Het eigenlijke begin van Nederland

Literair Tijdschrift De Gids wijdt deze maand een speciaal nummer aan de Grondwet, die haar 200-jarig bestaan viert. Lees hier alvast de bijdrage van Remieg Aerts, die het ontstaan van de Grondwet beschrijft en tot een conclusie met Europese implicaties komt. ‘Een hervormingsproces doet pijn, maar met nostalgie geef je geen vorm aan de toekomst.’

Medium grondwetje

OFFICIEEL LEVEN WIJ nog onder de Grondwet van 1815, die een aantal keren aangepast is. De laatste grondige herziening dateert van 1983. Boven dat document staat nog steeds ‘Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815’. De Grondwet van 1815 was een aangepaste versie van de Constitutie van 29 maart 1814. Die aanpassing was al direct nodig toen het tegenwoordige België en Luxemburg werden toegevoegd aan het Koninkrijk der Nederlanden, een vereniging die feitelijk tot 1831 en formeel tot 1839 geduurd heeft.

Met een grondwet die tot 1814-1815 teruggaat, behoort Nederland naast de Verenigde Staten en Noorwegen tot de landen met de langste constitutionele continuïteit. Dat is misschien iets op trots op te zijn, maar die continuïteit heeft een prijs. De Nederlandse Grondwet vormt een mooi voorbeeld van wat in de politicologie en economie ‘padafhankelijkheid’ heet: de eenmaal in het verleden gemaakte keuzen bepalen de ruimte voor alle verdere ontwikkeling. Nederland is in 1814-1815 opgezet als monarchale staat of als getemperde monarchie. De omschrijving van de koninklijke bevoegdheden en regels van troonsopvolging besloegen de eerste vijftig tot zestig artikelen van de Grondwet.

Pas op flinke afstand begon het hoofdstuk over de Staten-Generaal. Tot 1848 vormden de Eerste en Tweede Kamer een bescheiden inspraakorgaan bij de vorst. Vertegenwoordigers van drie standen representeerden ‘de natie’ en verleenden als medewetgever het beleid van de koning het gewenste draagvlak. Door de grondwetsherziening van 1848 ontstond een monarchaal-parlementair bestel, dat via kiesrechtuitbreidingen geleidelijk een democratischer en minder monarchale invulling heeft gekregen. In 1919 werd het algemeen kiesrecht bereikt en kon een breder proces van democratisering beginnen. Maar in zijn grondwettelijke structuur is Nederland tot op heden een democratisch doorontwikkelde monarchaal-parlementaire staat gebleven. De democratie als principe of uitgangspunt komt nergens in de Grondwet voor.

Eerste grondwet

Dat had heel anders kunnen zijn. In de vroege ochtend van 22 januari 1798 pleegden radicale democraten in Den Haag een kleine staatsgreep. Zo forceerden zij het moeizame proces om tot een grondwet voor de Bataafse Republiek te komen. Op 23 april werd de ‘Staatsregeling voor het Bataafsche Volk’ bij referendum aanvaard, door een overigens van federalisten, aristocraten en orangisten gezuiverd electoraat. Dit was de eerste Nederlandse grondwet, ook letterlijk, want de Staatsregeling maakte een einde aan de oude soevereiniteit van de provincies en schiep een eenheidsstaat vanuit het beginsel ‘één en ondeelbaar’.

Het uitgangspunt was de soevereiniteit van het Bataafse Volk als collectief. In lijn met de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger, die al in 1795 overal in de Republiek was geproclameerd – zij het in verschillende versies per provincie –, opende de Staatsregeling met een catalogus van burgerrechten. Deze grondwet gaf alle burgers ‘zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand of rang’ gelijke rechten en gelijke toegang. Er kwam een einde aan de geprivilegieerde positie van de hervormde kerk. ‘Gelijkheid’ stond zozeer voorop, dat dit beginsel in Nederland ook de trits met de revolutionaire waarden vrijheid en broederschap opende.

Een totaal ander uitgangspunt dus dan dat van de in 1814 begonnen constitutionele traditie. De Staatsregeling van 1798 werd in 1801, 1805 en 1806 vervangen door nieuwe regelingen, die een einde maakten aan de democratische fase van de Revolutie. Zij versterkten het uitvoerende, centrale gezag, in lijn met het napoleontische beleid dat steeds meer de koers ging bepalen. In 1806 plaatste de Franse keizer zijn broer Lodewijk op de troon van wat het ‘Koninkrijk Holland’ ging heten. Hiermee werd definitief de weg naar een monarchaal, centralistisch bestel ingeslagen.

Revolutieperiode

Het heden bepaalt in hoge mate welk verleden wij interessant en relevant vinden. Tot in de jaren zestig functioneerde Nederland min of meer tevreden binnen het monarchale, parlementaire en verzuilde bestel. Voor en na de oorlog had de democratie een gedisciplineerd en paternalistisch karakter. Omdat het bestel zich ontwikkelde in de lijn van de traditie sinds 1814, bleef dat moment herkenbaar en relevant als het begin van de moderne Nederlandse geschiedenis.

Sinds de jaren zestig en nog sterker sinds het begin van de huidige eeuw heeft de samenleving de comfort zone van de ingetogen democratie verlaten. Sindsdien wordt het politiek en maatschappelijk discours gevoerd in termen van rechten, vrijheid, emancipatie, gelijkheid en medezeggenschap. Het optimaliseren van de democratie is een gebod. Voor een deel reflecteerde de grondwetsherziening van 1983 deze wending, maar in de afgelopen decennia heeft de politieke praktijk zich verder verwijderd van wat er eigenlijk in de Grondwet staat. Niet voor niets zijn de laatste jaren al een Nationale Conventie, een Burgerforum en een staatscommissie aan het werk geweest om de Grondwet en de moderne democratie dichter bij elkaar te brengen, voorlopig overigens nog zonder resultaat.

Met de democratisering is ook de belangstelling gegroeid voor de periode 1780-1813, de decennia van de patriottentijd en de eerste min of meer democratisch geïnspireerde revolutie. Heel lang is die periode in de schaduw gebleven, enerzijds van de Gouden Eeuw en anderzijds van het Oranjevaderland dat in 1813 begonnen was. In de negentiende eeuw dacht men niet graag terug aan die lange periode van burgerstrijd en regimewisselingen die eindigde met de smadelijke inlijving bij Frankrijk. Historici die zich ermee bezighielden, de grote bronnenuitgever
Herman Colenbrander voorop, vonden weinig te bewonderen in het beeld van een satellietstaat onder Franse regie. Nog Ernst Kossmann, die er overigens belangrijke dingen over geschreven heeft, zag vooral loze opgewondenheid. ‘Kilo’s papier’ vol geredeneer en gescheld, halfslachtige ideeën, weinig grote dramatiek – een geheel dat nauwelijks een ‘coherente interpretatie’ toeliet.

Zoals zo vaak waren het in eerste instantie buitenlandse historici zoals R.R. Palmer en Simon Schama die lieten zien hoe origineel en interessant de Nederlandse Revolutie in menig opzicht geweest was. De patriottenbeweging van de jaren 1780 liep immers ongeveer gelijk op met de Amerikaanse vrijheidsoorlog en ging vooraf aan de grote Franse Revolutie.

Sinds de late jaren 1980 is de studie van de revolutieperiode in Nederland serieus ter hand genomen, vooral door (kunst)historici als Niek van Sas, Wyger Velema, Frans Grijzenhout, Annie Jourdan, Wijnand Mijnhardt, Joost Rosendaal en Eveline Koolhaas, om maar een aantal belangrijke gangmakers te noemen. In lijn met het internationale onderzoek kwam nu veel meer de rijke politieke cultuur van de periode aan de orde. Politieke strijd, macht en het verwerven van aanhang bestaan namelijk voor een groot deel uit taal, namelijk uit het scheppen van tegenstellingen, loyaliteiten, collectieven en een nieuw politiek vocabulaire. Dat is wat er in de late achttiende eeuw gebeurde. In de Republiek, in Frankrijk en elders werd een nieuwe, dominante politieke taal gevormd, rond begrippen als volkswil en volkssoevereiniteit, burger, democratie en natie.

‘Constitutie’ bijvoorbeeld duidde in de oude betekenis de bestaande staatkundige orde aan, zoals je van iemands lichamelijke constitutie kunt spreken. Zo gold de Unie van Utrecht (1579) ongeveer als constitutie van de Republiek. In het nieuwe vocabulaire werd een constitutie een normatief, scheppend en bindend document waarin tal van algemene rechten en beginselen werden vastgelegd als grondslag van de (nieuwe) politieke en maatschappelijke orde.

In de revolutieperiode van de late achttiende eeuw is ons hele moderne politieke begrippenkader gevormd. Met behulp van strijdbegrippen, feesten en optochten, vaandels en kokardes, spotprenten en spotdichten werden brede lagen van de bevolking bij de politiek betrokken. Iedereen, aldus een auteur uit die tijd, begon zich in de jaren 1780 ‘in sociëteiten of elders met het Patriotismus’ bezig te houden; hun tegenstanders tooiden zich met oranje linten. Overal deden zich kloppartijtjes voor tussen ‘Kezen’ en ‘Oranjeklanten’. Voor het eerst ontstond iets van wat tegenwoordig ‘popular politics’ heet.

Aan die eerste fase kwam in 1787 een einde, toen het stadhouderlijk gezag met de harde hand van het Pruisische leger hersteld werd. Vanaf 1795 keerde de politisering in haar volle omvang terug, nu in het spoor van de grote Franse Revolutie.
Voor het eerst kreeg de politiek een modern ideologisch karakter, met partijen, een partijpers en programma’s gebaseerd op een algemene visie. In maart 1796 begon de eerste min of meer democratisch gekozen Nederlandse volksvertegenwoordiging, de Nationale Vergadering, haar zittingsperiode. En in 1798 kwam de eerste grondwet – toen dus de Staatsregeling genaamd – tot stand.

Al is er onder het toenemend repressieve bestuur na 1800 weinig overgebleven van al deze enthousiaste vernieuwingen, de grote historische betekenis van de revolutieperiode is er niet minder om. Bovendien zou ook de periode onder koning Lodewijk en onder het directe napoleontische bestuur daarna van groot belang blijken voor de opbouw van een nationale bureaucratie en uniforme wetgeving en instituties. Uit deze jaren dateren de eerste nationale onderwijs- en belastingwetgeving, de standaardisering van de taal en belangrijke cultuurinstellingen als het Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.

Gedwongen modernisering

Het belang van de Bataafs-Franse fase in de nationale geschiedenis werd door Thorbecke als eerste ten volle erkend. In de jaren 1840 schreef hij een aantal recensieartikelen waarin de revolutieperiode centraal stond. De boodschap daarvan was dat het vermolmde bestel van de Republiek die hardhandige hervorming maar al te nodig had gehad. Zelfs de periode van totale inlijving bij Napoleons keizerrijk (1810-1813) deed volgens Thorbecke ‘ons op eenmaal een stelsel van wetgeving deelachtig worden, dat ons, over menig beletsel heen, voor goed op den weg der algemeene, hedendaagsche ontwikkeling heeft geplaatst’. Uitdagend voegde hij eraan toe dat deze episode voor Nederland van meer waarde was geweest ‘dan al wat wij in constitutionele en andere regeling sedert 1813 oorspronkelijks tot stand bragten’.

Vanwege dergelijke oordelen beschouwden zijn tegenstanders hem als de ‘allerslechtste uit de côterie der Hollandsche Jacobijnen’, maar inmiddels is het inzicht algemeen aanvaard dat Nederland door de Bataafs-Franse periode een ‘normale’ moderne eenheidsstaat werd, met een constitutionele monarchie, een parlement, nationale instituties en een centraal geleid openbaar bestuur.

Waarschijnlijk had Thorbecke helemaal gelijk met zijn analyse dat de Republiek zich nooit uit eigen beweging tot een moderne, effectieve staat had ontwikkeld. Wie nu misschien betreurt dat Nederland via de lange omweg van een monarchaal bestel tot de democratie is moeten komen – een in menig opzicht onvolkomen democratie bovendien – gaat voorbij aan de opties die er rond 1800 mogelijk waren. De provinciale federatie van de oude Republiek zou in de toenmalige Europese orde hoe dan ook zijn verdwenen, net als Venetië, Genua, de Belgische provincies en tal van Duitse kleinstaatjes. Om als grotere eenheidsstaat voort te bestaan was de republikeinse staatsvorm geen optie.

Nadat onder Napoleon zelfs het revolutionaire Frankrijk en de ‘zusterrepublieken’ tot de monarchie waren teruggekeerd, werd deze staatsvorm voor lange tijd het normale model in Europa. Het principe van grondwettelijk bestuur, een uitvinding van de laat-achttiende-eeuwse revolutieperiode, bleef overeind in de restauratieperiode na 1813. Dat geldt ook voor het principe dat voortaan een parlement ‘de natie’ vertegenwoordigde, al was dat voorlopig een nogal virtuele vorm van representatie. Uit die combinatie van een constitutioneel gebonden monarchie met een nationaal bedoelde vertegenwoordiging zijn alle moderne Europese democratieën voortgekomen. Dat Nederland als zelfstandige staat nog bestaat, heeft het dus te danken aan het feit dat het rond 1800 min of meer onder dwang ‘op den weg der algemeene ontwikkeling’ gestuurd is.

Nederland als natie

Ook voor de natievorming is deze periode van grote betekenis geweest. Sterker nog, het moderne nationaal besef is ontstaan en gevormd in deze jaren. In het laatste kwart van de achttiende eeuw gebeurde dat in eerste instantie door de intensivering van het republicanisme, namelijk actief burgerschap en betrokkenheid bij het herstel van de in verval geraakte Republiek. Niet voor niets noemden de hervormingsgezinden zich ‘patriotten’.

In de Bataafse Republiek werd de nationale gedachte concreet in de vorming van de Nationale Vergadering. De oude Staten-Generaal van de Republiek zijn nooit een parlement in de moderne zin geweest. Zij waren ook niet als zodanig bedoeld en zijn ondanks de naamsgelijkheid nauwelijks te beschouwen als voorloper van de huidige Staten-Generaal. Zij vormden een soort federaal bestuurscollege waarin regenten als diplomaten namens de Staten van hun gewest bijeenkwamen om zaken te regelen. De Nationale Vergadering van 1796 was voor het eerst een breed gekozen parlement dat een soeverein ‘Bataafsch Volk’ representeerde. Dat was op zichzelf al een ‘performatieve’ handeling: de Nationale Vergadering constitueerde een ‘Bataafse natie’. Zij riep die imagined community in het leven, zoals een aantal jaren eerder in Frankrijk de Derde Stand zichzelf tot ‘de natie’ had uitgeroepen.

Vervolgens maakte de staatsgreep van januari 1798 een einde aan de provinciale soevereiniteit en poneerde de Staatsregeling de eenheidsstaat. En kijk, bij alle wisselingen die daarna nog plaatsvonden, werd aan dat principe niet meer getornd. Die eenheidsgedachte was namelijk inmiddels ook bestuurlijk en in mentale of emotionele zin breed gevestigd geraakt. Door toenemende repressie, censuur en teleurstelling verdween na 1801 het publieke engagement met de politiek. Voor de laatste referenda was al bijna geen belangstelling meer. Vanaf dat moment probeerden de achtereenvolgende regimes – eerst het Staatsbewind, toen ‘president’ Schimmelpenninck, daarna Lodewijk Napoleon, keizer Napoleon zelf en na 1813 Willem I – een beleid van depolitisering en verzoening te voeren. Scherpe politieke tegenstellingen sleten af, gematigde vertegenwoordigers van verschillende richtingen werden ingeschakeld in het bestuur. Zo ontstond een gemengde nationale bestuurselite.

In deze geneutraliseerde sfeer vormde zich een gedepolitiseerd ‘vaderlandgevoel’, zoals Van Sas het treffend gekarakteriseerd heeft. Dat was een naar binnen gekeerde beleving van nationale waarden, die tot uitdrukking kwam in de omgang met geschiedenis en literatuur. Een voorstelling van een Nederlandse identiteit schoof als het ware over de traditionele identificaties met de eigen stad, streek, provincie, stand en kerk heen.

De toenemende Franse aanwezigheid en zelfs overheersing intensiveerde in korte tijd de gevoelens van eigenheid en verzet en de behoefte aan bevrijding. In een nu lopend onderzoeksproject onder leiding van Lotte Jensen wordt die mobilisering van de Nederlandse vaderlandsliefde in toneel, literatuur en pamfletten in kaart gebracht. De moedertaal, de helden van het verleden en de grootheid van weleer moesten Nederland door de bezetting heen loodsen, dat was de boodschap van de geëxalteerde poëzie die wij nu meer om de goede bedoelingen dan om de kwaliteit kunnen waarderen. Ook dit was overigens een algemene ontwikkeling: overal in Europa werden juist door het uniformerende beleid van Napoleon zowel de staatsorganisatie als de nationale identiteitsgevoelens sterk bevorderd.

Pas de laatste jaren groeit de belangstelling voor dat belangrijke aspect van de bestuurlijke eenwording van Nederland. Auteurs als Henk Boels, Joke Roelevink en recenter Peter van den Berg, Martijn van der Burg en Matthijs Lok laten zien hoe Nederland in deze periode een inderdaad nationale staat begon te worden door wetgeving, organisatie en bestuursapparaat. Zo ontstond het staatskader waarbinnen in de loop van de negentiende eeuw de natievorming heeft plaatsgevonden. Nationale identiteit is voor een groot deel het resultaat van wettelijke regelingen. Dat houdt Friezen en Limburgers bijeen, maar maakt ook zonder grenspalen al snel zichtbaar dat je België of Duitsland bent binnengereden.

Normale plaats

Het huidige Nederland heeft dus zeer veel te danken aan het tijdvak van 1770 tot 1813. Toen, en niet pas na 1813, zijn de fundamenten van ons moderne bestel gelegd: de goed georganiseerde eenheidsstaat, constitutioneel bestuur, democratische volksvertegenwoordiging, burgerlijke rechten en vrijheden en het besef van nationale identiteit. Het wordt dan ook hoog tijd dat deze formative years volledige erkenning krijgen als deel van de moderne Nederlandse geschiedenis. De leidende en spraakmakende figuren van toen – Johan Derk van der Capellen tot den Pol, Johan Valckenaer en Herman Daendels, Pieter Paulus en Pieter Vreede, Willem Anthony Ockerse en Mietje Hulshoff, Rutger Jan Schimmelpenninck en Isaac

Gogel, om er maar enkele te noemen – verdienen een gewone en vaste plaats in het historisch bewustzijn.

Dat dit inmiddels ook kan, is mede de verdienste van de historici Niek van Sas en Wyger Velema, die in de afgelopen jaren een onderzoeksproject hebben geleid naar de Bataafse periode. Hoe nodig dat was, bewijst de voortreffelijke en zeer volledige monografie die Joris Oddens wijdde aan de Nationale Vergadering, de eerste over dit onderwerp sinds 1799! Binnen datzelfde project schreef Mart Rutjes een heldere analyse van de toenmalige discussie over democratie, burgerschap en staat. In Het Bataafse experiment,een rijke bundel onder redactie van Van Sas, Velema en kunsthistoricus Frans Grijzenhout, maakt een team van deskundigen de balans op van het onderzoek naar politiek en cultuur rond 1800. Edwina Hagen, een van de auteurs, publiceerde in 2012 al een zeer welkome biografie van de kortstondige ‘president van Nederland’, raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck, het eerste staatshoofd in dit land sinds de in 1581 afgezworen koning Filips II.

Door deze inspanningen van de afgelopen twintig jaar begint de revolutieperiode inmiddels tot de goed gedocumenteerde historische perioden te behoren, al vormt bijvoorbeeld het Staatsbewind (1801-1805) nog steeds een wat lege plek op de kaart. In veel van het nieuwe onderzoek is de eigen Nederlandse inbreng in het grote hervormingsproces naar voren gehaald. Dat was een correctie op de oude voorstelling van de Republiek als een wat sullige satellietstaat, later zelfs vazalstaat van Frankrijk. Joost Rosendaal heeft in zijn studie over de na 1787 uitgeweken patriotten al gewezen op hun actieve inbreng in de Franse Revolutie zelf. Annie Jourdan heeft de Bataafse Revolutie een eigen plaats gegeven tussen de Amerikaanse en de Franse. Zij toont aan dat de Bataafse Republiek onder de met Frankrijk geassocieerde revolutionaire zusterrepublieken een bijzondere status genoot en van de Fransen nog lang de ruimte kreeg om min of meer eigen grondwetten te ontwerpen. Het onderzoek van Johan Joor en van Lotte Jensen laat zien dat er in Nederland wel degelijk nationalistisch geïnspireerd verzet is geweest tegen de toenemende Franse overheersing. Hoe dit ook zij, de verhouding tussen nationale inbreng en buitenlandse regie is duidelijker geworden.

Tot slot

De studie van dit deel van het verleden leert ons twee dingen. Wie in Nederland graag nog eens een flinke grondwetshervorming zou zien, moet hopen op een revolutie of oorlog. Alle wezenlijke grondwetsherzieningen in dit land, namelijk die van 1798, 1814-1815, 1848 en 1917, zijn alleen mogelijk gebleken in irreguliere situaties, een gezagsvacuüm of een grote externe dreiging. De enige uitzondering vormt de huidige Grondwet van 1983, maar daarvoor was dan ook zeventien jaar voorbereiding nodig.

En het proces van Europese integratie is historisch gezien gewoon een nieuwe ronde van schaalvergroting, na de mentale en organisatorische stap die rond 1800 gezet werd van het provinciale niveau naar dat van de natiestaat. Ook dat proces heeft zeker een halve eeuw geduurd. In het bedrijfsleven zijn lokale kruideniers en de rijkspostspaarbank inmiddels ‘wereldspelers’ geworden. Ook de nationale staat zal hoe dan ook die kant op gaan. Leer dit maar van Thorbecke: een hervormingsproces doet pijn, maar met nostalgie geef je geen vorm aan de toekomst.


Abonnees van De Groene Amsterdammer kunnen met hun abonneegegevens inloggen op de-gids.nl en daar gebruik maken van het volledige archief en de digitale edities. Wel abonnee, maar nog geen inloggegevens? Kijk hier.

Download de nieuwe Gids hier. Het nummer wordt volgende week gepresenteerd in Leiden.

Beeld: De rijksappel, het zwaard, de Grondwet en de kroon. © Nationaal archief