Alles over rechts in de Franse verkiezingscampagne

Het einde van de bling-blingpresident

Als een desperado verschiet Nicolas Sarkozy zijn laatste patronen tijdens de Franse presidentsverkiezingen. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat hij zondag zijn tweede termijn gaat binnenslepen. Het begon zo veelbelovend, waar ging het mis?

Parijs – Tijdens de laatste dagen van de campagne staat bij Nicolas Sarkozy de torenhoge staatsschuld noch het oplopende begrotings­tekort op het menu. Hij zingt de lof van de natie, hamert op de noodzaak van grenzen en bezweert de Franse identiteit niet te zullen laten wegspoelen in het afvalputje van de globalisering. Zorgelijke geluiden van partijgenoten die klagen over ‘verrechtsing’ worden genegeerd.

Veel keus heeft Sarkozy niet. Om in de beslissende ronde van de presidentsverkiezingen een kans te maken tegen de socialist François Hollande moet hij een groot deel van de bijna 6,4 miljoen Fransen overtuigen die op 24 april hebben gestemd op het nationaal-populistische Front National van Marine Le Pen. Sarkozy’s tactiek is niet vrij van risico, al was het maar omdat hij om te winnen óók een fors deel van het electoraat van de centrist François Bayrou nodig heeft. En dat wil weten hoe Sarkozy de overheidsfinanciën op orde denkt te brengen. Maar volgens Patrick Buisson, in de jaren tachtig hoofdredacteur van het extreem-rechtse weekblad Minute en in korte tijd opgeklommen tot Sarkozy’s invloedrijkste campagnestrateeg, is de Bayrou-stemmer in zijn diepste wezen een ‘lafbek’ die uiteindelijk toch wel in het gelid springt.

Alles over rechts dus, al valt de indruk moeilijk weg te nemen dat Sarkozy iets heeft van een desperado, bezig zijn laatste patronen te verschieten. Een verrassing kan nooit worden uitgesloten, maar dat hij komende zondag een tweede termijn zal binnenslepen lijkt niet erg waarschijnlijk.

Voor wie buiten Frankrijk woont en Sarkozy de afgelopen vijf jaar slechts op internationale podia aan het werk gezien heeft, wekt dat wellicht enige verbazing. Deed hij zich daar immers niet bij herhaling kennen als een energiek, krachtdadig en ook effectief leider? Zo maakte de wereld vlak na zijn aantreden al kennis met de ‘zorropresident’, toen Sarkozy, bij machte van zijn toenmalige vrouw, vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts uit de kerkers van Moammar Kadhafi wist te redden (later bestendigde Sarkozy deze reputatie met de bevrijding van de Frans-Colombiaanse activiste Ingrid Betancourt uit handen van de Farc). Hij sleepte in Lissabon de in 2005 verworpen Europese Grondwet weg voor de poorten van de hel, wist tijdens de Georgische crisis Vladimir Poetin tot ondertekening van een vredesakkoord te bewegen en dwong bij de Amerikanen een uitbreiding van de G8 naar een G20 af. Sarkozy leidde een internationale coalitie tegen Libië en Franse troepen intervenieerden (onder VN-vlag) met succes in Ivoorkust. Samen met de Duitse bondskanselier Angela Merkel speelde hij in de afgelopen jaren een sleutelrol bij de beheersing van de reeks financiële crises in de eurozone.

Waarom zouden de Fransen een president die het in ieder geval deed lijken of hun land weer in de wereld meetelt, inruilen voor een socialist die zelfs nog nooit minister is geweest? Wanneer en waarop liep het mis voor Sakozy? En wat gaat er schuil achter dat malicieus-­eufemistische ‘malentendu persistant avec les Français’, dat in krantencommentaren maar blijft terug­keren? Dit ‘misverstand tussen Sarkozy en de Fransen’ rees ergens in de eerste zes maanden van zijn presidentschap. Sommigen wijzen op de pracht en praal waarmee hij Moammar Kadhafi in november 2007 op het Elysée ontving. Of op het pausbezoek – berucht geworden omdat de nieuwe president meer oog had voor zijn mobiele telefoon dan voor de heilige vader. Of op het ‘rot op, klootzak’, uitgesproken tegen een passant op de jaarlijkse landbouwbeurs in Parijs die enkele vuige woorden spuwde op Sarkozy’s uitgestoken hand. Anderen wijzen op de Ray Ban-zonnebrillen en de protserige horloges. Of op de ongelukkige communicatie van de eerste grote wet die Sarkozy door het parlement liet jagen, bedoeld om de economische groei te prikkelen, maar door vakbonden en linkse oppositie onmiddellijk geframed als ‘een cadeautje voor de rijken’. Weer anderen wijten het aan de opzichtige wijze waarop Sarkozy zijn privé-leven aan de buitenwereld etaleerde. Van de pijnlijke scheiding met Cécilia tot zijn kerstvakantie met Carla Bruni naar Jordanië en Egypte, precies op het moment dat zich donkere economische wolken boven het land samenpakten en een kerstuitje er voor de gewone Fransman niet inzat. ‘Tussen mij en Carla is het serieus’, was de zin die bleef hangen na afloop van zijn eerste grote persconferentie.

De meest gehoorde stelling is dat het eigenlijk al misging op de avond dat hij was verkozen tot president met het diner dat zijn toenmalige vrouw had georganiseerd in brasserie Le Fouquet’s op de Champs Elysées. Als presidents­kandidaat wierp hij zich op als de pleitbezorger van het Frankrijk dat lijdt (La France qui souffre). Maar zijn verkiezingsoverwinning vierde hij in een duur restaurant met een select gezelschap van puissant rijke zakenlieden en mensen uit de showbizz. ‘La soirée du Fouquet’s’ en de driedaagse cruise voor de kust van Malta op het jacht van multimiljardair Vincent Bolloré die daarop volgde, zijn Sarkozy gedurende zijn hele ambtstermijn blijven achtervolgen. Ze bevatten de kiemen voor het beeld dat zich in de maanden erop bij de Fransen zou vastzetten: een ‘bling-blingpresident’, een ‘president van de rijkaards’, een exhibitionist die het liever over zichzelf heeft dan dat hij luistert naar de problemen van de mensen die op hem hadden gestemd. Kortom, als iemand die niet weet te voldoen aan de specifieke eisen die het Franse presidentschap stelt.

Feit is dat Sarkozy’s populariteit begin 2008 onder de veertig-puntengrens duikelde en daar nooit meer bovenuit is gekomen. En toch begon het ooit allemaal zo veelbelovend. Sarkozy voerde een droomcampagne, toonde zich energiek, wilskrachtig en overtuigd om af te rekenen met het immobilisme van zijn voorgangers. De stemming in het land was in mineur, intellectuele onheilsprofeten bezongen het verval van Frankrijk, haar onvermogen te hervormen, de angst voor de buitenwereld. Al decennia kijkt het politieke establishment als verlamd toe hoe de staatsschuld oploopt, de verzorgingsstaat onbetaalbaar wordt, de werkloosheid stabiliseert op tien procent en universiteiten en bedrijfsleven hun concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland verliezen.

Sarkozy wist de Fransen ervan te overtuigen dat hij de outsider was die deze vicieuze cirkel kon doorbreken, dat hij degene was die in staat zou zijn het land te hervormen, het in de vaart der volkeren op te stuwen, het zijn zelfvertrouwen terug te geven – gezien de ondergangsstemming die er heerste op zichzelf al een prestatie van formaat. Hij presenteerde zich als degene die de werkloosheid terug zou dringen en de sluiting van fabrieken een halt zou toe roepen. Bovendien deed hij de hoop herleven dat de nationale politiek daarbij het verschil kon maken en oplossingen kon bieden voor de crisis die de natie doormaakte.

Daarmee speelde hij – bewust of onbewust – in op een latent, maar niet minder diepgeworteld verlangen in de Franse samenleving. Het verlangen naar een homme providentiel in de traditie van Bonaparte en De Gaulle: een door de Voorzienigheid gezonden leider die het land weer met zijn lotsbestemming zou verenigen. Op het oog handelde Sarkozy naar de hoop en verlangens die hij had gewekt. Zo maakte Frankrijk, behalve met de bling-blingpresident, al gauw kennis met de ‘omnipresident’. Nicolas Sarkozy was op wel vijf plaatsen tegelijk, bemoeide zich intensief met het beleid van zijn ministers, voerde onderhandelingen met de vakbonden, zette niet één, maar wel tien hervormingen in gang, de ene nog ambitieuzer dan de andere. En vrijwel dagelijks kwamen er nieuwe bij.

Nieuwsredacties zagen zich genoodzaakt extra journalisten op het Elysée te stationeren omdat ze de nieuwsstroom niet meer konden verwerken. Sarkozy toonde zich de anti-Chirac. ‘Ik wil een president zijn die regeert’, zo klonk het. Premier François Fillon reduceerde hij tot ‘medewerker’; de rechtse meerderheid in het parlement tot stemvee; topadviseurs van het Elysée promoveerde hij tot officieuze ministers. De republiek kraakte in haar voegen. Sarkozy, en hij alleen, zou het bangige en verlamde Frankrijk op het pad van de globalisering zetten. Op koers blijven, luidde het devies, je niet laten afleiden door instortende populariteitscijfers, il faut tenir le cap.

Want aan een belabberd imago valt te werken. Na verloren gemeenteraadsverkiezingen werd Sarkozy ‘gerepresidentialiseerd’. Zonnebrillen en Rolexen maakten plaats voor donkere pakken en stemmige dassen. Zijn gelaatsuitdrukking werd ernstiger, zijn toon meer gedragen, al kostte dat zichtbaar moeite. Een therapeut hielp hem zijn talrijke zenuwtics te beheersen. Ministers kregen de ruimte; vanaf nu bemoeide hij zich niet langer met ieder detail van het regeringsbeleid. De luiken van het Elysée gingen dicht. Het was afgelopen met gemediatiseerde uitjes met Carla. Ook het presidentiële woord werd schaarser, net als het spontane contact met journalisten.

Traditioneel kan een Franse president bogen op een brede culturele ontwikkeling. En dus circuleerden er al spoedig verhalen van verblufte bezoekers die Sarkozy zojuist uit Stendhal, Zweig of Proust hoorden citeren. Gerapporteerd werd er ook over de voorliefde die de president – ‘dankzij Carla’ – ontwikkelde voor klassieke films. Visconti en Buñuel behoren tot zijn favoriete regisseurs. Vanaf nu werd hij bij iedere vergadering van de ministerraad gesignaleerd met een roman onder zijn arm. Veel helpen in de peilingen deed het niet. De Fransen weten met wie ze in werkelijkheid van doen hebben en voor het geval ze dat even zijn vergeten, zijn er altijd nog de talloze Sarkozy-vijandige media om hen daaraan te herinneren.

Afgelopen maanden volgden voorzichtige excuses. Dat ‘rot op, klootzak’ had hij uiteraard niet moeten zeggen. De symboliek van het jacht van Bolloré had hij ‘onderschat’ en een eventuele overwinning zou hij beslist niet opnieuw in ‘dat restaurant’ vieren, maar ‘met vrouw en kinderen en wellicht een paar vrienden’. Toch is het een misvatting om te denken dat enkel zijn belabberd slechte imago hem van die overwinning zal afhouden – zoals veel analisten en ook enkele van Sarkozy’s adviseurs lijken te denken. De werkelijkheid is, zoals altijd, prozaïscher. Uit kwalitatief onderzoek van medewerkers van het Institut d’études politiques (Sciences Po) blijkt weinig verrassend dat de Franse kiezer beduidend minder geeft om het presidentiële imago dan om de door de president behaalde resultaten.

Die zijn gerust pover te noemen, deels dankzij Sarkozy’s talrijke slecht of half uitgevoerde hervormingen, deels dankzij de effecten van de economische crisis die ook Frankrijk niet heeft gespaard. En hoewel Sarkozy zich nu achter die crisis probeert te verschuilen, hebben de kiezers daar weinig boodschap aan. Zeker niet de naar verhouding hard getroffen groep laagopgeleide arbeiders die Sarkozy in 2007 bij het Front National wist weg te trekken. Zij rekenen hem nu af op wat hij destijds heeft beloofd, en in die zin zou je Sarkozy slachtoffer kunnen noemen van de blijde verwachting die hij heeft gewekt op het moment dat hij de figuur van de homme providentiel nieuw leven in blies.

En dat terwijl de les van de afgelopen jaren zou moeten zijn dat nationale politici betrekkelijk machteloos staan op het moment dat een internationale crisis toeslaat. Tomeloze energie en ijzeren wilskracht zijn niet genoeg gebleken, maar daar hebben veel Fransen geen boodschap aan. ‘Hier rusten de niet nagekomen beloftes van N. Sarkozy’, staat te lezen op de marmeren gedenkplaat die werknemers van Arcelor­Mittal oprichtten in de oostelijk gelegen stad Gandrange nadat de directie de staalfabriek had gesloten.

Komende vijf jaar lijkt de beurt aan François Hollande. Tijdens een recent bezoek in Gandrange kon ook hij de verleiding van een belofte niet weerstaan, al was die tamelijk bescheiden. Nieuwe banen beloofde hij niet. Wel dat hij er ‘zijn best’ voor zou gaan doen.