Het egypte van de ziel

Gertrude Starink, De weg naar Egypte: Twintig passages 1970-1977. Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, 48 blz., f27,50 . Gertrude Starink, De weg naar Egypte: Zeventien passages 1977-1985. Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, 40 blz., f27,50
VORIG JAAR beleefde de bundel waarmee Gertrude Starink in 1980 debuteerde, De weg naar Egypte: Twintig passages 1970-1977, een zo geruisloze herdruk dat mij dit bijzondere werk bijna opnieuw was ontgaan. Gelukkigerwijs verscheen er vrijwel tegelijkertijd een vervolg: De weg naar Egypte: Zeventien passages 1977-1985. De enkele bespreking die ik daar onlangs van onder ogen kreeg, wekte onmiddellijk mijn nieuwsgierigheid.

Geen van de in totaal zevenendertig gedichten uit beide bundels draagt een titel, en alleen in de inhoudsopgave zijn ze van een nummer voorzien. Hoofdletters en leestekens ontbreken geheel en al, waardoor de ene versregel meer dan eens op een verwarrende manier in de volgende overloopt. De voortdurende stroom die zo wordt opgeroepen, voert bovendien allerlei afgekalfde stukken van woorden mee - van even abrupte als radicale afbrekingen, waar niet eens meer het gebruikelijke liggende streepje aan te pas is gekomen, zoals bijvoorbeeld in ‘dreven’, 'toegangspoort’, 'dronken’, 'spiegelingen’.
Toch is De weg naar Egypte niet een weg over water, niet in de eerste plaats althans, hoe vaak er ook een rivier of een baai of een zee in het geding wordt gebracht. De 'passages’ waarvan de ondertitel van de bundels gewag maakt, lijken eerder op mogelijke plekken die een doortocht bieden dan op gelegenheden voor een overtocht per boot of schip te duiden. Daar komt nog eens bij dat Gertrude Starink frequent het beeld van het bouwen van een duurzamer onderkomen heeft gehanteerd: 'Ik zei die nacht ik heb het huis gebouwd een huis met stallen en schuren’ - een mededeling die zij in de eerste bundel, met enige variatie, op het dwangmatige af herhaalt en herhaalt. In die zin, veronderstel ik, moeten haar 'passages’ vooral worden gezien als de tekstgedeelten die zij bundelde, als de gedichten die haar tot min of meer bestendige, muurvaste pleisterplaatsen dienen.
Ondertussen is waarschijnlijk allang de vraag gerezen naar welk Egypte hier de gedachten uitgaan. Vallen de coordinaten van het land dat Gertrude Starink voor ogen staat samen met die van het huidige Egypte of is het haar om het oude rijk van de farao’s begonnen? Nergens heb ik daar een passend antwoord op kunnen vinden - en zelfs de minste toespeling of de geringste verwijzing is, opzettelijk wellicht, achterwege gelaten, in een later stadium van het schrijven geschrapt, zorgvuldig verdonkeremaand.
Gertrude Starinks Egypte is, hoe onuitgesproken ook, een zinnebeeldig Egypte, is de uitdrukking van het verlangen naar geborgenheid en geluk, naar een situatie waarin, als eertijds, de symboliek nog samenviel met de beleving, nog niet los kon worden gezien van de alledaagse werkelijkheid. Associaties met de bijbelse vlucht naar de vleespotten van Egypte dringen zich natuurlijk op, maar ze versluieren meteen al meer dan ze verhelderen. Het Egypte van de ziel - droombeeld, hersenschim, nergensland.
Veelzeggend lijkt mij in dit verband het vijfde gedicht uit de tweede bundel omdat het de werkwijze van de dichteres en de manier waarop haar poezie zou kunnen worden gelezen aan de orde stelt:
weer zuigt de zee de oude delta leeg de lijnen van de landkaart zijn gewassen ik kwam hier al voor ik de passer kreeg
zo was het land toen ik de kaart begon
een koude wind strijkt over de moerassen het zout trilt krimpend aan de zoute grassen in de bergen drinkt een vogel van de bron
Vogel en bron, de bergen en het begin refereren rechtstreeks aan het gedicht waarmee Gertrude Starink de laatste zeventien passages opent:
in de bergen ontsprong een kleine rivier twee vogels bewaakten de bron alleen als het sneeuwd kwam er een hier dan wist ik dat het begon
Het tautologische van bron en begin schuilt niet zozeer in de koppeling van deze begrippen, als wel in de pagina’s latere nadrukkelijke herhaling ervan: de 'koude wind (…) over de moerassen’ voorspelt met terugwerkende kracht de sneeuw uit het eerste gedicht. De winterse zuiverheid, het met verdubbelde kracht benoemen van de oorsprong, en de vogels als het voor de hand liggende symbool van bevrijding, van de vlucht die de geest kan gaan nemen.
Tussen de tweede en vierde regel van 'weer zuigt de zee de oude delta leeg’ bestaat op het eerste gezicht een zekere tegenspraak. Voordat de ik-figuur de kaart begon, bestond er blijkbaar al een landkaart van het gebied, wanneer we aan het woord 'kaart’ tenminste dezelfde betekenis mogen geven - de 'passer’, als cartografisch instrument, wijst in ieder geval wel in een dergelijke richting. Misschien dat die originele kaart uitsluitend in gedachten heeft bestaan: dan zouden door de zee veroorzaakte veranderingen alleen op het werkelijke landschap van invloed zijn geweest. Maar het letterlijke vloeit hier, in dit gedicht, denk ik, vanzelf in het figuurlijke over - het overdrachtelijke moment dat de tegenstrijdige beweging van het getij altijd met zich meedraagt. De werkelijkheid doordrenkt de al of niet reele kaart en wast er de al of niet reele lijnen. En zo laat het lyrische ik - het alter ego van Gertrude Starink - zich kennen als iemand die vervolgens de passer ter hand neemt en een nieuwe, heel eigen landkaart begint te tekenen, waarop de verbeelding eveneens voorstellingen aanbrengt die normaal gesproken nooit op enige kaart een plaats zouden krijgen:
smorgens lag de boot er nog dezelfde boot dezelfde donkere kleur rood waarmee ik boten had getekend op de kaart voor elke steiger een voor elke steiger steeds dezelfde boot alleen de steiger bij het eiland kreeg er geen
Voortdurend heb je bij Gertrude Starinks passages het idee dat het om opgetekende dromen gaat. De sfeer is die van het vage grensgebied tussen onwerkelijkheid en werkelijkheid, de motieven zijn magisch en sprookjesachtig, de toon heeft het bezwerende van de litanie. In de eerste verzameling passages overheerst de tegenwoordige tijd, de tweede is overwegend in de verleden tijd geschreven. Maar allebei de bundels hebben het scherpe maar onbestemde van een in het heden beleefd of herbeleefd haast middeleeuws vroeger. Tijd - verdicht, dus zowel relatief als absoluut ervaren - markeert de tocht naar Egypte, de aarzeling, de emotionele barrieres, het feitelijke oponthoud onderweg.
Bovendien tast de herhaling, als in een droom, haar eigen wezen af en tracht door middel van soms minieme nuanceringen en verschuivingen achter haar hoogsteigen waarheid te komen. De vormgeving van de gedichten zou bijna in haar eigen vormloosheid zijn verzand, als er niet telkens wat stevige rijmwoorden waren geweest waaraan de regels zich konden vastgrijpen - en de enjambementen die dat voor het grootste gedeelte ook weer fraai verdoezelden. Flarden van verschillende, heel snel mee- en afgevoerde woorden - ik wees daar in een eerder verband al op - accentueren steeds weer het niet aflatende van deze gedachtenstroom, van deze fleuve interieure.
Of nu de droom haar de woorden hebben voorgeschreven, of dat het droomkarakter van haar beelden is voortgevloeid uit het gevolgde procede, valt moeilijk te zeggen. De vele dwarsverbindingen en overeenkomsten op het inhoudelijke vlak rechtvaardigen het vermoeden dat er steeds zorgvuldig gewikt M****** Einde Kolom 3 m en gewogen is. De eigenlijke beleving heeft waarschijnlijk pas op papier plaatsgevonden. Een gedicht als het volgende (in al zijn schijnbare eenvoud een van de beste die Gertrude Starink schreef) is bijvoorbeeld te beheerst en te behendig om voor ruw of amper bewerkt droommateriaal te kunnen worden aangezien:
de weg gaat naar de zee langs oude huizen de paarden staan te sterven in de stal je roept maar de bewoners slapen al je haalt de haver uit de volle ruiven
het land zal stijgen waar de haver brandt
dan komt de nacht waarin de sneeuw gaat schuiven de oude sneeuw over het oude land
Maar sommige andere gedichten zijn iets minder voorbeeldig. Waar Gertrude Starink schemerige gebieden projecteert, verliest ze al gauw de greep op de taal en de situatie. Dat doet zich met name voor in enkele uitgebreidere passages, zoals 'en ik ging mee de lange gangen door’ en 'hij wekte mij en ik volgde hem’.
In dat eerste vers wordt, vooral door het repeterende van beelden en zinswending, een buitengewoon geheimzinnige en troebele sfeer gecreeerd, zonder dat je aan het eind van de vier pagina’s durende opsomming ook maar enigszins een idee hebt van wat er eigenlijk mee gezegd wilde zijn. Een zelfde bezwaar kan tegen het laatstgenoemde gedicht worden aangevoerd. De niet geringe symbolische lading krijgt ook hier iets plompverlorens, raakt van haar sjorrings los en schuift in de richting van het totaal verkeerde dek - Freud zou met zoveel gangen en schachten, kisten en dozen, wel raad hebben geweten.
Vreemd, bij al het vreemde, is het te moeten constateren dat de weg naar het beloofde, zo begeerde Egypte nergens echt is uitgestippeld en eerder het karakter van een dwaalweg, een labyrint heeft. Benieuwd ben ik daarom naar het vervolg. In een van de eerste passages heette het nog: 'een zijweg is er niet’. Zou er in een derde bundel sprake kunnen zijn van een aankomst? Of zou die weg ook dan alleen maar in termen van innerlijke verwarring en eeuwig oponthoud te beschrijven zijn? Gaandeweg heb ik echter bewondering gekregen voor Gertrude Starinks durf en inzet, voor het eigenzinnige en avontuurlijke van haar poezie:
de reiger in je spant de nek ik klem mijn handen om de witte schragen
de stoet vertrekt
ik ben het lokaas voor de reigervalk ik word gedragen
de jagers tegemoet