Raoul Schrott, Tristan da Cunha

Het eiland van de cartografenvrouw

Raoul Schrott

Tristan da Cunha

Uit het Duits (2003) vertaald door

Nelleke van Maaren, Wilfred Oranje, José Rijnaarts, Studio Posthuma.

De Bezige Bij, 719 blz., € 32,50

De Oostenrijkse dichter, vertaler, literaire speurneus en prozaschrijver Raoul Schrott (1964) schreef een boek van meer dan zevenhonderd pagina’s. Vier romanpersonages komen aan het woord, schrijvend, en elk ervan heeft een eigen vertaler gekregen, dat alleen al is bijzonder. Hoe pak je zo’n boek uit?

Ik begin maar bij een e-mail die ergens in het midden staat: «Hallo. Nee. Ik ben in Antarctica. Ben hier als wetenschapper gestationeerd en onderzoek de aurora. Wat doe jij in het echte leven? Noomi.» De man aan wie deze twee regels overgeseind worden, de Portugees Rui, met wie de afzender, Noomi, één keer het hotelbed heeft gedeeld, had zijn voorafgaande briefje besloten met de uitroep: «Maar waar zit je nu? In Engeland? En wie ben jij, de vrouw die ik voor het eerst op Fernando de Noronha zag en toch meteen herkende. Is dat echt je naam noomimariamorholt@? Rui.»

De ongeveer veertigjarige Zuid- Afrikaanse onderzoekster is in Antarctica op expeditie met een team dat verder (ook) uit drie mannen bestaat. In een volgende alinea van haar dagboek staat: «Vandaag heb ik de lucht als glas zien breken, ijskristallen als poeier in het licht, minuscule splinters. Een platinakleurige balk steeg daarin rechtstandig op vanaf de horizon, dwars door de zon, en een lichtgevende schaduw viel daar horizontaal overheen en vormde zo een volmaakt kruis. Aan zijn uiteinden stonden schijn zonnen, waaronder de schaduw van mijn benen op de sneeuw verbleekte en zich vermenigvuldigde; groene en gele parhelia, nauwelijks vervormd: zonnehonden.»

Daar is behalve het woord «parhelia» geen woord Latijn bij. Parheliën zijn, leert het woordenboek, heldere plekken aan de hemel ter hoogte van de zon en de maan, ontstaan door kruising van min of meer duidelijke halo’s: bij zonnen, bijmanen. Het woord «zonnehonden» is plastischer, een vondst. Bij brekende lucht kan ik me van alles voorstellen, maar wat is het precies? Kort ervoor legt de dagboekschrijfster het verschil uit tussen de magnetische en geomagnetische pool – een beetje raar trouwens dat een deskundige zichzelf zulke basiskennis dicteert. Ver gezichten doemen op als zij zegt dat in die witte wereld de gebruikelijke opvattingen van tijd in ruimtelijke termen niet meer gelden. Het klinkt interessant maar de lezer krijgt het niet te zien. En wat te zeggen van de volgende beschrijving: «In de lucht boven de Vesles een lichtverschijnsel, groen fluorescerend (geen poollicht, maar ijzer- en magnesiumionen in de onderste E-laag, vrijgemaakt door meteorieten niet groter dan een stofkorreltje, die permanent in de atmosfeer al gloeiend verbranden; de winden in de hogere luchtlagen concentreren zich langs de magnetische veldlijnen, waar ze dit soort iriserende wolken vormen).»

Dat zou één manier zijn om het boek te doorkruisen: eerst de vier verspreide dagboekfragmenten van Noomi Morholt lezen, en die voor het gemak als basisstation gebruiken, ze zijn ook het gemakkelijkst. De roman begint en eindigt met twee van zulke fragmenten. De vier sluiten op elkaar aan en lopen van januari tot juni 2003. Dat is een kleine honderd pagina’s, de e-mailgeschiedenis inbegrepen. Daarin halen de twee verre correspondenten — maar wat is in dat medium nog ver? — de sprakeloosheid van hun éénnachtsavontuur in: oude vormen en gedachten.

Rui blijkt trouwens schrijver, die ook nog eens zelf een roman schrijft over het eiland uit de titel van de onderhavige roman van Schrott. Dat «toeval» geeft Schrott de mogelijkheid om zijn collega in een paar pagina’s (571-574) de hele opzet van zijn eigen boek, ook over dat eiland, te laten formuleren. De schrijver kiest op het laatst toch voor een vrouw van vlees en bloed, bovendien in warmere streken.

Zoals gezegd bevat het verslag van Noomi Morholt fabelachtige avon turen van oog en oor. En passant krijg je behalve meteorologische en strato sferische informatie bovendien veel wetenswaardigs over sneeuw, ijs, effecten van temperaturen onder de honderd graden onder nul, en over de fysieke en psychische ongemakken van een groepje mensen in een krappe ruimte.

Maar tegen wie praat de wetenschapster in haar dagboek? Het doet denken aan een opmerking van heel iemand anders in het boek (driehonderd pagina’s eerder), van Christian Reval, marconist in de Tweede Wereldoorlog, die in de in 1969 bij zijn lijk gevonden aantekeningen, vlak voor zijn einde dus, denkend aan zijn vrouw schrijft: «En alle leven pas beginnend met dit Tertiair. Dat is wat ik zie; wat ik ben. Maar zodra ik daarover tegen Maria begin, worden mijn zinnen nietszeggend, alsof ik in mezelf praat. In de wolken nu een oranje-witte streep die doet denken aan de ijsblink van Bouvet.»

Wie of wat Bouvet is wil ik niet weten (de naam van een eiland); een ijsblink is «een helderwitte glans aan de gezichtseinder, veroorzaakt door de weerschijn van ijsvelden». Mooi woord, «ijsblink», net als «gedagzoomd vulkanisch gesteente», «magneetstormen», «muon» (elementair deeltje in kosmische stralen), «perlerorneq» (Eskimo voor «het gewicht van het leven»), mooi beeld: «het ijs als geologische telescoop». Er staan honderden, duizenden mooie woorden in de vertaling van dit boek, niet alleen woorden uit de Poolwereld, maar ook uit de scheepvaart, een mer à boire aan oortuitende termen, de cartografie, de filatelie, de kerk, de post, de mythologie en wat voor jargon nog meer.

Maakt dat het boek bijzonder? Een ouderwetse timmerman of bankwerker heeft ook een vertaler nodig, of een tennisleraar. Maar over wat voor boek gaat het eigenlijk? Het is het boek van een dichter: de beste passages zijn prozagedichten die erom vragen langzaam gelezen te worden – maar het zijn wel zevenhonderd pagina’s. En een roman wordt niet gemaakt uit woorden, zelfs niet uit zinnen of zinswendingen. Een roman is allereerst een constructie. Een blauwdruk van dit boek valt te reconstrueren door alle titels en ondertitels van delen en hoofdstukken op een rij te zetten, ook dát is een gedicht; maar bouwmateriaal, hoe boeiend per onderdeel ook, zeker als er nog van alles uit te maken valt, is iets anders dan een constructie.

Een eenvoudige manier is te beginnen bij het begin, zou je denken. Je kunt ook eerst op zoek gaan naar het eiland. Het heet zoals de roman, Tristan da Cunha, ver weg van de wereld, midden in de Stille Oceaan, halverwege Zuid-Afrika en Zuid-Amerika. Het eiland – een vuln met brede voet – kreeg in 1506 de naam van zijn ontdekker, een Portugese admiraal: hij zag het, tekende het aan op de kaart en schreef zijn naam erbij. In 1509 zetten Portugezen het op de kaart; Mercator schilderde het in 1541 als twee door riffen omringde eilanden op zijn globe; in 1643 zette de eerste mens een voet aan land, een Hollander; en pas in 1677 werd het, door een Engelsman, in bezit genomen. Dat is een van de vele thema’s van het boek: iets in bezit nemen door er een naam aan te geven. Of het echt bestaat is een tweede. Een historisch voorbeeld geven de vroegere tekenaars van landkaarten. Ten tijde van de grote ontdekkings reizen was er op de kaart nog volop ruimte voor hele archipels. In plaats van hun handtekening tekenden ze ook wel een imaginair eiland in, waaraan sommigen de naam van hun geliefde gaven: zo’n signatuur heette het eiland van de vrouw van de cartograaf.

Het had ook de titel van Schrotts roman kunnen zijn. Temeer daar min of meer parallel aan het dagboek van de Zuid-Afrikaanse er in zeven afleveringen een geschiedenis van het eiland én van het postwezen geschreven wordt door een Britse filatelist, die het eiland nooit met eigen ogen heeft gezien. Juist hij weet er alles van, tot en met de levens van zeven generaties bewoners. «Ooit waren de cartografen beschrijvers van werelden, want het tekenen van een kaart, daarin schuilt evenveel wetenschap als kunst», zegt de wereldveroveraar met de loep. Voor hem is het toppunt van de vereniging van tekst en beeld natuurlijk de postzegel. Niet meer dan logisch dat zijn geschiedschrijving ook op postzegelformaat plaatsvindt: het in leer gebonden meesterwerk heeft de grootte van een handpalm.

Om wat voor boek ging het ook alweer? Het dagboek van de Zuid-Afrikaanse wetenschapster is een hybride, het moet ook nog aan anderen, de lezers van Schrotts roman, dingen uit de doeken doen. Van hetzelfde laken een pak is de wat aftandse kunstgreep om haar met een per ongeluk in haar bagage verzeild geraakte boekenkist op te zadelen die bedoeld was voor het museum op Tristan da Cunha. De titels die Noomi keurig overschrijft zijn dus de handbibliotheek geweest van Schrott voor wat hij over het eiland meedeelt. In de kist van Pandora zit ook nog een pakket met drie manuscripten. Een pak brieven van Edwin Heron Dodgson aan zijn broer alias Lewis Carrol. Het zijn overigens briefconcepten, het kan dus zijn dat de epistolaire zielenstrijd van de met zijn geloof worstelende priester nooit verstuurd is.

Het tweede pak bevat aantekeningen van Christian Reval, verre familie van een voormalige eilandbewoner, in de Tweede Wereldoorlog marconist op Tristan da Cunha. Zijn verslag gaat in de tijd van achteren naar voren. Behalve dat mij de zin daarvan ontgaat, is het net zo onmogelijk als een film in z’n achteruit: het zijn omgekeerd gedateerde maar gewoon vertellende stukken.

Het derde boek in het boek is het boekje van de postzegelmaniak. Om het meest nadrukkelijk opgevoerde maar minst uitgewerkte thema kort samen te vatten: alledrie lijden ze aan een onmogelijke liefde met ene Marah, telkens een andere uiteraard. Marah blijkt in het Oude Testament ook de naam te zijn van een vrouw die geen Noomi meer wilde heten. Ongeacht alle tijdsverschillen is Noomi het object van liefde en van lijden (en van genot in het lijden) van alle mannen: de ongenaakbare, aan wier onbereikbaarheid de mannen lijden. Op zich een aardig idee: het object van begeerte nu eens zelf aan het woord te laten. Het liefste wat Noomi wil is een ander zijn: «Graag een ander! Ik wil niet langer uitsluitend de belichaming zijn van al deze onbehuisde verlangens.» Dat zijn veel te expliciete zinnen; als je ze bij elkaar sprokkelt heb je een romanbrede smartlap. Als je alle cartografische, filatelistische, meteorologische overschrijfsels wegdenkt houd je, vrees ik, een opera van de onmogelijke liefde over: Tristan en Isolde – in de boekenkist zat daarvan een sjieke versie, «de Pléiade-uitgave van de romances rond Tristan en Yseut». Er had ook in dat thema zoveel meer gezeten, materiaal te over. Maar zelfs van de combinatie Verlangen in alle toonaarden, Ontdekkingsreizen, Eiland en Utopie maakt Schrott zelf zo verdomde weinig; en ik vertik het als lezer zijn werk over te doen of af te maken.

Schrott heeft in zijn naar mijn smaak veel geslaagdere roman Finis- Terrae, zijn prozadebuut uit 1997, ook al met de truc van het gevonden manuscript gewerkt. In dat boek moest de schrijver nog zelf iets met vier schriften doen. Nu wordt dat aan de lezer overgelaten. De roman lijkt me het product van een zekere gemakzucht. Dat klinkt misschien een beetje raar bij zo’n volumineus boek met zo veel encyclopedisch materiaal – kennelijk had Schrott aan het verzamelen en schrijven daarvan al zijn handen vol.