Het einde der mannen

Eerder dit jaar vormden vrouwen voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis de meerderheid van de beroepsbevolking. Ook de meeste managers zijn inmiddels vrouwen. En op elke twee mannen die dit jaar afstuderen, doen drie vrouwen hetzelfde. Jarenlang is de vooruitgang van vrouwen beschouwd als een strijd voor gelijkwaardigheid. Maar wat als gelijkwaardigheid niet het eindpunt is? Wat als de moderne postindustriële maatschappij gewoon beter geschikt is voor vrouwen? Er is een omkering van rollen zonder precedent gaande - met enorme culturele consequenties.

IN DE JAREN ZEVENTIG van de vorige eeuw vond bioloog Ronald Ericsson een manier om zaadcellen die het Y-chromosoom droegen (dat tot een zoon leidt) te scheiden van cellen met het X-chromosoom. Hij liet beide door een glazen buis zwemmen door steeds dikkere proteïne-barrières. De cel met het X-chromosoom had een grotere kop en een langere staart en zou dus, dacht hij, vast komen te zitten in de stroperige vloeistof. De Y-cellen waren slanker en sneller en zwommen efficiënter naar de bodem van de buis. Ericsson was opgegroeid op een ranch in South Dakota, waar hij een Old West-cowboy-bravoure had opgedaan. Het proces, zei hij, was als ‘het scheiden van een kudde bij het hek’. De koeien die achterbleven waren natuurlijk de X'en, tot zijn schijnbare genoegen. Soms demonstreerde hij zijn methode met kraakbeen uit een stierenpenis als aanwijzer.
In de late jaren zeventig leaste Ericsson de methode aan klinieken in heel Amerika en noemde het de eerste wetenschappelijk bewezen methode om het geslacht van een kind te kiezen. In plaats van een laboratoriumjas droeg hij cowboylaarzen en een cowboyhoed en trakteerde op zijn versie van cowboypoëzie. Het beste recept voor het leven vond hij 'ontbijten om half zes, in het zadel om zes uur, niet van dat mietjesgedoe’. In 1979 leende hij zijn ranch uit als decor voor de iconische 'Marlboro Country’-reclame omdat hij geloofde in het centrale beeld van de campagne - 'een kerel die op zijn paard langs de rivier rijdt, geen bureaucraten, geen advocaten’, herinnerde hij zich toen ik hem dit voorjaar sprak. 'Hij is de baas.’
Feministen van dat tijdperk hadden weinig sympathie voor Ericsson en zijn Marlboro Man-vernislaagje. Volgens hen voorspelden de lab-cowboy en zijn sperminator een dystopie van massa-geproduceerde jongens. 'Je moet je zorgen maken over de toekomst van alle vrouwen’, zei sociaal-psycholoog en voormalig non Roberta Steinbacher, in een profiel van Ericsson in People in 1984. 'Het lijdt geen twijfel dat er een universele voorkeur bestaat voor jongens.’ Steinbacher klaagde dat vrouwen vast kwamen te zitten als 'tweederangs burgers’ terwijl mannen bleven domineren op posities met controle en invloed.
Ericsson, nu 74, moest lachen om die uitspraken van zijn oude tegenstander. Zelden was een sinistere voorspelling zo eenvoudig te ontkrachten. In de jaren negentig concludeerde Ericsson uit de cijfers van de 25 klinieken die zijn methode gebruikten tot zijn verbazing dat echtparen vaker meisjes vroegen dan jongens. Die kloof is blijven bestaan, ook al zegt Ericsson dat zijn methode vooral geschikt is om jongens te produceren. In sommige klinieken is de verhouding zelfs 2:1. Uit de weinige gegevens over geslachtsvoorkeur in Amerika blijkt geen duidelijke voorkeur voor meisjes. Maar uit de praktijk van de huisarts wél. Een nieuwere methode voor spermaselectie, MicroSort, wordt op dit moment getest. Bij die methode wordt in zo'n 75 procent van de gevallen een meisje gevraagd.
Nog onaangenamer voor Ericsson is dat duidelijk is geworden dat bij het kiezen van het geslacht van de volgende generatie hij niet langer de baas is. 'Het zijn de vrouwen die alle beslissingen sturen’, zegt hij. Vroeger belden vrouwen zijn kliniek, verontschuldigden zich en legden verlegen uit dat ze al twee jongens hadden. 'Nu bellen ze op en [zeggen] regelrecht: “Ik wil een meisje.” Die moeders denken dat hun dochters een mooie toekomst zullen hebben die hun moeder en oma niet hadden, mooier dan hun zoons zelfs, dus waarom zou je niet voor een meisje kiezen?’
Waarom zou je niet voor een meisje kiezen? Dat zoiets zo luchtig wordt gezegd door een oude cowboy als Ericsson, of wie dan ook, is gedenkwaardig. Zo lang als de beschaving bestaat is vrijwel zonder uitzondering het patriarchaat - in stand gehouden door de rechten van de eerstgeboren zoon - altijd het organiserend principe geweest. In het oude Griekenland bonden mannen hun linkertestikel af om mannelijke erfgenamen te produceren; vrouwen doodden zichzelf (of werden gedood) als ze geen zoon baarden. Nu is de eeuwenoude voorkeur voor zoons aan het eroderen, of zelfs aan het omkeren. 'Vrouwen van onze generatie willen dochters, precies omdat we houden van wie we zijn’, stelt een vrouw in het tijdschrift Cookie.

ONGEVEER SINDS het ontstaan van de mensheid is de man het dominante geslacht geweest. Maar voor het eerst in de menselijke geschiedenis verandert dat - en in een razend tempo. Culturele en economische veranderingen versterken elkaar altijd. En de mondiale economie ontwikkelt zich op zo'n manier dat de historische voorkeur voor nakomelingen van het mannelijk geslacht wereldwijd verdwijnt. In de loop van enkele eeuwen creëerde Zuid-Korea bijvoorbeeld een van de meest rigide patriarchale samenlevingen ter wereld. Veel vrouwen die geen mannelijke erfgenamen konden voortbrengen werden mishandeld en behandeld als bedienden; sommige families baden tot geesten of die hun meisjes wilden laten sterven. Maar toen, in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw, omarmde de regering een industriële revolutie en moedigde vrouwen aan om te gaan werken. Vrouwen gingen naar de stad en studeerden. Ze gingen razendsnel vooruit, van fabrieksbanen naar administratief werk naar hooggeschoold werk. Kort daarna begon de traditionele orde uit elkaar te vallen. In 1990 werden de wetten van het land herzien zodat vrouwen na een scheiding de voogdij over hun kinderen konden houden en bezittingen konden erven. In 2005 besloot de rechter dat vrouwen onder hun eigen naam kinderen mochten registreren. In 1985 zei in een landelijk onderzoek nog ongeveer de helft van alle vrouwen dat ze 'een zoon moest hebben’. Tot 1991 daalde dat percentage langzaam en dook in 2003 vervolgens tot net boven de vijftien. Voorkeur voor mannen in Zuid-Korea 'is voorbij’, zegt Monica Das Gupta, demograaf en Azië-deskundige bij de Wereldbank. 'Het is heel snel gegaan. Het is bijna niet te geloven, maar het is zo.’ Dezelfde verschuiving zet in andere snel industrialiserende landen als India en China nu ook in.
Tot op zekere hoogte liggen de redenen voor die verandering voor de hand. Denken en communiceren zijn in de plaats gekomen van fysieke kracht en uithoudingsvermogen als sleutels tot economisch succes. Die samenlevingen die de talenten van ál hun volwassenen gebruiken, en niet slechts van de helft, hebben een voorsprong genomen op de rest. En omdat geopolitiek en mondiale cultuur in wezen darwiniaans zijn, zullen andere samenlevingen ofwel die weg volgen óf gemarginaliseerd raken. In 2006 zette de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling de Gender, Insitutions and Development Database op, die in 162 landen de economische macht van vrouwen meet. Bijna zonder uitzondering blijkt dat hoe groter de macht is van vrouwen, hoe groter het economisch succes van het land is. Hulporganisaties zijn die relatie ook gaan erkennen en zetten zich in om in zo'n honderd landen politieke quota’s in te voeren, die vrouwen in feite naar de macht duwen om de welvaart van die landen te vergroten. In enkele door oorlog verscheurde landen grijpen vrouwen in als een soort moederlijk reddingsteam. De president van Liberia, Ellen Johnson Sirleaf, beschreef in haar campagne van vijf jaar geleden haar land als een ziek kind dat haar verzorging nodig had. Het Rwanda van na de genocide koos ervoor zichzelf te genezen door het eerste land te worden met een vrouwelijke meerderheid in het parlement.

IN FEMINISTISCHE KRINGEN worden die maatschappelijke, politieke en economische veranderingen altijd gezien als het trage, moeizame inhalen van een achterstand in een voortdurende strijd voor vrouwelijke gelijkwaardigheid. Maar in de VS, de meest geavanceerde economie ter wereld, lijkt er iets gaande dat nog veel opmerkelijker is. Amerikaanse ouders beginnen te kiezen voor meisjes in plaats van jongens. Als ze zich voorstellen hoe trots ze zijn om te zien hoe een kind opgroeit en zich ontwikkelt en succes heeft als volwassene, dan hebben ze vaker een meisje in gedachten.
Wat als de moderne, postindustriële economie gewoon beter is afgestemd op vrouwen dan op mannen? Evolutionair psychologen hebben lange tijd beweerd dat we allemaal van nature zijn uitgerust met aanpassingsmechanismen uit een ver verleden: mannen zijn sneller en sterker en toegerust om te vechten om schaarse middelen, en dat manifesteert zich nu als een drive om te winnen op Wall Street; vrouwen zijn geprogrammeerd om goede kostwinners te vinden en om te zorgen voor hun nageslacht, en dat manifesteert zich in meer-verzorgend en meer-flexibel gedrag, voorbestemd voor het huishouden. Die manier van denken bepaalt ons idee van de natuurlijke orde. Maar wat als mannen en vrouwen nu eens niet hun biologische imperatieven volgden maar sociale rollen vervulden, gebaseerd op wat efficiënter was gedurende een lange periode in de geschiedenis van de mensheid? Wat als dat tijdperk nu ten einde is? Concreter, wat als de economie van het nieuwe tijdperk meer is toegesneden op vrouwen?
Als je die mogelijkheid erkent, zie je overal bewijzen. Het meest direct in de puinhopen van de Grote Recessie, waarin driekwart van de acht miljoen banen die verdwenen, werd verloren door mannen. De zwaarst getroffen bedrijfstakken waren overwegend mannelijk en zeer geassocieerd met machismo: de bouw, productie, high finance.
Eerder dit jaar sloeg, voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis, de balans van de beroepsbevolking door naar vrouwen, die nu de meerderheid van alle banen in het land bezitten. De arbeidersklasse, die lange tijd onze ideeën over mannelijkheid heeft bepaald, verandert langzaam in een matriarchaat, waarbij mannen steeds vaker afwezig zijn uit het huis en vrouwen alle beslissingen nemen. Vrouwen zijn in de meerderheid op de universiteiten en beroepsopleidingen van tegenwoordig - tegenover twee mannen die dit jaar afstuderen, doen drie vrouwen hetzelfde. De vijftien beroepscategorieën in de VS waarvan wordt voorspeld dat ze de komende tien jaar het hardst zullen groeien, worden op twee na allemaal vooral bezet door vrouwen.
DE POSTINDUSTRIËLE economie is niet zo geïnteresseerd in de grootte en kracht van mannen. De kwaliteiten die tegenwoordig het meest waardevol zijn - sociale intelligentie, open communicatie, het talent om stil te zitten en je te concentreren - zijn, op z'n minst, niet overwegend mannelijk. Misschien is het wel precies andersom. Vrouwen in arme delen van India leren sneller dan mannen Engels om te voldoen aan de eisen van de nieuwe mondiale callcenters. Vrouwen bezitten meer dan veertig procent van de privé-bedrijven in China, waar een rode Ferrari het nieuwe statussymbool is voor vrouwelijke ondernemers. Vorig jaar koos IJsland minister-president Johanna Sigurdardottir, het eerste openlijk lesbische staatshoofd van de wereld, die expliciet campagne voerde tegen de mannelijke elite die volgens haar het bancaire systeem van het land had verwoest, en zwoer een dikke streep te zetten onder het 'tijdperk van testosteron’.
Toch is er in de VS nog steeds een inkomenskloof, die overtuigend kan worden verklaard - in elk geval gedeeltelijk - door discriminatie. Ja, vrouwen zorgen nog steeds het meest voor de kinderen. En ja, de hogere regionen van de maatschappij worden nog steeds gedomineerd door mannen. Maar gezien de macht van de krachten die op de economie inwerken, voelt dat verschil eerder als de laatste zucht van een stervend tijdperk dan als de definitieve situatie.

IN ZIJN LAATSTE BOEK, The Bachelor’s Ball, uitgegeven in 2007, beschrijft de socioloog Pierre Bourdieu de veranderende gender-dynamiek van Béarn, de streek in zuidwest-Frankrijk waar hij opgroeide. Ooit bezaten daar de oudste zoons het voorrecht van patrimoniale loyaliteit en het eerste erfrecht. Maar in de loop van de decennia veranderden verschuivende economische krachten die privileges in een vloek. Hoewel het land niet langer het indrukwekkende inkomen van voorheen opbracht, voelden de mannen zich toch verplicht het te blijven bewerken. Ondertussen keerden moderne vrouwen het boerenleven de rug toe en lieten zich verleiden door werk en avontuur in de stad. Af en toe keerden ze terug voor de traditionele bals, maar de mannen die daar op ze wachtten hadden hun prestige verloren en waren geen partij meer om mee te trouwen. Ik zie voor me wat Bourdieu in zijn boek beschrijft: op het vrijgezellenbal staan de mannen, verlegen met hun verminderde status, met hun armen stijfjes langs hun lichaam, terwijl de vrouwen rondzwieren.
De omkering van rollen die gaande is tussen Amerikaanse mannen en vrouwen manifesteert zich het duidelijkst en pijnlijkst in de arbeidersklasse. In de afgelopen jaren zijn mannelijke support groups ontstaan in de hele Rust Belt - met veel zware industrie - en op andere plaatsen waar de postindustriële economie traditionele gezinsrollen op z'n kop heeft gezet. Sommige groepen helpen mannen om te gaan met werkloosheid, en andere helpen ze om weer in contact te komen met hun vervreemde gezinnen. Mustafaa El-Scari, docent en maatschappelijk werker, leidt een paar van die groepen in Kansas City. El-Scari heeft mannen en jongens bestudeerd die stuurloos zijn geworden, en hij ziet het als zijn speciale gave om ze aan het praten te krijgen over hun nieuwe situatie.
Niet één van de ongeveer dertig mannen die in een klaslokaal in het centrum van Kansas City zitten, is gekomen om vrijwillig een lesje in volwassenheid te krijgen. Ze hadden hun alimentatie niet betaald en mochten van de rechter kiezen tussen de gevangenis of een wekelijkse les vaderschap, wat hen beter leek. In de les van deze week, uit een werkboek dat Quenching the Father Thirst heet, zouden ze eigenlijk een brief moeten schrijven aan een hypothetische, vervreemde veertienjarige dochter Crystal, die door haar vader in de steek werd gelaten toen ze een baby was. Maar El-Scari heeft zo zijn eigen ideeën over hoe hij moet doordringen tot deze nauwelijks ontwaakte, sceptische groep, en daar hebben brieven aan Crystal niets mee van doen.
Net als zij, vertelt hij, groeide hij op met de tv-serie waarin Bill Cosby achter zijn metaforische 'white picket fence’ woont: één man, één vrouw en een stel blije kinderen. 'Nou, dat sprookje is al lang uit’, zegt hij. 'Oké, laten we eens kijken’, en hij leest voor van een werkblad. Wat zijn de vier soorten vaderlijk gezag? Moreel, emotioneel, sociaal en fysiek. 'Maar in het huis zijn jullie niets van dat alles. Het enige wat je bent is een loonstrookje, en nu ben je zelfs dat niet meer. En als je probeert je gezag uit te oefenen, dan belt ze 911. Hoe voel jij je dan? Jij hoort de autoriteit te zijn en zíj zegt: “Ga het huis uit, trut.” Ze noemt je “trut”!’
De mannen zijn zwart en blank, en tussen de twintig en veertig. Eén koppel lijkt wel eens een paar nachten op straat te hebben geslapen, maar de rest ziet eruit alsof ze werken, of werkten. Nu hebben ze hun limonade neergezet, en El-Scari heeft hun aandacht. Hij schrijft op het bord: $85000. 'Dit is haar salaris.’ En dan: $12000. 'Dit is jouw salaris. Wie is verdorie de man? Wie is nu de man?’ Er klinkt gemompel. 'Precies. Zij is de man.’
De mannen in die ruimte waren, bijna zonder uitzondering, slachtoffer van het einde van het productietijdperk. De meesten van hen waren nog met hun handen blijven werken zelfs toen de vraag naar handarbeid afnam. Vanaf 2000 zijn in de industrie bijna zes miljoen banen verloren gegaan, ruim een derde van het totaal aantal werknemers, en maar heel weinig jonge krachten werden aangenomen. Een tijdlang maskeerde de huizenbubbel die nieuwe realiteit, doordat er werk kwam in de bouw en aanverwante bedrijfstakken. Veel mannen die ik sprak hadden gewerkt als elektricien of bouwvakker; een was succesvol makelaar geweest. Nu zijn ook die banen verdwenen. In 1950 was ongeveer één op de twintig mannen die konden werken niet aan het werk; vandaag is dat één op de vijf, het hoogste ooit geregistreerd.
MANNEN DOMINEREN in slechts twee van de vijftien beroepsgroepen die in de komende tien jaar het meest zullen groeien: portier en computerprogrammeur; vrouwen in alle andere - verpleging, thuiszorg, kinderopvang, voedselbereiding. Veel van de nieuwe banen, zegt Heather Boushey van het Center for American Progress, 'komen in de plaats van de dingen die vrouwen altijd thuis voor niets deden’. Geen ervan betaalt bijzonder goed. Maar de gestage toename van deze banen draagt bij aan een economie die zich, voor de arbeidersklasse, meer is gaan richten op vrouwen dan op mannen.
De banengroei zien we vooral in verzorgende beroepen, waarin vrouwen ironisch genoeg lijken te profiteren van oude stereotypen en gewoontes. In theorie is er geen reden dat mannen niet gekwalificeerd zouden zijn. Maar het is gebleken dat ze zich opvallend slecht kunnen aanpassen. In de loop van de afgelopen eeuw zette het feminisme vrouwen ertoe aan dingen te doen waarvan men ooit dacht dat die tegen hun natuur ingingen. Veel beroepen die van oorsprong tot het mannelijke domein behoorden worden nu grotendeels uitgeoefend door vrouwen - zoals secretaresse en leraar. Ik ken geen beroepen waarin het tegenovergestelde is gebeurd. Verpleegopleidingen hebben in de afgelopen jaren hun best gedaan om mannen te rekruteren, met minimaal succes. Lerarenopleidingen, die snakken naar mannelijke rolmodellen, hebben het al even moeilijk. Het scala van aanvaardbare masculiene rollen is net zo weinig veranderd, en misschien zelfs versmald doordat mannen zich afkeerden van bepaalde carrières waar vrouwen zich op hebben gestort.
Terwijl we de Grote Recessie te boven komen, zullen sommige traditioneel mannelijke banen terugkomen, maar dat verandert de trend voor de lange termijn niet. Als we terugkijken op deze periode, zo stelt Jamie Ladge, hoogleraar bedrijfskunde aan Northeastern University, zullen we het beschouwen als een 'keerpunt voor vrouwen in de beroepsbevolking’.
Zelfs als de economische en culturele machtsverschuiving van mannen naar vrouwen niet verder ging dan working class-Amerika zou ze nog buitengewoon significant zijn. Maar vrouwen beginnen ook het middenmanagement te domineren, en bovendien een opmerkelijk aantal beroepen waar een hoge opleiding voor nodig is. Volgens het Bureau of Labor Statistics bezitten vrouwen nu 51,4 procent van de bestuurlijke en hooggekwalificeerde banen - tegen 26,1 procent in 1980. Ze vormen 54 procent van alle accountants en hebben ongeveer de helft van alle bank- en verzekeringsbanen. Circa een derde van Amerika’s artsen is nu vrouw, net als 45 procent van partners van advocatenkantoren - en beide percentages stijgen snel. Een witteboordeneconomie waardeert pure intellectuele kracht, die mannen en vrouwen in gelijke mate bezitten. Ze vereist eveneens communicatieve vaardigheden en sociale intelligentie, domeinen waarin vrouwen volgens veel onderzoeken een lichte voorsprong hebben. Misschien het belangrijkste - in goede of in slechte zin - is dat in die economie steeds meer officiële opleidingspapieren vereist zijn, die vrouwen vaker halen, vooral als jong volwassenen. De enige domeinen waarin vrouwen nog steeds een relatief kleine minderheid van vers gesmede arbeiders vormen, zijn techniek en beroepen met een hard-wetenschappelijke achtergrond - en zelfs daar hebben vrouwen sinds de jaren zeventig grote winst geboekt.
Kantoorwerk heeft zich ruim dertig jaar lang gestaag aangepast aan vrouwen - die op hun beurt het werk hervormden. Joel Garreau onderzoekt dit verschijnsel in zijn boek Edge City uit 1991, aan de hand van de opkomst van buitenwijken met reusachtige kantoorruimtes naast de gebruikelijke huizen en winkelcentra. Bedrijven trokken weg uit de stad omdat ze niet alleen lagere huurprijzen wilden maar ook de 'best opgeleide, betrouwbaarste, meest stabiele arbeidskrachten’. Ze vonden hun beste kandidaten onder 'vaak niet-werkende vrouwen in middenklasse-gemeenschappen aan de rand van de oude stedelijke gebieden’. Garreau legt speciale nadruk op 1978, het piekjaar voor vrouwen die toetraden tot de arbeidsmarkt. Toen spierkracht eenmaal geen vacature-eis meer was, kwamen vrouwen vaak beter uit de bus dan mannen. Ze waren slim, plichtsgetrouw en, zolang werkgevers de baan geschikt genoeg voor ze kon maken, betrouwbaarder.
De opwaartse mars van vrouwen hapert natuurlijk in de buurt van de top van de banenpiramide. Prominente vrouwelijke ceo’s zijn, in heden en verleden, zo zeldzaam dat ze gelden als minor celebrities, en de meesten van ons kennen hun namen uit de economiekaternen: Meg Whitman bij eBay, Carly Fiorina bij Hewlett-Packard, Anne Mulcahy en Ursula Burns bij Xerox, Indra Nooyi bij PepsiCo. Slechts drie procent van de ceo’s op de Fortune 500 is vrouw, en dat aantal is nooit veel hoger geweest.
Maar zelfs de manier waarop deze kwestie nu wordt 'geframed’ laat zien dat de greep van mannen op de macht in elitekringen misschien aan het verslappen is. In business-kringen wordt het gebrek aan vrouwen aan de top beschreven als een 'brain drain’ en een crisis in het 'vasthouden van talent’. En ook al zijn vrouwelijke ceo’s misschien zeldzaam bij de grootste bedrijven van Amerika, ze hebben een hoge prijs: vorig jaar verdienden ze 43 procent meer dan hun mannelijke evenknieën, gemiddeld, en kregen grotere loonsverhogingen.
ZELFS ROND DE DELICATE kwestie van werkende moeders zijn de standpunten aan het verschuiven. Voor mensen van beide geslachten die recentelijk afstudeerden staan flexibele regelingen boven aan de lijst van eisen voor de werkomgeving, volgens een onderzoek dat vorig jaar werd gepubliceerd in de Harvard Business Review. En bedrijven die graag getalenteerde werknemers en managers aantrekken en houden, reageren.
'Vrouwen kloppen op de deur van leiderschap precies op het moment dat hun talenten bij uitstek overeenkomen met de eisen van de dag’, schrijft David Gergen in de inleiding bij Enlightened Power: How Women Are Transforming the Practice of Leadership. Wat zijn die talenten? Ooit vond men dat leiders agressief en competitief moesten zijn, en dat mannen dat van nature allebei méér zijn. Maar psychologisch onderzoek heeft dat beeld gecompliceerd. In laboratoriumonderzoeken waarin onderhandelingen worden nagebootst, zijn mannen en vrouwen ongeveer even assertief en competitief, met lichte variaties. Mannen zetten zichzelf vaak neer op een sturende, controlerende manier, terwijl vrouwen vaak rekening houden met de rechten van anderen, maar beide stijlen zijn even effectief, schrijven de psychologen Alice Eagly en Linda Carli in hun boek Through the Labyrinth uit 2007.
In de loop der jaren hebben onderzoekers die verschillen soms overdreven en de specifieke talenten van vrouwen beschreven in grove seksestereotypen: vrouwen als meer empathisch, beter in compromissen en betere laterale denkers; vrouwen als brengsters van een superieure morele sensibiliteit in een meedogenloze zakenwereld. In de jaren negentig leek dit domein van feministische bedrijfstheorie per se zijn gelijk te willen halen op dit punt. Maar na de jongste financiële crisis ondervinden die ideeën meer instemming. Onderzoekers zijn gaan kijken naar de relatie tussen testosteron en extreme risico’s en vroegen zich af of groepen mannen elkaar op een basale hormonale manier opjutten om roekeloze beslissingen te nemen. Het beeld dat opdoemt is een spiegelbeeld van de traditionele sekse-landkaart: mannen en de markt aan de kant van het irrationele en overemotionele, en vrouwen aan de kant van het coole en verstandelijke.
We weten nog niet zeker of testosteron echt een sterke invloed heeft op besluitneming in het bedrijfsleven. Maar ons beeld van de ideale zakelijk leider verschuift. Het oude model van command and control, beveel en beheers, waarbij één leider alle beslissingsmacht heeft, wordt beschouwd als kleingeestig, bekrompen. Het nieuwe model wordt soms 'post-heroïsch’ genoemd of 'transformationeel’ in de woorden van de historicus en leiderschapsdeskundige James MacGregor Burns. Het doel is je te gedragen als een goede coach, en je uitstraling te gebruiken om anderen te motiveren om hard te werken en creatief te zijn. Het model wordt niet expliciet als feministisch gedefinieerd, maar er klinkt literatuur over man-vrouw-verschillen in door. Er is bijvoorbeeld een cursus op Columbia Business School waar verstandig leiderschap en sociale intelligentie wordt gedoceerd, inclusief het beter lezen van gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal. 'We zeggen nooit: “Ontwikkel je vrouwelijke kant”, maar het is duidelijk dat we dat wel propageren’, zegt Jamie Ladge.
Een studie uit 2008 probeerde het effect van deze meer-vrouwelijke managementstijl te kwantificeren. Onderzoekers aan Columbia Business School en de University of Maryland analyseerden gegevens over de top van de 1500 Amerikaanse bedrijven van 1992 tot 2006 om de relatie vast te stellen tussen bedrijfsprestaties en de vertegenwoordiging van vrouwen in het hoger management. Bedrijven met vrouwen op topposities presteerden beter, met name wanneer het bedrijf sterk innovatiegericht was, waarbij, zo stelden de onderzoekers, 'creativiteit en samenwerking van bijzonder belang kunnen zijn’ - een passende beschrijving van de economie van de toekomst.

DE TOEKOMST - van de beroepsbevolking, de economie en de cultuur - is te zien op de colleges en beroepsopleidingen van Amerika. Daar is een stille revolutie aan de gang. Meer dan ooit is een hogere opleiding de poort naar economisch succes, een noodzakelijke voorwaarde om op te klimmen tot de hogere - en steeds meer zelfs de middenklasse. Het is die uitgebreide, ijverige middenklasse die onze maatschappij definieert. En demografisch kunnen we haarscherp zien dat in de komende decennia de middenklasse zal worden gedomineerd door vrouwen.
We hebben allemaal gehoord over de seksekloof in het hoger onderwijs. Maar de implicaties daarvan zijn nog niet helemaal verteerd. Vrouwen bezitten nu zestig procent van alle master-diploma’s, ongeveer de helft van alle juridische en medische graden, en 42 procent van alle mba’s. Het belangrijkste is dat vrouwen bijna zestig procent van alle bachelor-diploma’s halen - het minimumvereiste, meestal, voor een welvarend leven. In schril contrast met de jaren zeventig hebben mannen tegenwoordig vaker dan vrouwen alleen maar een middelbareschooldiploma.
Dit voorjaar bezocht ik een paar scholen rond Kansas City om een beeld te krijgen van de seksedynamiek van het hoger onderwijs. Ik begon op de campus van Metropolitan Community College in de binnenstad. Metropolitan is zo'n plek waar mensen praktische beroepsvaardigheden leren en op de hoogte blijven van de veranderende economie, en net als op de meeste community colleges van vandaag, waren mannen er verdacht afwezig. Op een middag in de kelderkantine probeerden een paar vrouwen hun hoofd bij hun biologieboek te houden en de sms'jes van hun babysitters te negeren. Een ander groepje stond buiten de damestoiletten elkaars haar te vlechten.
Toen Bernard Franklin in 2005 president van de campus werd, keek hij om zich heen en zei in het begin al tegen zijn staf dat hun nieuwe prioriteit was om 'meer jongens te rekruteren’. Hij zette bijlesprogramma’s op en men only-studiegroepen en studentenraden. Hij deed speciaal zijn best om contact te leggen met mannelijke studenten, die hem 'Suit’ noemden. 'Sommige van mijn feministes waren boos’, herinnert hij zich. Toch spoelt, een paar jaar later, de vloedgolf van vrouwen nog steeds door de school - ze maken nu zo'n zeventig procent van de studenten uit. Ze komen om verpleger of leraar te worden - African-American vrouwen, meestal een paar jaar ouder dan traditionele hbo-studenten, en recent blanke vrouwen uit de arbeidersklasse in de suburbs die op een goedkope manier een papiertje willen halen. En de mannen? Wat dat betreft is er weinig veranderd. 'Ik herinner me een jongen die echt slim was’, vertelde een van de counselors van de school me. 'Maar hij studeerde op zesdeklas-niveau en schaamde zich tegenover de vrouwen. Hij moest zijn boeken verstoppen voor zijn vrienden, die hem plaagden wanneer hij studeerde. Toen kwamen de excuses. “Het is lente, ik moet honkballen.” “Het is winter, te koud.” Hij heeft het niet gehaald.’

DE SEKSEKLOOF onder studenten begon een paar jaar na 2000 voor sommige mensen in kringen van hogere opleidingen op een crisis te lijken. Het kwam niet alleen naar boven in community colleges en kunstacademies maar ook op vooraanstaande openbare universiteiten. Net als veel van deze scholen gaat de University of Missouri in Kansas City, een full research-universiteit met ruim dertienduizend studenten, nu in de richting van zestig procent vrouwen, een niveau waarvan veel toelatingsambtenaren vrezen dat het de sfeer en de reputatie van een school voorgoed zou kunnen veranderen. In februari ging ik op bezoek bij Ashley Burress, voorzitter van de studentenraad van umkc. (De andere drie leden van het studentenbestuur waren dit jaar ook vrouwen.) Burress, een knappe, kleine, zwarte graduate student van 24 die afstudeert in de farmacie, had veel van dezelfde klachten die ik ook van andere jonge vrouwen hoorde. Jongens geven elkaar een high-five als ze een zeven halen, terwijl meisjes zichzelf voor de kop slaan met een acht. Jongens doen computerspelletjes bij elkaar op de kamer, terwijl meisjes naar de bibliotheek gaan. Meisjes halen hun diploma zonder enig probleem, terwijl jongens altijd lijken af te dwalen. 'In 2012 ben ik dr. Burress’, zei ze. 'Moet ik dan omgaan met jongens die niet eens een bachelor hebben? Ik wil best daten, maar de keuze wordt wel erg klein.’ >
umkc is een school voor de arbeiders- en middenklasse - het soort plek waar traditionele sekserollen misschien niet worden verafschuwd. Toch besefte ik toen ik dit voorjaar met studenten praatte hoezeer de fundamentele verwachtingen voor mannen en vrouwen waren verschoven. Veel moeders van de vrouwen waren pas later in hun leven hun carrière begonnen, soms na een scheiding, en ze hadden hun dochters ingeprent dat die zelf eerder aan een loopbaan moesten beginnen.

VICTORIA, MICHELLE en Erin zijn dispuutgenoten. Victoria’s moeder is parttime barkeeper in een hotel. Victoria studeert af in de biologie en wil chirurg worden; binnenkort meldt ze zich aan bij een paar vervolgopleidingen. Ze wil voorlopig nog geen kinderen, want ze weet dat ze 'minstens honderd uur per week in het ziekenhuis zal zijn’, en als ze wel kinderen krijgt, nou, dan is zij 'de hotshot-chirurg, en hij’ - een naamloze hij - 'is dan thuis om met de kinderen te spelen’.
Michelle, een zelfverklaard 'perfectionist’, heeft haar leven ook al uitgetekend. Ze studeert af in de psychologie en wil gezinstherapeut worden. Na college gaat ze zich inschrijven bij een graduate school en een stageplaats zoeken. Ze is zich heel goed bewust van de mogelijkheden voor loopbaanadvies die er op de campus zijn. En haar verloofde?
Michelle: Hij is ongeveer zestien keer veranderd van studie. Vorige week wilde hij tandarts worden. Deze week milieuwetenschapper.
Onder traditionele college-studenten uit gezinnen met een hoog inkomen is de seksekloof grotendeels aan het verdwijnen. Maar het verhaal is niet zo eenvoudig. Rijkere studenten gaan vaak naar elitaire privé-scholen, en elitaire privé-scholen hanteren zo hun eigen regels. In stilte hebben ze een nieuwe grens van positieve discriminatie geslecht, waarbij jongens de rol spelen van ondergeprivilegieerde sollicitanten die een extra boost nodig hebben. In 2003 bleek uit een onderzoek van de economen Sandy Baum en Eban Goodstein dat bij kunstacademies die selecteren het feit dat je man bent de kans dat je wordt toegelaten vergroot met 6,5 tot negen procentpunten. Nu heeft de U.S. Commission on Civil Rights ervoor gestemd om te onderzoeken wat sommige academici hebben beschreven als het 'publiek geheim’ dat private scholen 'discrimineren bij de poort om in stand te houden wat zij beschouwen als een passend sekse-evenwicht’.
Om te vermijden dat de gewraakte zestig-procentsgrens wordt overschreden, hebben toelatingsambtenaren een taal gecreëerd om de tekortkomingen van de jongens te verbloemen: 'Ze zijn nog niet echt aan het nadenken.’ 'Komen langzaam op gang.’ 'Heeft zijn top nog niet bereikt.’ 'Holistisch beeld.’ Af en toe is Jennifer Delahunty, de deken van toelating en financiële ondersteuning van Kenyon College in Ohio, zo bezorgd over 'te hoog opgeleide vrouwen’ en 'te laag opgeleide mannen’ dat ze voor de grap zegt dat ze overal complotten begint te zien. Op een dag belde ze haar zus, een kinderarts, om haar nieuwste theorie te toetsen: 'Misschien zijn die jongens genetisch als kanaries in een kolenmijn en absorberen ze zo veel gifstoffen en slechte dingen in het milieu dat hun dna aan het veranderen is. Misschien zijn ze net als die kikkers - ze zijn kwetsbaarder of zo, dus zijn ze misvormd geraakt.’
Sinds de jaren tachtig, toen vrouwen de hogescholen en universiteiten begonnen te overspoelen, is het aandeel van mannen veel langzamer gegroeid. En de verschillen beginnen al eerder. In de loop van de jaren negentig maakten verscheidene schrijvers en onderzoekers zich druk over de vraag waarom jongens leken te mislukken op elk niveau van het onderwijs, vanaf de lagere school, en legden verschillende valkuilen bloot: een slecht onderlegd soort feminisme dat normale jongens behandelde als aanranders in de dop; een andere hersenchemie; een veeleisend, verbaal gericht onderwijsprogramma dat de interesses van jongens negeerde. Maar nogmaals, het is helemaal niet zo duidelijk dat jongens disfunctioneler zijn geworden - of op een of andere manier zijn veranderd. Wat duidelijk is, is dat scholen, net als de economie, nu prijs stellen op zelfbeheersing, concentratie en verbale vaardigheid, dingen die jonge meisjes makkelijker af lijken te gaan.
Onderzoekers hebben allerlei oplossingen voorgesteld. Er is een beweging aan het groeien die voor meer scholen en klassen is met alleen maar jongens, en voor het respecteren van de individuele leerstijlen van jongens. Er zijn mensen die vinden dat jongens tijdens de les moeten mogen rondlopen, of langer over proefwerken mogen doen, of boeken en proefwerken moeten krijgen die passen bij wat ze interesseert. Sommige colleges wilden zo wanhopig graag jongens bereiken dat ze sportteams opzetten en technische programma’s bedachten. De meeste van de speciale aanpassingen klinken erg als het soort positieve discriminatie dat in de loop der jaren werd voorgesteld voor vrouwen - wat op zichzelf een verontrustende draai is.

HOE ZOU EEN SAMENLEVING eruitzien waarin vrouwen de baas zijn? We hebben al een idee. Dit is voor het eerst dat het cohort van Amerikanen tussen de dertig en 44 jaar meer hoog opgeleide vrouwen dan hoog opgeleide mannen heeft, en de effecten daarvan zetten de traditionele Cleaver-gezinsdynamiek op z'n kop. In 1970 droegen vrouwen twee tot zes procent van het gezinsinkomen bij. Tegenwoordig brengt de typische werkende vrouw 42,2 procent mee naar huis, en vier op de tien moeders - van wie veel alleenstaande moeders - zijn de primaire kostwinners in hun gezin. De hele kwestie of moeders moeten werken is een hypothetische, stelt Heather Boushey van het Center for American Progress, 'want dat doen ze namelijk gewoon. Het zo geïdealiseerde gezin - hij werkt, zij blijft thuis - bestaat nauwelijks nog.’
De voorwaarden voor een huwelijk zijn sinds 1970 ingrijpend veranderd. Het inkomen van de vrouw was altijd de belangrijkste factor om te bepalen of een gezin opklimt op de sociale ladder of op dezelfde plaats blijft. En steeds grotere aantallen vrouwen - die geen mannen kunnen vinden met een vergelijkbare loonstrook en opleiding - geven het huwelijk helemaal op. In 1970 was 84 procent van de vrouwen tussen de dertig en 44 getrouwd; nu zestig procent. In 2007 was van de Amerikaanse vrouwen zonder een middelbareschooldiploma 43 procent getrouwd. En toch, hoezeer we ook de eenzame ouwe vrijster betreuren, de echte loser in de maatschappij - de enige die sinds de jaren zeventig maar minimale financiële vooruitgang heeft geboekt - is de alleenstaande man, arm of rijk, hoog opgeleid of niet. De merries kunnen feestvieren; het zijn de hengstenbals die voorbij zijn.
Socioloog Kathryn Edin praatte gedurende vijf jaar met moeders met een laag inkomen in de binnenste suburbs van Philadelphia. Zij ontdekte dat veel van die buurten waren veranderd in matriarchaten, waarin vrouwen alle beslissingen namen en dicteerden wat de mannen moesten doen of laten. 'Volgens mij hebben feministen niet begrepen’, vertelde Edin me, 'hoeveel macht vrouwen hebben’ wanneer ze niet zijn gebonden door het huwelijk. De vrouwen, verklaarde ze, 'nemen elke belangrijke beslissing’ - over het nemen van een kind, hoe het op te voeden, waar te wonen. 'Het is zonder meer “my way or the highway”, we doen het zoals ik het zeg anders ga je maar weg, zei ze. 'Dertig jaar geleden waren de culturele normen zo dat de vaders zouden zeggen: “Ja doei, zorg dan maar dat je me te pakken krijgt.” Nu willen ze dolgraag vader zijn, maar ze zijn er pessimistisch over of ze wel kunnen voldoen aan haar verwachtingen.’ De vrouwen willen hen niet als echtgenoot, en ze hebben geen vast inkomen om voor ze te zorgen. Dus wat hebben ze dan wel?
'Niks’, zegt Edin. 'Ze hebben niets. De mannen werden vermorzeld in de recessie van de jaren negentig, en daarna is het nooit beter geworden. En nu is het gewoon verschrikkelijk.’
De situatie van nu is niet, zoals Edin graag zegt, een 'feministisch nirvana’. Het verschijnsel van ongetrouwde ouders die kinderen krijgen 'heeft zich verspreid naar barrios en trailer parks en landelijke gebieden en kleine steden’, zegt Edin, en het kruipt omhoog op de maatschappelijke ladder. Na een tijdje stabiel te zijn geweest sprong in de laatste paar jaar het aandeel van Amerikaanse kinderen van ongetrouwde ouders naar veertig procent. Veel van hun moeders hebben het financieel moeilijk; de meest succesvolle van hen werken en gaan naar school en wringen zich in bochten om de kinderen eten te kunnen geven, en vallen dan op school in slaap.
Maar ze zijn wel de baas. 'De veranderingen in gezinnen in de laatste veertig jaar hebben slecht uitgepakt voor mannen en slecht voor kinderen, maar het is niet duidelijk dat ze ook slecht zijn voor vrouwen’, zegt W. Bradford Wilcox, hoofd van het National Marriage Project van University of Virginia.
In de loop der jaren hebben onderzoekers verschillende theorieën voorgesteld om de erosie van het huwelijk in de lagere klassen te verklaren: de opkomst van de sociale bijstand, of het verdwijnen van werk en daardoor van huwbare mannen. Maar volgens Edin is de meest fascinerende theorie dat het huwelijk is verdwenen omdat vrouwen de voorwaarden bepalen - en de eisen die ze stellen zijn te hoog voor de mannen in hun omgeving. 'Ik wil die huisje-boompje-beestje-droom’, vertelde een vrouw aan Edin, maar de mannen die ze kende voldeden niet, dus was ze zelf een één-vrouw-moeder/vader/verzorger/kostwinner geworden. De toekomst van het hele land zou heel goed kunnen lijken op het heden voor veel zwarte Amerikanen uit de lagere klasse: de moeders werken zichzelf omhoog, maar de mannen volgen niet. Eerste-generatie blanke vrouwen met een college-diploma zouden zich bij hun zwarte evenknieën kunnen aansluiten in een nieuw soort middenklasse, waar het huwelijk steeds ongewoner is.
Nu de traditionele orde op z'n kop is gezet, zijn op allerlei plaatsen de tekenen van de diepe ontwrichting te zien. Japan is in een staat van nationale paniek vanwege de opkomst van de 'herbivoren’, het cohort jonge mannen die het leven als loonslaaf van hun vader afwijzen, en in plaats daarvan tuinieren, dessertparty’s organiseren, zich karikaturaal vrouwelijk gedragen en geen seks willen hebben. Hun jonge vrouwelijke tegenhangers staan in Japan bekend als de 'carnivoren’, of soms als de 'jagers’.
Hoe meer vrouwen domineren, hoe meer ze zich, heel toepasselijk, gedragen als het overheersende geslacht. Sinds de jaren tachtig is het geweld gepleegd door middelbare vrouwen enorm toegenomen, en niemand weet waarom. High-profile vrouwelijke moordenaars zijn regelmatig in het nieuw geweest: Amy Bishop, de moorddadige professor uit Alabama; Jihad Jane en haar hulpje, Jihad Jamie; de jongste generatie van Zwarte Weduwen, verantwoordelijk voor zelfmoordaanslagen in Rusland. In Roman Polanski’s film The Ghost Writer is de traditionele politieke echtgenote herschreven tot een ijskoude moordenaar in het hart van een kwaadaardige samenzwering. In haar videoclip Telephone herschrijft Lady Gaga, met haar onfeilbare radar voor de culturele edge, Thelma and Louise als een verhaal dat niet gaat over ongrijpbaar empowerment van vrouwen die voor zichzelf opkomen, maar over pure, genadeloze macht. In plaats van zelfmoord te plegen, vermoorden zij en haar vriendin (gespeeld door Beyonce) een slecht vriendje en willekeurige anderen en ontsnappen in hun gele pickup-truck. Gaga roept stoer: 'We did it, Honey B.’
De Marlboro Man, de meester van het wilde beest en het woeste land, lijkt inmiddels te vergezocht en bijna belachelijk om reclame mee te maken. Zijn moderne equivalenten zijn de onvolgroeide mannen in de Dodge Charger-reclame die te zien was tijdens de Super Bowl in februari. Je zou denken dat Super Bowl Sunday dé dag is voor een filmische bejubeling van het machismo. Mannen in Super Bowl-commercials horen ballen te gooien en op motoren te racen en alles te doen wat mannen zich voorstellen dat ze de hele dag konden doen als er maar geen vrouwen waren die ze in de weg zitten.
Maar in plaats daarvan staren vier mannen in de camera, zonder te glimlachen, vrijwel zonder te bewegen. Ze zien eruit alsof ze verdoofd zijn en zich nauwelijks overeind kunnen houden in de wind. Hun lippen bewegen niet, maar een voice-over legt hun situatie uit - hoe ze tot zwijgen zijn gebracht door de eisen van saaie werkgevers en milieu-fascisten en vrouwen. Vooral vrouwen. 'Ik doe de bril omlaag, ik scheid het afval, ik neem je lippenbalsem mee.’ Dat laatste - lippenbalsem - wordt uitgedrukt met een heel klein beetje emotie, het enige teken van hun onderdrukte woede jegens de dominatrix, de meesteres. Dan snijdt de commercial abrupt naar de fantasie: een Dodge Charger die naar de camera toe komt rijden en dan de tekst in vette kapitalen: MAN’S LAST STAND ('het laatste gevecht van de man’).
Maar het motto overtuigt niet. Na dat vertoon van stomheid en passiviteit kun je je alleen maar voorstellen dat achter het stuur van het monster een vrouw zit, met glanzende lippen.

© Atlantic Monthly
Vertaling Rob van Erkelens


Vrouwen in het onderwijs
Sinds kort zijn ook in Nederland vrouwen in het hoger en wetenschappelijk onderwijs in de meerderheid. In het studiejaar 2008-2009 studeerden op het hbo 152.000 vrouwen en 133.000 mannen, en aan de universiteit 87.000 vrouwen en 76.000 mannen. Het zijn echter nog steeds vooral mannen (88,3%) die hoogleraar worden.
Dezelfde ontwikkeling is zichtbaar in het middelbaar onderwijs. Op het vwo haalden afgelopen jaar drieduizend meer vrouwen dan mannen hun diploma en ook op de havo en in de hogere opleidingen van het mbo zijn vrouwen in de meerderheid. Meisjes halen hogere cijfers, blijven minder vaak zitten en kennen veel minder leerproblemen of schooluitval. Jongens hebben tien keer zo vaak last van ADHD, dyslexie of problemen als stotteren. Ook allochtone meisjes doen het beter dan jongens.
Hoe is dit te verklaren? Sommigen voeren de vermeende ‘feminisering’ van het onderwijs aan. Onze huidige onderwijsvorm zou geschikter zijn voor meisjes wegens de nadruk op taal, brede interesse en intrinsieke motivatie. Jongens leren later dan meisjes goed lezen en kunnen zich minder goed concentreren. Ook het verhoogde aantal vrouwelijke leerkrachten zou niet bevorderlijk zijn voor jongens. Anderen wijzen er echter op dat in het basisschoolonderwijs, waar vooral vrouwelijke leerkrachten werken, de prestatieverschillen tussen jongens en meisjes juist het kleinst zijn. Volgens hen was al in de jaren vijftig het rendement van meisjes in het onderwijs veel hoger. De verschillen komen nu sterker tot uiting wegens de toegenomen cijfergerichtheid en omdat meer meisjes de kans krijgen om door te leren.
Sommigen zien de oplossing voor de ‘achtergebleven prestaties’ van jongens in een terugkeer naar het gescheiden onderwijs. Experimenten tonen echter aan dat daarbij de prestaties van meisjes omhoog gaan en die van jongens naar beneden. De waarschijnlijke verklaring: gemengde klassen zijn rustiger – door de aanwezigheid van meisjes.
LIESBETH BENEDER

Bronnen: Jeugdmonitor 2010, CBS, Stichting Beauvoir


Vrouwen op de arbeidsmarkt
Het aantal werkende vrouwen in Nederland is de afgelopen jaren fors toegenomen. In 1996 was veertig procent van de vrouwen werkzaam, in 2009 had meer dan zeventig procent een baan. Ook moeders van jonge kinderen, die voorheen thuisbleven, nemen steeds vaker deel aan het arbeidsproces. Wel is er een duidelijk verschil tussen de arbeidsparticipatie van hoog en lager opgeleide vrouwen. In de periode 2006 tot 2008 nam 57 procent van de laagopgeleide vrouwen deel aan de arbeidsmarkt, onder hoger opgeleide vrouwen was dat 82 procent.
Vrouwen zijn vooral meer gaan werken in de traditionele vrouwensectoren, zoals de zorg. De seksescheiding op de arbeidsmarkt is in Nederland dan ook niet afgenomen. Er is zelfs een lichte toename sinds 2001.
Binnen Nederlandse gezinnen bestaat vaak nog een traditionele taakverdeling. Een meerderheid van de bevolking is voorstander van een gelijke verdeling van huishoudelijk en betaald werk, maar in de praktijk besteden vooral vrouwen tijd aan het huishouden en de zorg voor kinderen.
In vergelijking met andere EU-landen is de arbeidsparticipatie van de Nederlandse vrouw hoog. Maar in andere EU landen heeft het merendeel van de werkende vrouwen een fulltime baan, terwijl in Nederland driekwart van de vrouwen op de arbeidsmarkt parttime werkt.
Vrouwen verdienen in Nederland gemiddeld twintig procent minder dan mannen. Vooral wegens parttime werken en wegens een onderbreking van de carrière – vaak om een gezin te stichten. De Universiteit Utrecht toonde aan dat ook willekeur van leidinggevenden een rol speelt. Bij dezelfde baan en gelijke ervaring kregen vrouwen vaak toch een lager startersloon. Ook het feit dat vrouwen minder vaak leidinggevende functies hebben haalt het gemiddelde vrouwensalaris naar beneden. Wel tekende zich de afgelopen twee jaar een lichte toename van vrouwen in de top van het bedrijfsleven af.
MARIËTTE HUMMEL

Bronnen: Emancipatiemonitor, Loonwijzer, European Commision for Equal Opportunities, CBS