordrenkt van de Tao. Dat definieert zich tegenover het confucianisme en zet zich ertegen af. Daardoor kun je het ene dus niet los zien van het andere. Sinds de oorspronkelijke teksten meer dan tweeduizend jaar geleden werden geschreven hebben die richtingen echter intens met elkaar gediscussieerd en zijn ze tot op een bepaalde hoogte geïntegreerd. Ze zijn het innerlijke en uiterlijke geworden. Het hart en het gezicht van China. De hele cultuur is het spanningsveld tussen deze in principe onverenigbare stromingen.’
Dat klinkt aantrekkelijk want het kaart een van de mysteriën van de Chinese ziel aan die sommigen al sinds mensenheugenis bezighoudt: het opvallende verschil tussen woord en daad. Waarom Chinezen zich dikwijls in de meest rigide conformistische taal kunnen uiten terwijl daar in het dagelijkse leven niets van terug te vinden is. Het starre woord is confucianistisch – dat is duidelijk – terwijl de hyperindividualistische rommelige praktijk uit een andere bron voortkomt. Een verbluffende spagaat waar weinigen in dit land moeite mee lijken te hebben. Zelfs een ordinaire straatschuimer in Peking hulde zich deze week in vrome conformistische platitudes voordat hij me reuze individualistisch een blauw oog sloeg.

MAAR DADEN MOGEN dan misschien volgens de Tao best te billijken zijn, het hoge ideaal gaat in principe uit van juist het tegengestelde: Wuwei, niet ingrijpen, van de buitenwereld wegblijven en dingen op hun beloop laten. ‘Neem de overheid’, zegt Zhang Jianfeng, hoofdredacteur van het taoïstische tijdschrift Wendao in Xi’an: ‘Voor jullie buitenlanders moet duidelijk zijn dat China zich, ondanks vaak verheven woorden, nauwelijks mengt in de internationale gemeenschap en niet actief streeft naar een status als supermacht, met al de verantwoordelijkheden van dien.’
Recentelijk dreef Pekings relaxte politiek jegens Noord-Korea de buitenwereld weer eens tot waanzin. Misschien is het verstandig het gewoon in het licht van de Tao te zien.
Maar niemand is zo goed in Wuwei als de taoïstische kluizenaars. Zij zijn tenslotte de professionals en daarover zijn veel vermakelijke verhalen te vertellen. De tachtigjarige heremiet Jiang Ziya hengelde drieduizend jaar geleden tot verbijstering van een ieder met een rechtgebogen haakje dat hij ook nog eens boven het water liet bungelen in de mening dat vissen die gevangen willen worden dat zo ook wel zouden toestaan. Of de briljante strateeg Zhuge Liang, die tot driemaal toe een cruciale legerfunctie weigerde en de koning in zijn sop liet gaarkoken met het excuus dat hij in zijn hutje nuttiger dingen te doen had.

ZOALS GEZEGD WOONT meester Guo hogerop in de bergen en als we daar aankomen heeft hij net bezoek van collega-kluizenaar Hao Jiabao, die op zoek is naar geneeskrachtige kruiden. Na de gebruikelijke omslachtige introducties en een eindeloze stroom thee vertelt de 61-jarige Guo hoe Wuwei de basis van zijn bestaan werd. Hij werd geboren tijdens de meest tumultueuze revolutionaire jaren; de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie drukken nog altijd zwaar op zijn ziel. Toen hij van school kwam werd hij te werk gesteld in een kolenmijn. Daar, diep onder de grond, las hij bij kaarslicht de taoïstische klassieken en raakte ervan overtuigd dat hij met de wereld zoals die er voor lag niets te maken wilde hebben.
‘De krankzinnigheid’, zegt hij. ‘Het gelieg en bedrieg alleen om maar door het leven te komen. De maatschappij bestaat nu eenmaal uit drie soorten mensen: diegenen die er alles voor doen om te overleven; dan staan op een hoger plan diegenen die in vervoering raken van muziek en kunst; en aan de top de kleine groep die zich kan onthechten.’ Nadat de overheid in het begin van de jaren negentig kluizenaars weer enigszins tolereerde, trok Guo zich definitief terug.
De voor- en nadelen van Wuwei leiden tot een discussie: het Chinese onderwijssysteem is geheel op confuciaanse leest geschoeid en is niet anders dan een snelkookpan die kinderen klaarstoomt voor hun rol in de maatschappij met alle geknakte ambities van dien. Onder de schooljeugd zijn de zelfmoordcijfers schrikbarend en ik opper dat daarmee wel een rol is weggelegd voor het beschouwelijke taoïsme. Een monnik die een kalmerende spreekbeurt geeft, lijkt geen slecht idee. Taoïsten bezien confucianisten echter traditioneel als een stel onverbeterlijke domoren die er niets van begrijpen en waarvan je moet wegblijven (alweer Wuwei) en volgens Hao is er in die opstelling niets veranderd. ‘De mens moet naar de Tao komen en niet andersom. Dat kan ook niet. Of er voor leken misschien iets te doen zou kunnen zijn op scholen is iets waar ik over moet nadenken, ofschoon ik niet geloof dat de overheid het zou toestaan.’
Guo woont aan het eind van een behoorlijk begaanbaar pad en daarmee voldoet hij maar nauwelijks aan mijn clichébeeld van ascese. Daarvoor schijnt meesteres Chao een betere keuze. Om haar te bereiken dien je urenlang over bijna loodrechte rotsen te klauteren. We brachten tomaten en komkommers voor haar mee, want die lijken welkom als je boven op een kale berg woont, maar dat blijkt bij aankomst een grote vergissing. Het eerste wat we zien is een goed onderhouden groentetuin en ook Chao lijkt heel wat minder op Simon de Pilaarheilige dan was gehoopt. Eigenlijk is ze na zeventig jaar kluizenaarschap een verbazingwekkend gezonde, goedgeluimde negentiger en een reclameposter voor de voordelen van een vegetarisch dieet. Ik besluit haar de vraag te stellen die me al van meet af aan bezighoudt: is een gezonde ironie een onverbrekelijk deel van de Tao en kunnen de dorren van ziel die waarheid wel deelachtig worden? Haar antwoord valt niet tegen. ‘Helpen doet het wel degelijk’, zegt ze luchtig. ‘In de hoogste niveaus van het taoïsme en vooral onder kluizenaars lachen we heel wat af. Onder leken is het echter meestal heel wat minder vrolijk en dat is een belangrijk verschil tussen hen en ons.’

Bai Juyi (772-846):

Ambten genoeg – te lui er een te kiezen.
Akkers genoeg – te lui ze te bewerken;
Een gat in ’t dak – te lui om het te dichten,
Mijn jas een scheur – te lui die te herstellen.
Ik heb wel wijn maar schenk me lui niet in –
’t Verschilt niet van een altijd lege kruik.
Ik heb een citer die ik lui niet speel –
Het is hetzelfde als een zonder snaren.
Er is geen bras meer zegt het personeel –
Ik ben te lui de padi te gaan stampen.
Als vrienden en verwanten brieven zenden,
Ben ik te lui het zegel te verbreken.
Xi Kang had vroeger ooit de reputatie
Dat hij zijn leven lang in luiheid sleet.
Hij speelde citer en hij smeedde ijzer:
Naast mij gelegd was hij beslist niet lui!

(Vertaling W.L. Idema)