Een amorfe onderbuik

Het ego is te groot geworden

Tien jaar na de moord op Theo van Gogh wordt fanatiek een beroep gedaan op de vrijheid van meningsuiting. Maar als iedereen schreeuwend zijn eigen speelruimte opeist wordt vrijheid een hol dogma.

Medium margreet

‘Baas in eigen land’, zegt Robert Koelewaard in een wit T-shirt met een wapperende vlag van de Nederlandse Volks-Unie (nvu). ‘We zijn een sociale volkspartij.’ Hij grinnikt tevreden voor zich uit. Om hem heen hangen stevige kerels en een paar vrouwen met bleke gezichten, gekleed in het zwart en de lichaamsdelen vol weelderige tatoeages. Zij staan keurig op het met dranghekken afgezette terrein aan de overkant van het ministerie van Buitenlandse Zaken, de plek die de gemeente Den Haag hun heeft toebedeeld om te demonstreren.

Zij protesteren tegen het jihadisme van Islamitische Staat (IS). Niet zozeer vanwege het radicale, gewelddadige karakter van IS, maar vanuit hun aloude extreem-rechtse ideologie: alles wat de lelieblanke christelijke cultuur bedreigt, moet ophoepelen. De vijand bestaat sinds hun oprichting in 1971 net zo goed uit joden als uit gastarbeiders en asielzoekers die volgens Koelewaard, nvu-lijsttrekker te Purmerend, meteen een huis ‘met alles erop en eraan krijgen’, terwijl hij, een afgekeurde pijpfitter, bij zijn moeder thuis daar zeven jaar op moet wachten. De media negeren hun geluid, zij stoppen alles in de doofpot wat er in Den Haag wordt bekokstoofd ten gunste van de vvd-burgers en allochtone klaplopers. ‘Wij worden behandeld als derderangs burgers, wij zijn dissidenten’, zegt Koelewaard – ‘al vier keer opgepakt voor mijn uitgesproken mening’. Als later nvu-voorman Constant Kusters een toespraak houdt komt de stemming er goed in.

Een paar kilometer verderop zijn op het statige Plein 1813 zo’n 150 mensen van het comité Samen tegen Racisme neergestreken. De groepering is een amalgaam van Anti-Fascistische Actie, Internationale Socialisten, trotskisten en pro-Palestina-activisten. Ook hier domineert zwarte kleding, met als uitzondering een oude man in een fel oranje gewaad en een jongen die met zijn tuinbroek en lange puntbaard lijkt op kabouter Plop. Het hardhandig arresteren door de Haagse politie van een Marokkaanse jongen, het intrekken van paspoorten van jihadisten, zwarte piet – aan de hand van voorbeelden spugen de sprekers op het podium hun onvrede eruit tegen de media, de regering, de vvd voorop, Brussel en de elite. Asielzoekers en mensen met een kleurtje worden gediscrimineerd en behandeld als tweederangs burgers. Er wordt instemmend gejoeld.

De spanning stijgt als er een relletje uitbreekt tussen verslaggever Jeroen Holtrop van PowNews en demonstranten die zijn manier van vragen stellen niet appreciëren. De politie toont een staaltje de-escaleren. Holtrop, vol adrenaline, wordt naar de zijkant geduwd, terwijl een andere agent een betoger arresteert. Namokkend zegt Holtrop: ‘Het is toch raar dat in dit vrije land het de pers onmogelijk wordt gemaakt haar werk te doen.’ Hij eist het respect op dat hij zelf met zijn opdringerige microfoon niet aan de dag legt. In al zijn miskenning ziet hij niet dat andere journalisten geen strobreed in de weg wordt gelegd.

Op 20 september, dezelfde dag dat Den Haag onder het motto ‘just feel free to celebrate’ met tal van vrolijke activiteiten de VN-vredesdag vierde, werd de democratie in praktijk gebracht: in de internationale hoofdstad van vrede en recht vonden demonstraties plaats voor de vrijheid van meningsuiting. Over deze demonstraties was van tevoren veel gedoe geweest, omdat ze een direct antwoord waren op de pro-Gaza-demonstratie in de zomer, waarbij midden in de Schilderswijk aanhangers van IS en aanhangers van het nationalistische Pro Patria elkaar in de haren vlogen. De Haagse politie had de reuring onderschat terwijl de burgemeester in Frankrijk vakantie vierde. Na afloop wilden beide groepen op herhaling, maar dan groots en meeslepend.

Om escalatie te voorkomen had burgemeester Jozias van Aartsen gekozen voor de volgende oplossing: iedere aangemelde groepering krijgt een eigen plekje in de stad, veilig op afstand van elkaar en van de Schilderswijk, en niemand mag lopen. Pro Patria had daar geen zin in en annuleerde. De Muslim Defence League Holland evenzo, uit angst voor bedreigingen. Wel waren behalve de extreem-rechtse en linkse groeperingen Koerden en Internet Against Vertical Video Syndrome (aivvs) komen opdraven.

Op het Spuiplein zwaaiden tweehonderd aanhangers van de Koerdische Arbeiders Vereniging met gele vlaggen en foto’s van pkk-voorman Abdullah Öcalan. Op spandoeken stonden teksten als ‘Wij accepteren de terroristische, karakterloze aanvallen van de roversbende Isis niet’. Op de lommerrijke Koekamplaan langs het Malieveld, met een loeiende kermis op de achtergrond, hadden zich slechts achttien mensen van aivvs verzameld. Op initiatief van GeenStijl lieten zij met een ludieke actie tegen verticaal filmen met een smartphone weten ‘pal te staan voor ons mooie internet’. Zij zien het verschijnsel vertical video syndrome als een gemankeerde filmtechniek waarbij mensen hun smartphone met camerafunctie rechtop houden in plaats van horizontaal – zoals het volgens hen hoort. Verticaal levert ‘de meest walgelijke eindresultaten op, die zowel voor kijkers als voor leveranciers van videocontent op internet een ware geseling zijn’, wat volgens hen bijdraagt aan het ontstaan van een onevenwichtig en oneerlijk beeld van de werkelijkheid.

En zo werd er op die dag ‘verzuild’ gedemonstreerd. Vanwege de aangekondigde massale opkomst stond de stad al vroeg bol van ME en politie. Maar de angel was eruit; statisch en geïsoleerd van elkaar konden de slechts enkele honderden demonstranten geen confrontatie aangaan met tegenstanders of publiek. Elke groep toeterde een zieltogend pleidooi voor eigen parochie, waar bijna meer politie en journalisten op af waren gekomen dan betogers. Geslonken tot de harde kern werd goed zichtbaar hoe extreem-rechts en extreem-links op elkaar lijken in hun gevoel als tweederangs burger door de overheid en de media niet serieus genomen te worden.

Rabiate denkbeelden, niet-politiek-correcte uitspraken, persoonlijke aanvallen – alles komt er ongefilterd uit

De demonstraties zijn een soort live versie van wat 24 uur per dag geuit wordt op internet. Alleen, je ziet hier de gezichten van de afzenders, net als in de tijd toen voor van alles en nog wat burgers massaal de straat op gingen en het internet nog niet de functie had van de publieke verspreiding van het vrije woord van ieder individu.

Het is in november tien jaar geleden dat Theo van Gogh zijn onversneden mening met de dood moest bekopen, net als twee jaar voor hem Pim Fortuyn. Sindsdien is er veel veranderd, de remmen gingen massaal los in naam van de vrijheid van meningsuiting. Op sociale media is denken en uiten één. Rabiate denkbeelden, niet-politiek-correcte uitspraken, harde humor, persoonlijke aanvallen – alles komt er ongefilterd uit. Als een publiek figuur tien jaar geleden haatmails kreeg vanwege zijn uitspraken was dat nog landelijk nieuws. Nu ontvangt iedereen bij het minste of geringste digitale doodsbedreigingen en moeten velen vanwege hun mening worden beveiligd. In het bijzonder kunnen sommige islamcritici zich nauwelijks meer bewegingsvrijheid zonder bodyguards permitteren, tenzij ze zelfcensuur plegen en in het openbaar hun mond houden. Het recht op de vrijheid van meningsuiting – artikel 7 van de grondwet – wordt meer dan ooit schreeuwend opgeëist, gepaard gaand met een lage tolerantiegrens voor andermans tegengeluid.

Over die paradox is de afgelopen jaren onophoudelijk gedebatteerd. De grenzen van de vrijheid van meningsuiting worden weliswaar beperkt door artikelen in het Wetboek van strafrecht die refereren aan belediging, discriminatie, haatzaaien of aanzetten tot geweld. Maar schelden en beledigen leiden zelden tot straf. Het vrije woord is heilig als expressie van individuele vrijheid. Dat blijkt alleen al uit de vele tientallen boeken met dit begrip in de titel. Zoals Vrijheid als ideaal (2005) van ex-partijleider van GroenLinks Femke Halsema, Mijn vrijheid (2006) van ex-vvd-parlementariër Ayaan Hirsi Ali of Kies voor vrijheid (2010) van Geert Wilders, partijleider van de Partij voor de Vrijheid (pvv). Links en rechts hebben de missie om de vrijheid te beschermen als allerhoogste goed van de democratische rechtsstaat. Maar waartegen eigenlijk? Als diametraal tegenovergestelde politici hetzelfde nastreven en iedereen in de publieke ruimte en op internet voor zichzelf en niet voor de ander maximale speelruimte opeist, wat is de betekenis van die heilige vrijheid dan nog?

‘Vrijheid is een dogma geworden’, schreef Mark Lilla, Amerikaans hoogleraar geesteswetenschappen aan Columbia University, onlangs in zijn essay The Truth About Our Libertarian Age: Why the Dogma of Democracy Doesn’t Always Make the World Better in The New Republic. Hij stelt dat we leven in een libertair tijdperk bij gebrek aan beter. De ideeën, geloofsovertuigingen of gevoelens die vroeger de wens van individuele autonomie onderdrukten, zijn uitgewerkt en vervlogen. Onze tijd is vrijheidsgezind bij gebrek aan beter, aldus Lilla. Hij merkt daarvoor, niet verrassend, de val van de Berlijnse Muur aan als het kantelmoment waarbij ‘we niet hebben nagedacht over het intellectuele gat dat het einde van de Koude Oorlog sloeg’. Gaven de strijdende ideologieën voorheen een goed beeld van contrasterende opvattingen over de politieke werkelijkheid, met het verdwijnen daarvan werd het niet bepaald duidelijker. Het politieke gedachtegoed van het Westen is volgens hem sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog nog nooit zo oppervlakkig geweest.

‘Het libertarisme gaat uit van fundamentele liberale principes – de “heiligheid” van het individu, de prioriteit van de vrijheid, het wantrouwen jegens overheidsgezag, tolerantie – het gaat niet verder dan dat.’ En die ‘dogmatische eenvoud’ van het libertarisme verklaart volgens Lilla waarom ‘mensen die voor het overige weinig delen het kunnen steunen: rechtse Amerikaanse fundamentalisten die voor een kleine overheid zijn, linkse Europese en Latijns-Amerikaanse anarchisten, pleitbezorgers van meer democratisering, absolutistische voorvechters van de burgerrechten, kruisvaarders voor de mensenrechten, neoliberale evangelisten van de groei, hackers, wapenfanatici, pornoproducenten en economen van de Chicago School, over de hele wereld. Het dogma dat hen verenigt is impliciet; het is een mentaliteit, een gevoel, een veronderstelling – wat ooit, in niet laatdunkende zin, een vooroordeel werd genoemd.’

Lilla eindigt zijn betoog pessimistisch. Hij noemt het hoogmoedig dat we in de westerse wereld denken dat alles wel goed komt zolang we vasthouden aan onze economische modellen, democratische waarden en ons geloof in het individu. ‘We raken meer in onszelf gekeerd en nog onverschilliger dan we al van nature zijn.’

Telefonisch plaatst Lilla nog twee kanttekeningen bij het dogma van de vrijheid. ‘Als vrijheid onze enige waarde is, dan gaat dat onvermijdelijk clashen met de islamitische cultuur van migranten.’ En hij is voorstander van een vorm van censuur op internet. ‘Tegenstanders daarvan vergeten dat ook kinderen hier direct toegang toe hebben. Maar in onze libertaire tijd willen volwassenen kinderen niet begrenzen. Dat vind ik onbegrijpelijk.’

Lilla’s diagnose van de westerse maatschappij die geen richting meer geeft is niet nieuw. De rek is uit de kernwaarden van zelfbeschikking en vrijheid van meningsuiting, daarover zijn in Nederland de laatste jaren veel verontrustende analyses verschenen. In bijvoorbeeld Wat een hufter (2010) heeft socioloog en filosoof Bas van Stokkum het over de collectieve ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing als een uiting van narcisme en hedonisme, wat weer het gevolg is van enerzijds een doorgeslagen zelfontplooiing uit de jaren zeventig en anderzijds van tien jaar neoliberaal marktdenken. ‘De emancipatie is volkomen, het ego is te groot geworden, het individu presenteert zich als assertief maar is tegelijk onzeker en kan niet incasseren.’

‘Als vrijheid onze enige waarde is, dan gaat dat onvermijdelijk clashen met de islamitische cultuur van migranten’

Hij noemt dat ‘kwetsbare hoge eigendunk, een combinatie die leidt tot het beruchte korte lontje’. De klassieke plichtsgetrouwe burger met veel normbesef en een publieke moraal, of met een duidelijk ideologisch anker zoals Lilla stelt, heeft volgens Van Stokkum plaats gemaakt voor een verharde, cynische, hufterige ik. In de publieke ruimte, in hun vrije tijd en op internet geven zij overlast en zoeken de grenzen op. Met als zelfversterkend effect dat iedereen als het ware een populistische houding à la Wilders ontwikkelt. ‘Mensen verharden omdat ze zich ergeren aan de verruwing. En verharde mensen uiten zich weer op een ruwe manier. Van verruwing kun je nog zeggen dat het een emotionele impuls is. Verharding gaat veel meer deel uitmaken van je identiteit. Dat is moeilijker terug te draaien.’

Waarheen dit proces leidt? Een tegenreactie, is de stellige overtuiging van Van Stokkum. Mensen krijgen er genoeg van.

Politiek filosoof Rutger Claassen pleit in Het huis van de vrijheid (2011) voor een herijking van vrijheid: vrijheid verbinden met waarden als gelijkheid en de bekommernis om de ander, de gemeenschap, in plaats van vrijheid op te vatten als iets wat elk individu voor zich moet maximaliseren. Het vrijheidsideaal is niet een handvest voor elk individu op zich, leidend tot een verzameling ongeremde egoïsten. ‘De vrijheid van meningsuiting is niet roeptoeteren, maar ook de verantwoordelijkheid nemen om in te voegen in het geheel.’ Daarom vindt hij de demonstraties in Den Haag op 20 september diep treurig. ‘Ja, je mag het allemaal zeggen, je mag een beroep doen op die vrijheid van meningsuiting. Maar dat betekent nog niet het recht om ook gehoord te worden.’

‘Mensen hebben een mening alsof ze op de wc zitten, het moet eruit’, zegt Herman van Gunsteren, emeritus hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie aan de universiteit Leiden. ‘Maar als je van het recht gebruik maakt, heb je ook de plicht om naar de ander te luisteren. We hebben gelijkheid, dus dan moet je de mening van een ander accepteren. Burgerschap is een publieke aangelegenheid met andere burgers, en niet een kwestie van solozeilen. Je moet dus leren wat wel en wat niet moet. Zelfbeheersing is daar onderdeel van.’ Van Gunsteren zit in zijn werkkamer thuis in Amsterdam-Oud-Zuid. In zijn boekenkast veel boeken over autonomie en vrijheid. ‘John Stuart Mill heeft het in On Liberty, uit 1859, over een uitwisseling van argumenten – daaraan ontbreekt het op internet vaak. Iedereen trekt naar hetzelfde, het echokamereffect: alleen delen met mijn groep wat goed voor mij is. Burgers kramen de meest grote onzin uit, het is een reputatiemarkt geworden.’

Zowel Van Gunsteren (1940) als Claassen (1978) constateert dat het toneel van het vrije woord altijd een machtsstrijd is om aandacht, maar die wordt nu gedomineerd door het populistische geluid, zoals voorheen door links, feministen en milieuactivisten. Claassen: ‘Het populistische geluid én extremistische moslims knokken om de aandacht. Ze hebben beide het gevoel er niet bij te horen en niet gehoord te worden. Maar anders dan vroeger zijn er meer uitingsmogelijkheden en er is een internationale dimensie bij gekomen. Turken en Marokkanen worden in hun meningsvorming dagelijks gevoed door buitenlandse zenders. Dat belemmert binding aan de Nederlandse samenleving, en daar wordt weer hard en fanatiek op gereageerd.’

Als een mening meer gebaseerd is op een gevoel en minder op feiten betekent dat een inflatie van het begrip mening. De vrije meningsuiting is een amorfe onderbuik geworden. ‘In zekere zin is het een hol vat, een dogma waar van alles in gestopt kan worden’, beaamt Claassen.

‘Ach’, zegt Van Gunsteren relativerend, ‘democratie is morsig, het hoort erbij. Maar er is wel een soort mediator nodig, een gezag dat regels stelt. Burgemeester Van der Laan laat in Amsterdam bijvoorbeeld duidelijk zien wat er wel en niet kan bij demonstraties. Hij is daar glashelder over, en dat werkt.’ Claassen ziet het als opdracht van de overheid om de individuele vrijheid af te bakenen, maar zonder dwingend moralisme. ‘Ik vind in ieder geval niet dat premier Rutte kan zeggen dat hij niet over zwarte piet gaat. Hij trekt daarmee openlijk zijn handen af van de rol als een soort mediator op het hoogste niveau. Het is zijn taak om een stuurloos vat dat alle kanten op vliegt te begrenzen.’

Burgemeester Van Aartsen deed dat in Den Haag naar aanleiding van de botsende meningen in de Schilderswijk die de grens van het fysieke over gingen. Als een kleuterklas werd de boel uit elkaar gehaald. Iedereen zat in de hoek te mokken.


Beeld: Jeroen Holtrop van PowNews interviewt een demonstrant op Plein 1813 in Den Haag (Wiebe Kiestra / HH).