Waar blijven de nieuwe Grote Drie?

Het einde van de apenrots

Nergens waren de Grote Drie zo in brons gegoten als in Nederland. De polemieken tussen Harry Mulisch, W.F. Hermans en Gerard Reve hadden alles te maken met testosteron. Misschien verklaart dat waarom ze niet zullen worden opgevolgd: schrijvers hebben niet meer de grootste.

Medium hermans 030026001555

Dit najaar is het vijf jaar geleden dat Harry Mulisch overleed, als laatste van de Grote Drie, op 30 oktober. Een zaterdag. Mulisch’ oudste dochter Anna schreef erover in Hollands Diep: ‘Kitty sloot mijn vaders mond en bracht hem in vorm, als een beeldhouwer. Ik vouwde mijn hand om zijn kin, zodat zijn mond niet weer openviel, terwijl Kitty verband haalde uit de badkamer. Hij zag er prachtig uit. Zo breekbaar als hij was geworden, straalde hij nog altijd kracht uit.’

Hoewel zijn overlijden die zaterdagavond al rondsuisde op de sociale media werd zijn dood de volgende ochtend pas officieel bekendgemaakt door zijn uitgeverij, De Bezige Bij. De culturele televisieprogramma’s van die dag pasten direct hun uitzendingen aan, en sprokkelden gasten bij elkaar. Ik zat die avond in de uitzending bij Kunststof. Ik had net mijn eerste roman gepubliceerd, waarin een personage voorkwam dat alle uiterlijkheden van Mulisch had. Met zijn vrienden en kennissen aan tafel moest ik mijn best doen niet de hele tijd mijn boek naar de camera te houden: kijk lieve mensen, kopen!

Een week later volgde wat misschien een van de meest opmerkelijke tv-uitzendingen in de Nederlandse geschiedenis is geweest, de live-uitzending van zijn begrafenis: uniek, want behalve bij leden van het koninklijk huis gebeurt dat nooit. Een soort particuliere staatsbegrafenis. De kist met de overleden schrijver werd van zijn huis aan de Leidsekade naar de Stadsschouwburg gebracht, waar vrienden, collega’s en zijn kinderen over hem spraken, en daarna werd de kist per boot, over de Amstel, naar Zorgvlied gebracht. Hij werd begraven bij het pleintje waar ook zijn goede vriend Hans van Mierlo lag.

‘Harry Mulisch – toch sterfelijk’, kopte de Volkskrant maandagochtend, terwijl verschillende kranten in de categorie ‘de koning is dood; lang leve de koning’ pogingen deden de nieuwe Grote Drie aan te wijzen. NRC Handelsblad kwam uit op Arnon Grunberg, A.F.Th. van der Heijden en op, bizar genoeg, mij. Om redenen die het menselijk verstand te boven gaan werd het stukje opgeluisterd met een bewerkte foto waarbij onze gezichten in elkaar gemorphd waren, wat een soort gezicht opleverde dat je je ergste vijand nog niet zou toewensen.

Wat niet wegneemt dat NRC Handelsblad ook inhoudelijk uitgeleide deed. Arnold Heumakers schreef: ‘Als geen ander schreef Mulisch boeken die vertolkten wat er in Nederland leefde. Eigenlijk is dat een wonder, gelet op het esoterische karakter van zijn drijfveren. De Nederlandse literatuur zonder Harry Mulisch is als een kerk zonder toren, een land zonder hoofdstad, een cirkel zonder middelpunt.’

De metaforiek van Heumakers past bij Mulisch – vooral de cirkel; Mulisch had iets met geometrische metaforen – maar het past ook bij hoe de Nederlandse cultuur werkt. Natuurlijk heeft de Engelse, Franse of Duitse literatuur ook een Grote Drie, of Vier, of Vijf, maar nergens is die zo benoemd, zo statisch, zo in brons gegoten als hier. W.F. Hermans, Gerard Reve, Harry Mulisch – er zijn zelfs T-shirts met hun naam erop. Natuurlijk wordt er nog steeds wel eens gebakkeleid over wie überhaupt de Grote Drie waren – je hoort vaak genoeg schrijvers en critici die een van de leden zouden willen ruilen voor Jan Wolkers, of Hella S. Haasse – maar dat blijft uiteindelijk een achterhoedegevecht, voor de gewone lezer is het pleit al beslecht. Met dat in het achterhoofd is het misschien niet zo vreemd dat de media altijd zoeken naar de nieuwe Grote Drie, dat is blijkbaar hoe ons culturele landschap in elkaar zit, er is een hang naar een prominente hiërarchie, ‘een hoofdstad’.

De vraag is dan: waarom eigenlijk? En: waar blijven die nieuwe Grote Drie dan?

De meest voor de hand liggende mogelijkheid is dat de drie schrijvers het door hun schrijven afdwongen. In zekere zin kunnen we daar nu pas op terugblikken, aangezien er sinds dit jaar van alle drie biografieën zijn verschenen. Nop Maas schreef drie dikke delen over Gerard Reve (2009; 2010; 2012; Kroniek van een schuldig leven, Van Oorschot), die in zekere zin voorbeeldig zijn, maar in hun volledigheid ook uitputtend. Wie ze leest krijgt alles van Reve te weten, bijna tot de boodschappenlijstjes aan toe. Wat niet wegneemt dat Maas Reve weet neer te zetten als een schrijver die op jonge leeftijd al doorbrak (hij was 24 toen De avonden verscheen) en vanaf dat eerste moment nooit onomstreden is geweest. Zijn leven werd een kwestie van balans vinden tussen gehaat en geliefd worden; het dwong hem zich op zichzelf te focussen. In zekere zin, kun je stellen, leidde dat ertoe dat hij al redelijk vroeg zijn thema’s vond (homoseksualiteit, het katholieke geloof), en zijn stijl (ironie, onderkoeld sarcasme), maar terwijl hij die thema’s uitdiepte en zijn stijl perfectioneerde, bleef hij veelal hetzelfde boek schrijven, in steeds net iets andere gedaantes. Noem het de wet van de remmende voorsprong.

Veel schrijvers zouden er hun linkerarm voor geven om een klassieker als De avonden geschreven te hebben

Want wat toch opvalt als je door de drie delen heen gaat is hoeveel er vergeten is van Reve. Zoveel titels komen aan bod die je nooit meer ergens in de boekhandel ziet staan – De avonden vind je nog, Werther Nieland, Nader tot U soms, Op weg naar het einde heel soms, maar dat is het wel. Nu hebben veel schrijvers er hun linkerarm voor over om een klassieker als De avonden geschreven te hebben – straks na zeventig jaar nog steeds in druk – maar Reve’s nalatenschap is er eerder eentje van een schrijfstijl die geïmiteerd wordt dan van individuele boeken die nog gelezen worden.

Voor W.F. Hermans is dat anders: de betere boekhandel heeft zijn verzameld werk in dikke gebonden delen in de kast staan. En hoe zeer de auteur nog leeft bij zijn lezers bleek wel uit de receptie van de tweedelige biografie die Willem Otterspeer over hem schreef, De mislukkingskunstenaar en De zanger van de wrok (2013 en 2015, De Bezige Bij). Zelden werd een boek zo hatelijk ontvangen. Max Pam deed het voorkomen alsof Otterspeer een dilettant was, die alleen papieren bronnen had geraadpleegd, in plaats van met vrienden gesproken te hebben, terwijl het Hermans-fanzine De God van Nederland een heel nummer wijdde aan de vermeende fouten van de biograaf: ‘Volg het Etterspoor.’ Toch kon je je niet onttrekken aan het idee dat wat Otterspeer uiteindelijk werd verweten was dat hij aan hún Hermans had gezeten. Hij koos ervoor geen neutrale, documentaire biografie te schrijven – zijn goed recht – maar plaatste zich daarmee ook tegenover talloze hermansianen die een andere visie op hem hadden.

Otterspeers centrale these kwam erop neer dat a) de zelfmoord van zijn zus, in de meidagen van 1940, aanleiding was voor zijn stap naar het schrijverschap, en b) zijn schrijverschap werd gevoed door zijn onvermogen tot het beleven van geluk. Zijn haatdragende karakter was volgens Otterspeer van epische proporties, maar moest niettemin gezien worden als een positieve eigenschap: het zorgde ervoor dat zijn werk zo verwoestend is, zo scherp, zo raak: ‘Die grote zelfkritiek, de nietsontziende eerlijkheid van zijn werk, is niet de kleine rancune van een geblindeerde gelovige, het is de wrok van Achilles.’

Otterspeer heeft de papieren om dit te bewijzen. De mensonvriendelijke haatdragendheid spat van elke bladzijde Hermans af; niet alleen uit zijn romans, maar ook van zijn brieven. Otterspeer kan eindeloos putten uit de meest sardonische opmerkingen over vrienden, collega’s en familie. En zelden bleef het bij opmerkingen, uiteindelijk brouilleerde Hermans zich zo’n beetje met iedereen. Vergelijk zijn dood maar met die van Mulisch: in het ziekenhuis in Utrecht kreeg hij, nadat zijn longkanker hem had uitgewoond, een verlossende injectie. Alleen zijn vrouw Emmy en zijn zoon Ruprecht waren erbij. ‘Na het toedienen van de finale dosis, wendde hij zich op zijn zij, keerde zich af van zijn vrouw en zoon en stierf, eenzaam als alleen Willem Frederik Hermans eenzaam kon zijn.’ Geen camera’s buiten het ziekenhuis, geen uitvaart op nationale tv.

Nop Maas werd verweten dat hij zich als biograaf te afzijdig had gehouden, te documentair vastleggend; Otterspeer werd het tegenovergestelde verweten. Want juist de twee pijlers van zijn stelling waren voor meer dan één uitleg vatbaar; Hermans’ zus Corry pleegde zelfmoord samen met de man met wie ze een geheime relatie had – maar Hermans heeft ook wel eens gesuggereerd dat het geen zelfmoord was, maar moord. Haar getrouwde minnaar was wanhopig en sleurde haar mee zijn ondergang in. Daarmee kom je bij een ander punt, namelijk dat Hermans zichzelf in al zijn brieven nogal eens tegensprak. Hij deed zich graag voor als de scherpe nihilist, maar uiteindelijk kon niemand in zijn hoofd kijken, wie weet kon hij stilletjes heel goed van het leven genieten, als gevierd schrijver, wonend in Parijs, de wereld aan zijn voeten.

Medium mulisch 030025000836

Met de ruwe ontvangst van de biografieën van Reve en Hermans in gedachten is het misschien niet zo raar dat er nog geen officiële biografie van Mulisch is verschenen. Maar met het komende eerste lustrum kan het bijna niet anders dan dat dit voor De Bezige Bij een pijnlijk onderwerp is. Zijn werkkamer aan de Leidsekade is nog intact, zijn archief is vanaf de jaren zestig smetteloos geordend, zijn pijpen staan nog steeds klaar in hun rek op zijn bureau om aangestoken te worden – maar niet alleen is er nog geen biografie aangekondigd, er is zelfs nog geen biograaf aangewezen.

Natuurlijk probeert De Bij de schrijver bij dood levend te houden, bijvoorbeeld door twee onvoltooide romans, De tijd zelf (2011) en De ontdekking van Moskou, (dit najaar) te publiceren, en het Logboek (2012) dat hij bijhield toen hij De ontdekking van de hemel schreef. Voormalig Bij-uitgever Robbert Ammerlaan kondigde aan de biografie te gaan schrijven, maar zwakte dat later af tot een soort memoires over hun vriendschap, startte in de tussentijd een nieuwe uitgeverij, en komt dit najaar dan met een boek over ‘een reis door de werkkamer van Mulisch’, een soort ‘Mulisch aan de hand van twintig objecten’. Dit kan natuurlijk een speelse, interessante methode zijn, en ongetwijfeld weet Ammerlaan dingen over Mulisch te zeggen die niemand anders zou kunnen zeggen, maar het blijft een doekje voor het bloeden. Juist een schrijver die zo nadrukkelijk speelde met zijn publieke persona verdient een huis-tuin-en-keuken-biograaf, om het even oneerbiedig te stellen. Een biograaf die zijn archiefwerk doet, brieven doorpluist, en zo de feitelijke achterkant kan laten zien van de publieke façade.

Mulisch over Hermans: ‘Hoe meer hij over mij zegt, hoe meer het hem zal opvallen hoe zeer ik over hem zwijg’

(En dat die achterkant er was, blijkt wel uit het Logboek waarin zijn gevleugelde aforisme ‘Ik ben een schrijver, geen lezer’ uit de lucht wordt geschoten doordat hij droogjes noteert Leviathan van Paul Auster gelezen te hebben: ‘Aanzienlijk minder dan zijn vorige zaken.’)

Wel verscheen dit jaar het buitengewoon interessante De Mulisch Mythe, (2015, niet verschenen bij De Bezige Bij maar bij Meulenhoff) van Sander Bax, als letterkundige verbonden aan de Universiteit van Tilburg. Het boek is een kleine goudmijn vol met dit soort citaten. Bax schreef geen studie van Mulisch’ leven, maar van hoe hij zijn schrijverschap inzette en zijn imago bewust vormgaf.

In een van de beste hoofdstukken in het boek behandelt hij de vete tussen Mulisch en Reve, die uiteindelijk culmineerde in Mulisch’ essay ‘Het ironische van de ironie’, dat hij in mei 1972 in Vrij Nederland publiceerde. De aanleiding was Reve’s De taal der liefde, waarin verschillende vettige, ironische opmerkingen stonden over de op dat moment ontluikende multiculturele samenleving, die al dan niet als racistisch te kwalificeren waren. Mulisch beweerde dat Reve door ‘de dubbele bodem van de ironie’ was gezakt, Reve verhulde zich met zijn literaire stijl: ‘Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te maken te hebben.’

Het is een van de beste hoofdstukken, niet omdat het over de botsende ego’s van de twee schrijvers gaat, maar omdat hun ruzie een uitstekende mogelijkheid biedt hun literatuuropvatting bloot te leggen en hoe ze hun publieke schrijverschap inzetten. Reve paste ironie toe om met zijn lezer te spelen, om het onderscheid tussen fictionele en niet-fictionele genres te vervagen en als schrijver ongrijpbaar te zijn. Uiteindelijk wilde Mulisch, ondanks zijn gecultiveerde ironische voorkomen, juist niet ongrijpbaar zijn, schrijft Bax: ‘Voor Mulisch was de autonomie van de literatuur altijd een probleem waar hij om heen moest zien te werken: in het hart van zijn oeuvre lag namelijk de wens om verantwoordelijkheid te nemen voor de wereld waarin hij leefde in teksten die weliswaar literair waren, maar waarin toch de politieke opinies van de auteur herkenbaar waren.’

Die vetes zijn een interessant iets. Eerder dit jaar werd ik door een boekenbijlage van een dagblad gevraagd of ik een stukje wilde schrijven over mijn favoriete polemiek van W.F. Hermans. Otterspeers tweede deel was net verschenen, De zanger van de wrok, over de jaren waarin Hermans zo’n roem genoot dat hij als scherprechter van het publieke debat kon optreden wanneer hij wilde. Het achterliggende idee was dat een aantal hedendaagse schrijvers over de polemieken zou schrijven, als eerbetoon aan Hermans’ gifpen, en zich tegelijk zou buigen over de vraag of de polemiek in de Nederlandse literatuur nog wel bestaat.

Bij gebrek aan tijd, en familiariteit met Hermans’ vetes, bedankte ik voor de eer, al had het me leuk geleken. De hoofdstukken in Otterspeers boek over de ruzies zijn steeds de meest dankbare om te lezen. Je krijgt het idee dat de nihilist, of ironicus, Hermans zich het best in de kaart liet kijken als hij zich ergens over opwond, dat je dan pas echt zag wat hij belangrijk vond. Wie wil weten hoe Hermans zich tot de andere twee van de Grote Drie verhield, kan het vermakelijke hoofdstuk over zijn relatie met Mulisch lezen, waarin dankbaar wordt geput uit brieven die Hermans aan vrienden schreef over Mulisch. De ene brief is nog valser dan de andere, waarbij hij Mulisch verwijt hem na te apen en gewag maakt van het feit dat Mulisch een lezing had gehouden ‘op een meisjes-hbs’, waarbij hij de klas had verteld: ‘Ik ken Wim Hermans, ik ga hem dadelijk opzoeken!’ (In zijn Logboek merkt Mulisch op dat hij geen zin meer heeft te reageren op een plaagstoot van Hermans uit Parijs: ‘Hoe meer hij over mij zegt, hoe meer het hem zal opvallen hoe zeer ik over hem zwijg.’)

Hugo Borst hoeft niet de maat der dingen te zijn. Maar schrijvers zullen wel heel goed aanvoelen dat zij dat ook niet meer zijn

Een paar maanden later liep ik de chef van de bijlage ergens tegen het lijf. De polemiekenspecial was er nooit gekomen. Ze vertelde dat ze meerdere schrijvers gevraagd had, en dat bijna iedereen had laten weten niet zo veel met polemieken op te hebben, wat natuurlijk direct een antwoord was op de vraag of de polemiek überhaupt nog bestond. Niet dus.

En toch is de hang naar de polemiek een veelzeggende. Want die is niet weg. Als twee schrijvers ook maar iets hebben dat op een vete lijkt, wordt dat breed en dankbaar uitgemeten. Toen Arnon Grunberg ooit A.F.Th. van der Heijden beschimpte via diens zoon Tonio (die toen nog leefde) kregen ze aparte kamers om de uitreiking van de Ako Literatuurprijs mee te maken, beide uitgerust met draaiende camera’s (A.F.Th. won en vond het toen opeens geen probleem meer om in één ruimte met Grunberg te verkeren). Toen Max Pam spottend het eerste deel van Otterspeers Hermans-biografie aanviel in de Volkskrant mocht Otterspeer diezelfde dag nog in de krant reageren, breed opgemaakt, en werd dat in de literaire journalistiek behandeld als het event of the year. De media-aandacht zal te maken hebben met het gemak waarmee het opgediend kan worden, voor-tegen, goed en fout. Maar het is meer dan dat: van oudsher geldt de polemiek als iets wat voorbehouden blijft aan de alfamannetjes van de roedel: wie de ander in het openbaar aanvalt doet een gooi naar het leiderschap. Zoiets. De kinnesinne tussen Mulisch, Reve en Hermans is niet los te zien van de culturele apenrots, of wie het hoogst in de boom mag zitten. Dat soort polemiek had te maken met machismo, met testosteron, met zien wie de grootste heeft.

Medium reve 030026001568

Misschien schuilt daarin ook wel de reden waarom dit soort polemiek nauwelijks nog bestaat: omdat schrijvers nu eenmaal per definitie niet meer de grootste hebben. Ze zijn niet meer de apex van de culturele piramide, sad but true. We leven in een tijd waarin het publiek van dag- en weekbladen is gekrompen terwijl televisie king is, en hogere kijkcijfers behaalt. Wie veel boeken verkoopt – dertig-, vijftig-, honderdduizend exemplaren – kan nog steeds niet op tegen de kijkcijfers van de slechtst bekeken tv-programma’s, laat staan tegen de culturele kanonnen als De wereld draait door.

Misschien was dat in meer of mindere mate dertig jaar geleden ook al waar, maar je hebt het gevoel dat televisie toen bereid was zich meer naar schrijvers toe te buigen, ze als autoriteit te behandelen. Tijdens de Golfoorlog werd Mulisch dagelijks opgebeld door nieuwsprogramma’s om over Saddam Hoessein te komen praten – je kunt je niet goed voorstellen dat Nieuwsuur nu dagelijks bij Tommy Wieringa aan de lijn hangt om hem over IS te bevragen. De televisiewereld heeft inmiddels zijn eigen autoriteiten, die op een eigen manier tot stand komen. Bas Heijne wees eens op het optreden bij De wereld draait door van Arnold Heumakers, die inhoudelijke, literaire kritiek had geuit op Herman Kochs bestseller Het diner en aan tafel de wind van voren kreeg van Hugo Borst – een voetbaljournalist. Heijne: ‘Als je op zo’n moment de vraag stelt: “Wie hier is de elite?” is het antwoord veelzeggend. Heumakers, criticus, staat hoog in de culturele, intellectuele elite. Maar op het moment dat hij zich bij DWDD begeeft telt dat niet, hij is bij het massapubliek te onbekend. Daar, in de tv-context, heerst de media-elite, en daar regeert iemand als Hugo Borst. Zijn zichtbaarheid geeft hem status.’

Televisie heeft zo haar manieren om bewust en onbewust haar eigen voorkeuren aan de wereld op te leggen. De Nederlandse tv-wereld is vakkundiger geworden, geprofessionaliseerd, meer op de hoogte van wanneer kijkers zich vervelen, of nog erger, wegzappen. ‘Entertainment is the supra-ideology of all discourse on television’, lijkt het dominante adagium geworden, uit Neil Postmans beroemde analyse van het politieke en culturele debat op tv in Amusing Ourselves to Death (1985). In het publieke debat (op tv) heeft dat geleid tot een cultuur van ‘likeability’. Wie wil scoren moet vriendelijk zijn. Wie te intellectueel doet, loopt het risico het publiek te vervreemden. Wie te narrig, te negatief of te kritisch doet, past niet in het format. Zoiets was de conclusie van tv-recensent Jean-Pierre Geelen, die stelde dat tv geen kritische noot meer verdraagt, dat kritiek in feite niet meer thuishoort op tv: ‘Waar kranten het culturele aanbod wegen en op waarde schatten, ontbreekt op televisie stelselmatig elke vorm van kritiek. Een serieus filmprogramma bestaat niet, de meeste cultuurprogramma’s komen zelden verder dan welwillende gesprekjes met makers. Op televisie wordt een film, een serie, een cd of een boek niet besproken, maar gevierd.’ Daar past de betere polemiek niet echt lekker tussen.

Natuurlijk: daar hoeven schrijvers zich niets van aan te trekken, ze kunnen nog steeds schrijven wat ze willen, het hoeft de testosteron niet af te remmen en Hugo Borst hoeft niet de maat der dingen te zijn. Maar schrijvers zullen wel heel goed aanvoelen dat zij dat ook niet meer zijn.

En dat zal het doorslaggevende verschil zijn tussen nu en de tijd dat de Grote Drie tot wasdom kwamen. Over die periode schrijft Ronald Havenaar in zijn Babyboomboek (2015, Van Oorschot), met de veelzeggende onderkop ‘Wat ze lazen, wat hen vormde, hoe ze dachten’. Havenaar zegt dat een generatie ‘een groep leeftijdgenoten [is] met gedeelde ervaringen, die tot zekere hoogte een verwant wereldbeeld opleveren’. De ‘geboortegolvers’ waren volgens hem geen uniforme generatie, met een uniform wereldbeeld. Ze verkeerden juist tussen bevrijding en beklemming, wat een verscheurd wereldbeeld opleverde. Havenaar onderzoekt dit wereldbeeld aan de hand van 36 Nederlandse romans en non-fictieboeken die voor hem, en met hem veel generatiegenoten, ‘doorslaggevend’ waren.

Feministische geschriften (Joke Kool-Smit) en oorlogsgeschiedenissen (Jacques Presser) maken daar deel van uit, net als de romans van de Grote Drie. Uiteraard, zou je zeggen. Maar Havenaar behandelt ze zelden uit sec literaire oogpunten. De donkere kamer van Damokles was een ‘doorslaggevend’ boek omdat het precies samenviel met een nieuw, beschaamd denken over de oorlog, waarbij er geen ruimte meer was voor romantisering, maar grijswaarden het kleurenpalet bepaalden. Voer voor psychologen was ‘doorslaggevend’ omdat het een uiting was voor een generatie die zich door middel van vrije verbeelding los wilde maken van het bekrompen realisme van haar ouders. Reve’s Op weg naar het einde dacht na over sterfelijkheid en de angst voor verval op een moment dat de Koude Oorlog verhevigde en de jongere generatie steeds kritischer ging kijken naar de dominante politiek van de Verenigde Staten, die tot dan toch als de bevrijder van Nederland werden gezien.

Misschien is dat dan de beste manier om op de Grote Drie terug te kijken: niet vanuit de vraag wat hen beter maakte dan de rest van schrijvend Nederland, maar ze te bezien vanuit hun tijdsgewricht. Ze waren niet de Grote Drie van de Nederlandse literatuur, maar de Grote Drie van de Nederlandse cultuur. Ze kenden hun piekjaren toen de maatschappelijke positie van literatuur zijn piekjaren kende, ze waren niet alleen bekende schrijvers, ze waren zo’n beetje de bekendste Nederlanders van hun tijd.

Daarmee kom je ook op de vraag wie nu de nieuwe Grote Drie zijn. Als het gaat om wie de beste schrijvers zijn, dan mag iedereen noemen wie hij wil. Your guess is as good as mine. Als het gaat om wie, vanuit de cultuur, een doorslaggevende stem is, moet je misschien niet alleen bij schrijvers kijken, maar ook bij cabaretiers, bij acteurs en filmmakers – alles m/v overigens, want de tijd dat de Grote Drie alleen mannen konden zijn is ook wel voorbij. De culturele piramide is afgevlakt, of het culturele landschap is versplinterd. Op een bepaalde manier moet dat een bevrijding zijn: iedereen kan zich bezighouden met zijn projecten, zonder in een hiërarchie geschaald te worden.

Op het laatste boekenbal liep ik langs de trap waar vroeger Mulisch en zijn vrienden zaten, karakteristiek, de eeuwige photo op, de apenrots tastbaar. Nu zaten Jort Kelder, Lauren Verster, Halina Reijn, Ramsey Nasr er. Tv-mensen. Heel even vroeg ik me af of ik niet wat potige schrijvers moest verzamelen, om de trap op te eisen. Maar dit was niet het corps, de Stadsschouwburg niet de sociëteit. Bovendien was ik op weg naar de dansvloer, waar alle schrijvers aan het dansen waren.


Beeld: (1) Willem Frederik Hermans, 1971 (Philip Mechanicus/Mai); (2) Harry Mulisch, 1985 (Philip Mechanicus/Mai); (3) Gerard Reve, 1980 (Philip Mechanicus/Mai)