Fleur Bourgonje

Het eeuwige zout

Fleur Bourgonje

Araya

Uitg. Atlas, 103 blz., ƒ34,90

Het beeld van een in zwarte lappen geklede vrouw. Zij loopt over gloeiend heet zand naar de zee en draagt een mand met zout op haar hoofd. Zij stampt de oogverblindende witte brokken fijn bij de zoutpiramide aan de oever van het meer. In de schemering kapt zij takken en uitgedroogde cactusvruchten van de schrale grond. Zij drinkt van het schaarse water dat zij over haar gezicht en haar borsten laat lopen. Een woord verschijnt in de herinnering van een andere vrouw, een woord dat zij dacht te hebben vergeten: Araya, het schiereiland in Venezuela waar zij gewoond heeft, waar het leven van de mannen, de vrouwen en de kinderen draait om het zout, het zuiverste zout van de wereld. Bijna een kwart eeuw heeft zij niet meer aan Araya gedacht, en opeens zijn er de zwart witbeelden van een oude documentaire die zij ooit heeft gezien. Araya laat haar niet meer los, zij droomt van het schiereiland dat brandt in het zout, waar niets groeit en geen schaduwen zijn, zij kan het beeld van de vrouw in het zwart niet van zich afzetten. Zij kijkt naar foto’s van toen, met een man en een kind, bij een huis dat te groot leek. Zij besluit terug te gaan naar het land dat zij met haar kind ontvluchtte om de vrouw in het zwart op te zoeken. Zij wil weten hoe je leeft als er bijna geen water is, als de zon altijd brandt, hoe de vrouw in het zwart met opgeheven hoofd kon lopen en de schraalheid, het gebrek aan water en aan liefde kon trotseren.

Wanneer zij in Araya aankomt en haar intrek neemt bij Candida, die kamers verhuurt aan de voet van een ruïne, staken de mannen al vijftig dagen omdat zij niet langer als slaven willen leven. Het zout ligt stil, de winkels zijn leeg en de toeristen blijven weg. Homero, die een oude Chevrolet heeft, brengt haar naar de zoutpan en de stakers in de haven. Schepen liggen doelloos aan de aanlegsteigers, de machines roesten in de raffinaderij. Zij vraagt hem naar de vrouw. Het moet Petra Salazar zijn, de vrouw van Dàmaso, van het verleden weet ze niets meer, zij leeft nog slechts in het heden. Zij wil Petra opzoeken, zij gaat naar haar huis om de herinnering aan het heden te toetsen, de verbeelding aan de werkelijkheid. Maar bij het huisje loopt zij door, liever houdt zij het beeld vast zoals het was.

Ook zij heeft willen vergeten, door nooit aan het land waarvan Araya deel uitmaakt te denken, door er nooit over te spreken of te schrijven, maar op het schaduwloze strand komen haar herinneringen terug, aan het vliegtuig en het kind dat zij meenam, terug naar Nederland. Zij beseft dat zij niet naar Araya had moeten gaan, dat herinneringen vervluchtigen, dat de tijd verstrijkt en verwaait, en alleen het onderscheid tussen dag en nacht overblijft.

Maar zij heeft de documentaire gekocht, en eenmaal terug doet ze alles wat zij voor haar vertrek niet had gewild. Zij leest boeken en reisverslagen over de kapers die het kostbare zout en het water kwamen plunderen, over de Hollanders die een vesting bouwden bij de zoutpan bij Araya en in gevecht raakten met de troepen van de Spaanse gouverneur. Zij gaat naar Amsterdam en ziet de herenhuizen die gebouwd werden door de rijke en bekwame handelaren in zout en specerijen. Het zout was het symbool van eeuwig leven, je kon er vocht mee vasthouden, de honger stillen en ziektes bestrijden, hartstochten werden ermee aangejaagd en geesten uitgedreven. Het werd over continenten vervoerd en er werden oorlogen om gestreden. Het was ook het symbool van dood en verval, het gaf dorst en veroorzaakte ziektes, het vrat de huid en onderliggende weefsels aan, het bracht melancholie en waanzin.

Zij kijkt naar de film op de video met haar nu volwassen dochter. Zij ziet de vissers en de zouthakkers die de scherpe brokken van de bodem pakken. De jongens wassen het zout en laten het drogen op de piramide. Zij ziet Petra Salazar, maar ze is niet de vrouw uit haar herinnering: deze vrouw is in het wit gekleed en ze draagt een strohoed op haar hoofd. En dan, aan het einde van de film, verschijnt de vrouw in het zwart. Zij loopt met een klein meisje door de vlakte, de heuvel over, langs de zoute zee van Araya, steeds verder uit het beeld. De cirkel is rond, werkelijkheid, film en herinnering komen samen in het laatste beeld van de vrouw dat met het meisje over het verlaten strand loopt. De vrouw in het zwart verdween met het meisje aan de horizon, zij ging terug naar Nederland. Eindelijk kon zij dit verhaal vertellen en de vrouw in het zwart van de vergetelheid verlossen, en haar in een intrigerend herhalend taalspel tot een deel van haar leven maken. De harde contrasten van het landschap ontbreken in haar verhaal, dat zichzelf geleidelijk opbouwt uit de herinneringen aan de felle zon boven het schrale land, de immense zee en het schaarse water, en aan Araya en het eeuwige zout, dat in deze wonderbaarlijk mooie novelle voor de essentie van het leven staat.