Het egocentrisch universum

Zijn softe verhaaltjes beloven de spirituele hemel op aarde, maar mega-seller James Redfield streeft slechts kil eigenbelang en een megalomane wereldheerschappij na. ‘De Celestijnse belofte’ gapend herlezen: ‘Er komt een moment dat je het denken opgeeft. Dan ben je besmet geraakt.’
DE CRUX VAN HET bewustwordingsschema van James Redfield schuilt in de exploitatie van het toeval, gebaseerd op het even omstreden als populaire synchroniciteitsidee van Carl Jung, waarin diepe betekenis wordt gehecht aan het gelijktijdig voorkomen van verschijnselen. Een priester stelt al aan het begin van De Celestijnse belofte dat Het Eerste Inzicht (er zijn er voorlopig tien, maar een te verwachten bestseller met Nieuwe Inzichten wordt door Redfield al aan het eind van zijn laatste boek aangekondigd) zich aan ons openbaart als we bewust worden van het toeval in het leven. Het toeval zou dezer dagen steeds vaker voorkomen. Het lijkt bij nader inzicht dan ook geen toeval, maar een lotsbestemming die zich aan de wereld voltrekt. Redfield heeft het in dit verband nogal nadrukkelijk specifiek over ‘een soort toeval’ dat zich kennelijk onderscheidt van meer dagelijkse vormen van toeval. Wat hij daarmee zou kunnen bedoelen? Tja.

Ik vermoed het volgende: er gebeurt soms wat in je leven, ja elke dag wel eens, dat je denkt: Goh, dat is ook toevallig zeg. Dus dat het echt opvalt. Dat zou zich dan onderscheiden van de dingen die zo gewoontjes toevallig zijn dat je het niet eens in de gaten hebt. Dan kunnen ze ook niet veelbetekenend zijn. Het kan zijn dat je ineens oogcontact hebt met iemand. Daar moet je de betekenis van achterhalen. Dat je iets met die iemand moet bijvoorbeeld. Als het je uitkomt. Zoiets. Waar het dus altijd op neerkomt bij Redfield, is: neem jezelf heel serieus. Jij bent het begin en het eindpunt. Jij bent het heelal. Zo is De Celestijnse belofte de quasi-religieuze viering van ver doorgevoerd, zeer eigentijds egocentrisme.
Daarin schuilt het succes van Redfield. De Celestijnse belofte vertelt ons: de wereld van nu mag dan wel willekeurig lijken en fragmentarisch, maar dat is een negatieve gedachte. En dat moeten we niet hebben. We zijn al gestresst genoeg, stelt Redfield, die de lijdende lezer graag positief tegemoet komt. In Het Celestijnse werkboek stelt Redfield: ‘Naar schatting hebben we ongeveer 90.000 gedachten per dag, en de meeste zijn negatief!’ Hoe je de dagelijkse gedachten van een gemiddeld mens kunt tellen, en dan de negatieve er ook nog uit kunt pikken, dat is een van de geheimen van Redfield. Zoals altijd onthoudt hij zich ook hier van iedere bronvermelding of zelfs maar van argumentatie. Bij Inzichten is dat ook nergens voor nodig. De grootste leuterkoek, de ultieme nietszeggendheid, het wordt door Redfield doorverkocht met een aplomb waar je koud van wordt. Neem nu een zin als de volgende. Daarin wordt toch op heel gewichtige wijze werkelijk niets gezegd? 'Een dagelijks groeiende hoeveelheid medisch en wetenschappelijk onderzoek bevestigt het feit dat de werkelijkheid voortvloeit uit ons eigen streven.’ Je moet maar durven. Je moet jezelf maar serieus genoeg nemen.
HET EERSTE INZICHT van Redfield luidt: 'In de menselijke cultuur vindt een nieuw, spiritueel ontwaken plaats dankzij een kritische massa individuen die hun leven ervaren als een spirituele ontplooiing, een reis waarin ze zich door geheimzinnige toevalligheden laten leiden.’
Het grappige is dus dat Redfield zelf ook niet wil uitsluiten dat zijn inzicht gebaseerd zou zijn op een verdwaasd misverstand. De individuen ervaren iets, zegt hij. Tja, je kunt zoveel ervaren. De gekste dingen eigenlijk. Toch? Alle ideeën over het toeval worden zo subjectivistisch geformuleerd dat ze bij nadere lezing zichzelf totaal ondergraven. Dat wordt heel ver doorgetrokken. Bijvoorbeeld: 'Toevalligheden treden het makkelijkst op als onze verwachtingen het hoogst gespannen zijn.’ Daar zegt Redfield dus eigenlijk: als je ergens toeval wilt zien, nou, dan zul je het ook zien. Op die manier valt natuurlijk niets te bewijzen, maar vooral ook niets uit te sluiten. Redfield is dan ook te zeer een zelfingenomen holist om wat dan ook uit te sluiten.
En hoe verder je leest, hoe gekker het wordt. De individuen in zijn boeken ervaren iets (wat, eigenlijk?) als een reis tijdens welke ze zich niet zomaar door toevalligheden laten leiden, maar zelfs door geheimzinnige toevalligheden. Redfield ontwijkt door zijn subjectieve wijze van formuleren gemakkelijk de lastige vraag (en dus negatieve gedachte) waarin de geheimzinnige toevalligheden zich onderscheiden van de gewone toevalligheden en hoe deze zich weer onderscheiden van 'een soort toeval’ waar hij het eerder over had. Of zich daar juist niet van onderscheiden. Of… Je moet er misschien maar niet te veel over nadenken. Wie ook maar een greintje analyse op Redfield toelaat, raakt geheid in de knoop. Uiteindelijk stelt Redfield zelfs letterlijk dat het toeval helemaal niet bestaat. Logisch, op zich; wanneer het toeval zo vaak op zou treden als in zijn spiritueel nirvana, moet je wel tot die conclusie komen. Maar dat daarmee tegelijk de bodem onder zijn bouwwerk wegvalt, dat moffelt hij maar weg onder het impressionistische tapijt van zijn lapjesvisies.
Redfields formuleringswijze is zo slapjes, zo quasi-bescheiden en tegelijk zo nadrukkelijk vaag en daardoor juist zo lui-zelfingenomen, dat het me regelmatig veel moeite kostte al lezend wakker te blijven. Letterlijk zelfs. Het was alsof ik de walging van me af probeerde te gapen. Ik moest me er ook met de grootste tegenzin toe zetten om mijn kritiekpunten te formuleren. Het was allemaal zo afschuwelijk. Alles. Bijvoorbeeld de onbeholpen, lelijke zinsbouw waarmee hij ieder mogelijk doorzicht of inzicht dichtplamuurt. Voor iemand die stelt te beschikken over het vermogen kosmische energie te ontlenen aan schoonheid, heeft Redfield wel een heel beperkt esthetisch talent. De Redfield-boeken walmen van de onverschillige, slordige tot ronduit foute observaties van het type: 'Ze keek me met een knipoog aan’, 'Ik liet me tegen de deur vallen en sloot hermetisch’, 'Het universum bleek helemaal niet materialistisch te zijn’ en 'Het voelde als informatie die ik op een bepaald niveau al kende.’
Los van de onbeholpen zinsbouw ontbreekt soms zelfs de meest elementaire vorm van logica bij Redfield. Neem: 'Misschien hebben jullie elkaar ontmoet zodat jij informatie kunt krijgen die je reis hier nieuwe perspectieven geeft. En volgt daar dan niet uit dat jij misschien ook informatie voor hem hebt?’ Aan het begin van De Celestijnse belofte piep je dan nog: 'Hoezo, volgt daaruit?’ Maar er komt een moment dat je het denken opgeeft. Dan ben je besmet geraakt.
OP ZICH ZOU IEDEREEN natuurlijk zoveel into Redfield mogen zijn als hij of zij dat wenst te ervaren. Maar er zitten nogal wat addertjes onder het gras. Maatschappelijke ambities bijvoorbeeld. Redfield is een stuk gevaarlijker dan hij zich voordoet. Neem de bovengenoemde kritische massa. In De Celestijnse belofte valt het volgende te lezen (ter informatie: met 'hem’ wordt een priester bedoeld, met 'het Manuscript’ een geheime tekst waarin de tien Inzichten worden geopenbaard): 'Volgens hem staat in het Manuscript dat het aantal mensen dat zich van dit soort toeval bewust is, in het zesde decennium van de twintigste eeuw dramatisch zou stijgen. Hij zei dat de groei zou doorgaan tot ongeveer het begin van de volgende eeuw, als een percentage van die mensen een bepaald niveau bereikt - een niveau dat ik als een kritische massa beschouw. Het Manuscript voorspelt (…) dat onze hele cultuur bij het bereiken van deze kritische massa die toevallige ervaringen serieus begint te nemen.’ Lees hier dus: onze hele cultuur onder de Redfield-vlag. Dat is zoiets als wereldcommunisme.
En het schiet op met de kritische massa. Volgens de uitgever zijn er in Nederland inmiddels al een half miljoen boeken van James Redfield verkocht. Nog even misschien en de grote omslag volgt. Een angstig idee. Maar in de ogen van Redfield vertegenwoordig ik dan ook de Angst waarover hij in Het Tiende Inzicht rept. Deze wordt uitgebeeld in de allegorische figuur van een roodharige journalist met kritische ideeën over de lijdende samenleving die volgens hem gebukt gaat onder overbevolking, milieuverontreiniging en meer van dat soort toestanden waarover je wel eens in kranten leest. Later zal deze journalist gelukkig zelf ook wel inzien dat het allemaal een kwestie van spirituele groei is, waardoor de problemen vanzelf wel verdwijnen. Puur door geestelijke kracht.
Met betrekking tot de journalisten van nu heeft Redfield een vernietigend Inzicht: afgestompte cynici zijn het. 'Een jonge journalist ziet de situatie aan en denkt dat hij, om in het vak overeind te blijven, het spel mee moet spelen. Als hij dat niet doet, denkt hij dat hij achterop zal raken, geruïneerd zal worden, hetgeen leidt tot die zogenaamde dieptejournalistiek die welbewust uit de lucht gegrepen is.’ Wat beweert Redfield hier nu eigenlijk? Dat dieptejournalistiek het gevolg is van de angst van journalisten om geruïneerd te raken? Dat staat er wel.
Gelukkig maar dat Redfield het einde van de dieptejournalistiek aankondigt aan de hand van de opkomst van een hoger soort vertegenwoordiger van de journalistenzielegroep, namelijk de spirituele journalist (ik verzin dat niet: volgens Redfield zijn journalisten net als advocaten of wetenschappers ontstaan uit de reïncarnatie van bepaalde zielegroepen): 'Journalisten gaat het in feite om het diepgaand bestuderen van het leven en de overtuigingen van de mensen en de organisaties waarover we verslag doen. We kijken naar het wezenlijke daarvan, naar het hogere dat daarin tot uitdrukking komt, precies zoals wij op dit moment naar elkaar kijken.’ En wat doet de hogere journalist dan met het ontdekken van al dit wezenlijke? Laten we hopen dat hij zich beperkt tot de functie van spiritueel doorgeefluik en zich niet laat verleiden tot het stellen van kritische vragen, want dat leidt maar tot negatieve gedachten en vroeg of laat zit je zo met terugwerkende kracht weer met die verdomde dieptejournalistiek opgescheept.
HET IS TROUWENS voor Redfield maar te hopen dat de hogere journalisten het snel voor het zeggen krijgen in de wereld, want er dreigt nu een polarisatie te ontstaan tussen de Redfieldse spirituelen en de aanhangers van de Angst die denken dat de menselijke beschaving juist aan het degenereren is: 'De menselijke beschaving kan zich niet verder ontwikkelen totdat die polarisatie ten einde is gekomen.’ Integreren dus die Angst-hap. De ontwikkeling van de menselijke beschaving staat op het spel.
Het Celestijnse denken, hoe zachtmoedig het zich ook manifesteert, is uiteindelijk het streven naar een niet-pluriforme samenleving, de dictatuur van het trillingsgetal. Zoals Redfield met zachte hand zijn tegenstanders het zwijgen op wil leggen, zo spreekt hij aan het einde van Het Tiende Inzicht doodleuk de wens uit alle bestaande godsdiensten te desintegreren en de losse delen in een eenheidssoep op te lossen om daarna nota bene in Jeruzalem een nieuwe tempel te bouwen ter meerdere eer en glorie van de profeet Redfield. Alle godsdiensten laten zich tenslotte met gemak in het amorfe Redfield-jargon gieten: 'Is het verhaal van het Nieuwe Testament (…) niet het verhaal van een groep mensen die zodanig overliepen van energie dat ze veranderden?’
EN DAN TE BEDENKEN dat de 'nieuwe’ James Redfield-dictatuur heel terloops middels een vrijblijvend lijkende 'avonturenroman’ geïntroduceerd wordt. Een eenvoudige, aanvankelijk bijna klassiek opgebouwde vertelling, is De Celestijnse belofte. Het begint ermee dat een naamloze ik-persoon een vriendin van vroeger tegenkomt. Zij heeft iets gevonden wat hem wel zal interesseren. Hij neemt meteen een vliegtuig naar Peru om een geheimzinnig Manuscript te zoeken. Van de vriendin horen we gek genoeg niets meer, een compositorisch weeffoutje, dat in het tweede deel, Het Tiende Inzicht, nogal lafhartig hersteld wordt.) Het Manuscript heet geschreven te zijn in het Aramees, de taal waarin een groot deel van de bijbel werd geschreven, en is in 600 voor Christus (dus een eeuw voor de oudst bekende teksten in het Aramees werden genoteerd) in Zuid-Amerika terechtgekomen. Daar zwierf het rond onder de Indianen, tot blanken het 'ontdekten’.
Alleen blanken konden uiteraard de inzichten in het Manuscript op hun waarde schatten. Je zou verwachten dat een Amerikaanse softi als James Redfield, van huis uit hypnotherapeut, zich wel omzichtig politiek correct zou opstellen, maar bijvoorbeeld zwarten en homoseksuelen worden gek genoeg uit zijn kosmos geweerd. Over mannen en vrouwen denkt Redfield ook nogal conservatief: 'De rol van de vader in ons leven is ons de band met onze macht en leidersgaven te leren leggen.’ En: 'Het vrouwelijke in ons leven helpt ons een verhouding met anderen aan te gaan.’ Ook al speelt De Celestijnse Belofte zich af in Peru, alle inhoudelijk belangrijke gebeurtenissen vinden plaats in een geheel blanke en Amerikaanse gemeenschap van nogal eenzelvige academische typen. De deemoedige lokale bevolking krijgt slechts een pension biedende en thee schenkende functie toebedeeld.
De domme Peruaanse regering begrijpt natuurlijk niks van de Inzichten en werkt het openbaar maken van het Manuscript tegen. Met soldaten bij oude ruïnes in het oerwoud. Een spannend bedoelde plot waarschijnlijk, maar in de praktijk blijkt het eerder uit te draaien op de verveling van een duf computerspelletje. En die plot wordt dan ook nog eens voor goed geld uitgesmeerd in de aanvullende werkboeken (met oefeningen voor groepen en individuen), verkorte zakboekjes om altijd bij je te dragen en nieuwe delen als Het Tiende Inzicht, waarbij men opnieuw de natuur in gaat, nu niet in Peru, maar in een Amerikaans Nationaal Park, waar de blanke bovenklasse oude Indiaanse zielen geïncarneerd blijkt te hebben en zo alsnog politiek correct raakt.
ZO WOLLIG ALS Redfield zijn spirituele avontuur aan de man brengt, zo kil is zijn onderliggende mensbeeld. Net als in de alledaagse, kapitalistische samenleving gaat het er in de met energie uitstralende wonderplanten en heilige watervallen gestoffeerde wonderwereld van Redfield om dat je scoort. In dit geval gaat het erom te scoren in bewustzijn; hoe hoger je trillingsgetal of je energieniveau, hoe meer succes. Net als in Orwells 1984 zijn echt innige relaties uit den boze, omdat dit wel eens ten koste zou gaan van de aandacht voor het alomvattende systeem. Met veelzeggend toeval opbloeiende liefdesrelaties gaan zonder woorden of emoties in rook op. Heel Amerikaans allemaal. Drive-by-romantiek is het. Consumeer en vergeet. Het Achste Inzicht vertelt letterlijk: 'We mogen onze innerlijke band niet verliezen in een romantische relatie.’ De centrale stelling in Het Achtste Inzicht luidt: 'Door de schoonheid in ieders gezicht te zien, verheffen we anderen tot hun meest wijze niveau en vergroten we de kans dat ons bovendien een boodschap bereikt.’ Dat laatste in te pikken, that’s the name of the game.
Het is dezelfde kilheid die je bij de Bhagwan aantreft en in de wereld van de transcendente meditatie: blijf bij alles gericht op je eigen verlichting. Verlies je niet in de ander. Doe nooit iets onbaatzuchtigs waar je zelf geestelijk geen voordeel aan zult beleven. Of, in de taal van Redfield: 'Je hele leven zul je zoeken naar een spiritualiteit die zelfversterkend is.’
Je kunt zeggen dat dit streven zich niet onderscheidt van de traditionele godsdiensten, waarbij het er uiteindelijk ook om gaat door goede daden een plaatsje in de hemel te veroveren. Maar zo praktisch, zo uitgekookt calculerend als bij Redfield, waarbij iedere handeling slim met psychologisch jargon ingekleed is (soms met subtiele woordveranderingen: trauma wordt tot drama), dat tref je zelfs onder de katholieken niet. Het verkilde egocentrisme van Redfield neemt ronduit psychopatische vormen aan. In De Celestijnse belofte leidt dat tot schizofrene dialogen die Ionesco niet had kunnen verzinnen:
'Hoe voel je je?’
'Wat bedoelt u?’
'Ik bedoel: hoe gaat het met je energieniveau?’
'Prima, denk ik’, zei ik, 'Al die schoonheid hier.’