18 april 1960– 11 september 2012

Het einde: John Christopher Stevens

Hij was geen krijtstreep­ambassadeur en bestudeerde alles wat Libisch was. De Amerikaanse diplomaat sprak vloeiend Arabisch en zocht actief contact met activisten, diplomaten en journalisten. ‘Hij stierf op de manier waarop hij leefde: Overal middenin.’

Slechts enkele uren na de formele bevestiging van de dood van Chris Stevens, de Amerikaanse ambassadeur in Libië, was zijn Facebook-pagina getransformeerd tot een virtueel condoleance­register. Familieleden en vrienden uit verschillende fases van zijn leven – school, studie, het Peace Corps (de door president Kennedy in het leven geroepen vrijwilligers­organisatie), de diplomatieke dienst – plaatsten foto’s en deelden anekdotes. ‘In 1983, tijdens onze Peace Corps-opleiding in Marokko, viel een lange, blonde jongen ons op omdat hij altijd zei dat hij ooit ambassadeur wilde worden’, schreef bijvoorbeeld Valerie Staats, tegenwoordig Peace Corps-directeur in Sierra Leone. ‘En we twijfelden niet aan zijn woorden.’

Stevens arriveerde in april 2011 op een Grieks vrachtschip in Libië. Vanwege de opstand tegen het regime van kolonel Moammar Kadhafi was het onmogelijk per vliegtuig het land binnen te komen. Behalve Amerikaanse diplomaten vervoerde het vrachtschip bewakers en genoeg voertuigen en apparatuur om midden in een gewapend conflict een diplomatiek bruggenhoofd op te zetten. De eerste nacht in Libië brachten Stevens en de zijnen door op het vrachtschip, voor de kust van havenplaats Ben­ghazi.

De Navo-interventie middels luchtbombardementen was toen al op gang gekomen. In Benghazi hadden rebellen een plein omgedoopt tot Freedom Square en daar Amerikaanse, Engelse en Franse vlaggen opgehangen. Dat dit niet betekende dat Benghazi daarmee een veilige plek voor Amerikaanse diplomaten was geworden, bleek toen een autobom ontplofte op het parkeerterrein van het hotel waarin Stevens zich in eerste instantie had gevestigd. De villa waarheen hij vervolgens verkaste, is waar hij een ruim jaar later gedood zou worden. Hij was er ditmaal slechts een logé, op bezoek in Benghazi vanwege de opening van een cultureel centrum dat de banden tussen Amerika en het nieuwe Libië moet helpen aanhalen. Zo werd Stevens de eerste Amerikaanse ambassadeur sinds 1979, na Adolph Dubs in Afghanistan, die in actieve dienst werd gedood. De officiële lezing luidt dat Stevens stierf door verstikking, het gevolg van zware rookontwikkeling tijdens de aanval op de Amerikaanse missie in Benghazi.

‘Het beeld van de ambassadeur die in krijtstreeppak druk de cocktailparty’s af loopt, dat was niet Chris Stevens’, zei Jeffrey Feltman, een VN-functionaris die in het verleden met Stevens gewerkt heeft, tegen The New York Times. Stevens mengde zich net zo lief onder de plaatselijke bevolking, hetgeen hem in het Midden-Oosten extra goed afging doordat hij vloeiend Arabisch sprak. In Jeruzalem hing hij graag rond in de door Arabieren bestierde winkeltjes, in de Libische hoofdstad Tripoli was hij vaak te vinden in de koffiehuizen. Zijn kennis van de regio ging verder dan de taal. Stevens stond bekend als een groot kenner van de Arabische cultuur en politiek, hetgeen zijn basis had in zijn jaren bij het Peace Corps, die hij begon als leraar Engels in het Atlasgebergte in Marokko.

Stevens groeide op in de buurt van Oakland, waar hij ook studeerde aan de University of California (Berkeley). In 1991 trad hij, een jonge dertiger, toe tot de diplomatieke dienst. Het grootste deel van zijn carrière bracht hij door in het Midden-Oosten – achtereenvolgens in Syrië, Egypte, Saoedi-Arabië en Israël, waar hij zich richtte op de Palestijnse gebieden.

In de Kadhafi-jaren was Stevens de tweede man op de ambassade. Tijdens de revolutie in Libië werd hij de voornaamste Amerikaanse gesprekspartner voor de rebellen. Voor die rol werd hij na de omwenteling beloond met de benoeming tot eerste ambassadeur in post-Kadhafi Libië. Geen eenvoudige post, zo begreep hij ook zelf. ‘We weten dat Libië nog herstellende is van een intense periode vol conflict’, zei hij in een video waarin hij zich begin dit jaar presenteerde als de nieuwe ambassadeur. ‘En er zijn veel Libiërs die littekens dragen van die strijd.’

Al gauw bouwde Stevens de reputatie op van een ijverige student van alles wat Libisch is. Hij volgde de Libische politiek intensief en zocht actief contact met activisten, diplomaten en journalisten. Zijn dagelijkse hardloopsessies voerden hem langs geiten­boerderijen, olijfgaarden en wijngaarden in de omgeving rond Tripoli. ‘De enige troost, hoe schraal ook, is dat hij stierf op de manier waarop hij leefde’, zei de schrijver, acteur en jeugdvriend Austin Tichenor tegen de Washington Post: ‘Overal middenin.’

Dit alles maakte dat Stevens een diplomaat was met een bovengemiddelde kennis van het Midden-Oosten. Maar Stevens’ wereldwijsheid strekte zich verder uit dan die ene conflictueuze regio, zo benadrukte _New York Times-_columnist Roger Cohen vrijdag. ‘Stevens begreep de hedendaagse globale onderlinge afhankelijkheid’, schreef Cohen, die bevriend met hem was vanwege zijn jaren als Midden-Oosten-correspondent. ‘Hij hield van zijn eigen land, maar begreep dat je het niet aan de rest van de wereld kunt opdringen. Vorig jaar, op 4 juli, toen de strijd tegen Kadhafi nog in volle gang was, stuurde hij een bericht aan vrienden en familie.’ Stevens schreef: ‘Ik hoop dat jullie allemaal genieten van een heerlijke 4th, met volop bier, ijs, hamburgers en Chinees vuurwerk. Ik herinner me nog de sterretjesstaafjes die we als kinderen hadden in Grass Valley en waarmee we door het gras renden, onderwijl ons haar en wenkbrauwen verschroeiend.’ Zelf had hij in Libië net een feestje gegeven ter ere van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag, met ‘een heel lam, geroosterde kip, Arabische salades en gebak’. Hij eindigde zijn bericht door de hoop te uiten dat ‘ook Libiërs op een dag hun vrijheid kunnen vieren’.

Chris Stevens hing graag rond in door Arabieren bestierde winkeltjes