3 december 1925 – 18 augustus 2009

Het einde: Kim Dae-jung

‘De Aziatische Mandela’ was een politieke boss en een visionair die Zuid-Korea trachtte te hervormen. De vijandschap met Noord-Korea wilde hij omzetten in broederschap. Kim was er vooral trots op dat onder zijn bewind alle traangasfabrieken in het land hadden moeten sluiten.

DE EERSTE MOORDAANSLAG op Kim Dae-jung werd uitgevoerd met een vrachtwagen. Twee jaar later stond hij na een ontvoering geboeid op het dek van een schip en werden er al gewichten aan hem vastgemaakt voor een reis naar de bodem, toen er een telefoontje kwam dat gelastte om terug te keren en hem maar een paar dagen af te tuigen. Het aantal mislukte aanslagen op Kim lag vermoedelijk rond de vijf, het aantal malen dat hij een pak slaag kreeg of onvrijwillige kofferbakritjes maakte lag een stuk hoger, en in de rij obstakels die hij moest overwinnen figureerden verder een veroordeling ter dood door ophanging, twee maanden marteling, ballingschap, kidnapping uit het buitenland en nog wat mythische beproevingen. Wie een Zuid-Koreaan in de jaren zeventig had verteld dat Kim Dae-jung op 83-jarige leeftijd een natuurlijke dood zou sterven, en daar bij had verteld dat Kim president zou worden en in die hoedanigheid de grens met Noord-Korea over zou vliegen om daar de dictator aan de borst te drukken, was ongetwijfeld smakelijk uitgelachen.
Kim Dae-jung was een man die zijn rug recht hield onder de ergste beproevingen, daarna zijn land op een nieuwe koers voor de toekomst zette, en zijn laatste jaren sleet met weeklagen over hoe alles waar hij voor gewerkt had verkruimelde.
Het decor is een land van heftige emoties en vurige karakters. Na de Koreaanse oorlog van de jaren vijftig was Zuid-Korea straatarm en paranoïde. Massale demonstraties en geweld dwongen soms kortstondige experimenten met democratie af, maar doorgaans hielden de militairen een wurggreep op de macht en de openbare orde. Geen fijne tijd voor dissidenten en oppositieleiders, en wie zich toch zo opwierp moest niet bang of pieperig aangelegd zijn. Dat was Kim Dae-jung duidelijk niet, een jonge afgevaardigde uit de marginale provincie Cholla die vooral stond voor regiobelangen maar die zich ook in licht populistische woorden opwierp als man van de armen en van de democratiebeweging. Toen hij in 1971 nipt ‘verloor’ bij presidentsverkiezingen die als façade waren bedoeld voor de dictator, begonnen jaren van intimidatie die Kim naar Japan deden vluchten. Hij begon daar een democratiseringscampagne die het militaire regime zozeer ergerde dat de beruchte geheime dienst KCIA Kim uit een hotel ontvoerde en hem op zijn zeeavontuur trakteerde.
Een nieuwe kans voor Kim kwam in 1979, toen de baas van de Zuid-Koreaanse geheime dienst de dictator vermoordde. Een andere generaal greep de macht, waarop Kims provincie in opstand kwam. Kim werd ter dood veroordeeld, maar een brief van de paus en druk uit de VS, decennialang de steunpilaar van het militaire regime, maakten dat de straf werd omgezet in verbanning en later huisarrest. Toen het militaire regime in 1987 verbazend vreedzaam stierf na decennia van bloedige repressie van hervormingsbewegingen, slonk Kims aanhang langzaam. Als progressief in een conservatief land leek hij in vredestijd weinig kans meer te maken op het hoogste ambt. Uiteindelijk bracht de publieke onvrede over de Aziatische financiële crisis van de jaren negentig hem in 1998 toch naar het Blauwe Huis. Het betekende het einde van decennia van conservatief bestuur, al suggereert dat grotere hervormingen dan Kim waar kon maken – uiteindelijk was hij altijd evenzeer een politieke boss als een visionair die de bijnaam ‘de Aziatische Mandela’ kreeg.
Visionair was Kim wel in zijn nieuwe politiek ten opzichte van Noord-Korea, waarmee de oorlog alleen was bevroren en nooit werkelijk beëindigd. Kim geloofde dat de vijandschap kon worden omgezet in broederschap en bombardeerde het Noorden met goede bedoelingen. In 2000 leverde dat een perfect gechoreografeerd bezoek op aan Pyongyang en de Nobelprijs voor de vrede.
In het buitenland verzegelde dit Kims reputatie, maar in Zuid-Korea raakte die na dat hoogtepunt zijn glans kwijt. Kims anti-corruptie-imago ging onderuit toen zijn twee zoons werden opgepakt wegens omkoping; ook vader leek zich daaraan overgegeven te hebben: voorafgaand aan het baanbrekende bezoek bleek Kims regering een half miljard aan Pyongyang te hebben overgemaakt, wat de ‘doorbraak’ iets van een dure politieke schijnvoorstelling gaf. Dat idee werd versterkt doordat het Noorden onbezwaard verder ging met kernwapens in elkaar sleutelen, incidenten aan de grens uitlokken en betalingen voor van alles eisen. De gehypete familieherenigingen en de ‘gedeelde economische zone’ bleken eerder afpersmiddelen van het Noorden dan bouwstenen van een nieuwe toekomst. Het beloofde tegenbezoek van Noord-Korea’s dictator Kim Jong-il kwam er nooit, tot steeds bitterder geklaag van Kim Dae-jung.
Aan Kims reputatie wordt sindsdien aanhoudend geschaafd door de conservatieven. De Zonneschijn-politiek heet bij hen ‘De Tien Verloren Jaren’ en met hun corruptieonderzoeken brengen zij de progressieven tot wanhoop – zo sprong in mei Kims opvolger als president, de mensenrechtenactivist Roh Moo-hyun, van een klif nadat de onderzoeken hem mentaal hadden gebroken.
Toch lijkt Kims reputatie op lange termijn veilig. Het land is al decennia in de greep van een onverzoenlijke en bittere stammenstrijd tussen links en rechts, die door de conservatieven na de laatste machtswisseling enthousiast is opgepakt. Net als in de relaties met Noord-Korea stond Kim ook in eigen land voor verzoening – hij was de eerste machthebber in Zuid-Korea die zich niet toelegde op het berechten van de vorige lichting en hij was er bijzonder trots op dat onder zijn bewind alle traangasfabrieken in het land hadden moeten sluiten. Dat hij het mad clown-regime ten noorden niet heeft kunnen omvormen, zal de geschiedenis hem wel vergeven.