In suburbia heeft het verval ingezet

Het einde van de buitenwijk

Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben Amerikanen structureel de buitenwijk verkozen boven de stad. Daaraan komt met de stijgende populariteit van het stadsleven een einde, denken vele experts. Is het gedaan met suburbia?

OF HET NU WEEKEND of doordeweeks is, bloedheet of fris, droog of nat: op Rossburn Way in Chapel Hill, North Carolina, gebeurt nooit iets. Dat weet ik zo goed omdat mijn schoonouders er tot voor kort woonden, in afwachting van de voltooiing van de bouw van hun droomhuis: een villa aan een klein meer vlak bij het oude centrum van de plaats - op loopafstand van winkels, restaurants en andere plekken waar menselijke interactie plaatsvindt.
Dat is andere koek dan Rossburn Way, een straat zoals je er vele duizenden hebt in de Verenigde Staten: onderdeel van een zogeheten subdivision, een lap grond in het midden van nergens, verdeeld in nagenoeg gelijke percelen waarop een projectontwikkelaar voor weinig geld kartonnen joekelhuizen heeft neergezet - dat van mijn schoonouders had drie verdiepingen verdeeld over 450 vierkante meter. Wie nog nooit in de VS is geweest kent de huizen wel van film of televisie, met hun tegen het karkas aan gelijmde houten planken, voor een rustiek-landelijke sfeer. Alsof de huizen niet in 1999, maar in grootmoeders tijd zijn gebouwd. Ook vaste prik: de dubbele garage en de veranda aan de straatzijde, waar nooit iemand op de plichtmatig geposteerde schommelstoelen zit. En dan het aangeharkte gazon in de voortuin, het basketbalnet boven de garagedeur en de brievenbus aan het begin van de oprijlaan, waarop in klassieke letters het huisnummer staat gedrukt. De achtertuin, afgeschermd van de buren met een privacy-schutting, is iets groter dan de voortuin. Hier staat de op butagas werkende George Foreman-grill, voor onbezorgd barbecueën op het verhoogde dek dat de tuin met het huis verbindt.
De meeste bewoners van Rossburn Way forensen dagelijks naar hun banen in de nabijgelegen steden Raleigh en Durham, een enkeling werkt in Chapel Hill zelf, bijvoorbeeld in het ziekenhuis of op de universiteit. De auto fungeert als het voornaamste vervoermiddel: het is er te heuvelachtig voor de fiets en er zijn wel bussen, die zijn zelfs gratis, maar waarom zou je die gebruiken als je toch twee auto’s hebt? De subdivisie kent geen buurtsuper, bakker of slager, laat staan een ijzerwinkel of postkantoor, dus ook daarvoor stapt men in de auto. Het dichtstbijzijnde megawinkelcentrum ligt een kleine tien kilometer verderop. Gevolg van dat alles is dat de buurtgenoten elkaar niet of nauwelijks kennen, met uitzondering van de ouders van jonge kinderen - mits deze van dezelfde leeftijd zijn en naar dezelfde school gaan. Lichtpuntje: hondeneigenaren groeten elkaar, zo merkte ik als ik ’s avonds met de teckels van mijn schoonouders door de buurt schuifelde.
Voor het overige zullen de ongeveer vijfhonderd bewoners van de subdivisie elkaar hoogstens treffen wanneer iemand gaat verhuizen en om die reden een garage sale organiseert. ‘In moderne suburbia zijn geen plaatsen waar we zonder reden naartoe gaan’, zei de schrijver en uitgesproken suburbia-hater James Kustler in zijn Ted Talk (2004) over het onderwerp. 'De Amerikaanse suburbia zijn het niet eens waard om ze te verdedigen. Ik hoop dat de laatste gedachte aan “thuis” van onze soldaten in Irak niet het stuk asfalt is tussen de Chuck E Cheese’s en de Wal Mart. Want dat is niet genoeg om je bloed voor te vergieten.’

KUSTLER IS MISSCHIEN de luidste, maar zeker niet de enige die de troosteloosheid van suburbia aan de kaak stelt. De Pet Shop Boys zongen er al over in Suburbia (1986), met een in de buitensteden van Los Angeles gefilmde videoclip; filmregisseur Sam Mendes toonde met American Beauty (1999) de menselijke ellende achter de façade, en in de momenteel populaire tv-serie Mad Men leidt hoofdpersoon Don Draper overdag het glamoureuze leven van een succesvolle reclameman op Madison Avenue, terwijl hij ’s avonds in het dooie leven van een modelechtgenoot in een buitenstad van New York is verstrikt.
In Life, Inc (2009), een aanklacht tegen de 'corporatisering’ van het leven, herinnert schrijver en cultuurcriticus Douglas Rushkoff zich hoe zijn familie begin jaren zeventig verhuisde van het New Yorkse stadsdeel Queens naar Westchester County, de buitensteden vlak boven New York. Het gezin verkaste omdat vader Rushkoff meer was gaan verdienen. De stap was een verbetering, kreeg de jonge Douglas van zijn ouders te horen. Zo herinnert Rushkoff het zich echter niet. Hij miste de lange zomeravonden op zijn stadsblok in Queens, als alle families zich rond de barbecue in de gezamenlijke binnentuin verzamelden. In Westchester hadden de Rushkoffs een eigen tuin en een eigen barbecue, maar was het een stuk minder gezellig.
De keuze van de Rushkoffs voor suburbia was in die dagen echter een vanzelfsprekende. Wie het zich kon veroorloven het gevaarlijke en uitzichtloze leven in de stad te verruilen voor de veiligheid van de buitenstad dacht niet lang na, zeker als dit ook de promotie van huurder tot huiseigenaar betekende, tenslotte de hoofdcomponent van de Amerikaanse Droom.
De grootscheepse migratie van de stad naar suburbia was mede het gevolg van overheidsbeleid vlak na de Tweede Wereldoorlog. Zo nam het Congres in 1944 de Servicemen’s Readjustment Act aan, ook wel de 'GI Bill of Rights’ genoemd, die het de pas teruggekeerde oorlogsveteranen makkelijk maakte een hypotheek te krijgen. Deze mannen stonden op het punt gezinnen te stichten, die allemaal ergens moesten wonen. Federale en lokale overheden begonnen daarop subsidies te verstrekken teneinde projectontwikkelaars te enthousiasmeren nieuwe woonwijken in de nabijheid van de stad te bouwen.
De campagne voor suburbia, gevoerd door zowel overheid als bedrijfsleven, was overigens al tijdens de oorlog begonnen. Zo begon het blad Ladies Home Journal in 1941 een rubriek 'Droomhuizen’, gericht op jonge vrouwen die fantaseerden over hun leven na de oorlog met hun teruggekeerde echtgenoten. Meer algemeen gesproken begon de populaire cultuur het leven van jonge stellen in suburbia te verheerlijken. De combinatie van woningnood, fiscale stimuli en propaganda bleek effectief: tussen 1950 en 1970 verdubbelde het huiseigendom in suburbia bijna - van 36 tot zeventig miljoen. De hele Amerikaanse economie liftte mee op de bijbehorende bouwhausse. Zo hadden de kersverse huiseigenaren meubelen nodig voor hun huizen, en natuurlijk de nieuwste keukenapparatuur. Grote hit in de jaren vijftig was de Hotpoint Range, een oven waarmee de huisvrouw kon barbecueën, bakken, grillen en frituren. Het toverwoord waarmee Madison Avenue de nieuwe producten aan de man bracht was 'automatisch’. Alles was automatisch: van het koffiezetapparaat tot de kant-en-klare tv-diners voor in de oven.
Dit motiveerde de overheid om de groei van suburbia alleen maar verder te stimuleren, hetgeen zijn uiting vond in de Interstate Highway Act van 1956, waarmee honderd miljard dollar - een godsvermogen in die tijd - beschikbaar kwam om 41.000 mijl (66.000 kilometer) aan snelwegen te bouwen. En wat er bij suburbia bij ging, ging er bij de stad af. Terwijl de winkelcentra en scholen in suburbia als paddenstoelen omhoogschoten, verpauperden de binnensteden. Daaraan gepaard stegen de lokale belastinginkomsten in suburbia, terwijl die in de binnensteden bleven afnemen - waardoor geleidelijk het vuil minder vaak werd opgehaald en de schoolklassen groter werden. Geen wonder dat de Rushkoffs Queens inruilden voor Westchester.

MAAR ZO AANGEHARKT als de voortuintjes op Rossburn Way in Chapel Hill nog altijd tonen, zo vervallen oogt tegenwoordig menige buitenwijk elders in het land. Relatief nieuwe subdivisies rond steden als Charlotte, in North Carolina, en Atlanta, in Georgia, zijn vaak voor meer dan de helft verlaten, een direct gevolg van de financiële crisis, waarin veel mensen hun huis verloren. In Windy Ridge, een subdivisie van Charlotte, zijn volgens de lokale krant de Charlotte Observer de leegstaande huizen gestript en worden inmiddels bewoond door junkies en daklozen. Gangs als de Bloods en de Crips zijn actief in de wijk, zo schrijft de krant, terwijl gebroken ruiten, graffiti en andere blijken van verval het straatbeeld zijn gaan bepalen. In de tien subdivisies van Charlotte met het hoogste aantal huisuitzettingen is het misdaadcijfer sinds 2005 verdubbeld.
Dergelijke tekenen van sociale en fysieke wanorde doen denken aan de Bronx in de jaren zeventig, dat in die tijd zo verpauperd was dat huisbazen uit wanhoop hun panden in de fik staken teneinde nog enig inkomen van de verzekeringsmaatschappijen te beuren; huur viel al jaren niet meer te halen bij de straatarme huurders. Het heeft verschillende sociologen, stedelijke planners en andere experts doen concluderen dat de trend is omgekeerd: suburbia vervalt en de stad wordt de plek van de toekomst.
Christopher Leinberger, een 'urban land use strategist’ verbonden aan het Brookings Institute, een denktank in Washington, noemde in een veelbesproken artikel in The Atlantic (maart 2008) de buitensteden zelfs de 'nieuwe sloppenwijken’. Volgens Leinberger heeft de crisis de sociale problemen in veel buitensteden verergerd. Maar het onderliggende, belangrijker verhaal is dat een structurele verandering op komst is in de Amerikaanse huizenmarkt, een verandering die direct is gerelateerd aan hoe Amerikanen willen leven en werken.
Veel Amerikanen zijn de uitgestrektheid en stompzinnigheid van het leven in suburbia zat, stelt Leinberger. Men wil terug naar loopbare omgevingen, straten met winkelpuien en restaurants, maar ook openbare ruimtes waar je niet alleen naartoe gaat om iets te kopen. Musea, parken, terrassen. Althans, dat is de sterke voorkeur van een derde van de bevolking, zo berekende de University of Michigan. Een gelijk deel wil een mengvorm van de stad en suburbia, maar kan dat niet altijd betalen. Nog maar een derde van de Amerikanen heeft een voorkeur voor traditioneel suburbia: grote huizen op ruim bemeten percelen en het comfort van de auto als vervoermiddel.
Ook demografische ontwikkelingen zouden tegen een verdere groei van suburbia werken. Jonge mensen krijgen tegenwoordig later en minder kinderen dan bijvoorbeeld de babyboomgeneratie, en suburbia is in eerste instantie voor gezinnen ingericht. De babyboomers zelf zijn 'empty-nesters’ geworden, vaak met een voorkeur voor een stedelijke levensstijl.
Dit alles wordt in harde dollars bevestigd op de huizenmarkt, constateert Leinberger. De huizenprijzen per vierkante meter zijn in de centra van steden als New York, Portland, Seattle en Washington zeker twee keer zo hoog als in de omliggende buitensteden. Hetzelfde zie je gebeuren in de delen van suburbia die wel naar 'stedelijk’ model zijn ingericht. Een goed voorbeeld daarvan is de wijk Southern Village in het eerder aangehaalde Chapel Hill: dat heeft een eigen centrum met bioscoop, restaurants, winkels en speeltuinen. Hier zijn huizen ongeveer anderhalf keer zo duur als op het eenzame Rossburn Way.
Virginia Tech heeft bovenstaande trends bestudeerd en aan de hand daarvan de toekomstige vraag naar verschillende soorten huizen in kaart gebracht. De universiteit verwacht tegen 2025 een overschot van 22 miljoen alleenstaande huizen op grote percelen. Wat gaat met deze onverkoopbare joekels gebeuren? Als de ervaring in de grote steden tussen 1950 en 1980 enige maatstaf is, suggereert Leinberger, dan worden ze tegen dumpprijzen aan mensen uit lage-inkomensgroepen verkocht. Die zullen de panden vervolgens opdelen in appartementen, precies zoals dat een halve eeuw terug in de verpauperende steden gebeurde. Alleen vreest Leinberger dat de slecht gebouwde villa’s, in tegenstelling tot de negentiende-eeuwse stadspanden in Amerika’s binnensteden, daartegen fysiek niet bestand zullen zijn, en derhalve rap zullen vervallen, waarop delen van suburbia in sloppenwijken zullen veranderen.

HET WOORD 'SLOPPENWIJK’ wil Saskia Sassen, de beroemde stadssocioloog die in 1991 met haar gelijknamige boek de term 'global city’ lanceerde, niet in de mond nemen. 'Het mag wel eens gezegd worden dat in de buitensteden inmiddels meer armen wonen dan in de steden,’ zegt ze in een telefonisch interview. 'Maar sloppenwijk gaat wat ver. Bovendien verschillen buitensteden onderling nogal. De welvarende plaatsen vlak bij steden als New York, Washington en Chicago, vooral die aan de spoorlijn, zullen altijd in trek blijven. Mensen houden van ruimte.’
En ook de stad is niet perfect, benadrukt Sassen: 'Allereerst is er de enorme inkomensongelijkheid, die in steden extra zichtbaar is. Verder hoor je steeds dat steden door hun grotere bevolkingsconcentratie beter in staat zouden zijn om milieugerelateerde problemen op te lossen. Daar zit wat in, maar die concentratie brengt ook extra problemen met zich mee. Denk aan de zogenaamde hitte-eilanden - gebieden waar de temperatuur stijgt door het geconcentreerde energieverbruik, bijvoorbeeld waar veel hoogbouw is - of aan verkeersoverlast.’ Wel denkt ze dat de stad in trek zal blijven: 'Welke sector de economie ook domineert, er zal altijd banengroei zijn in de professionele sector. Gaat het om routineuze dienstverlening, dan kunnen dit banen zijn voor kleine steden of bedrijfsterreinen op de rand van de stad. Gaat het om speculatieve of anderszins complexe diensten, dan zijn het banen in de stad; daar bevindt zich namelijk het professionele talent. Deze professionals creëren op hun beurt weer banen voor de lagere inkomensgroepen.’
Ook de gentrification van Amerikaanse steden zal doorzetten, denkt Sassen: 'We hebben al de hel uit onze steden gegentrificeerd. Maar het is nog niet voorbij, al zal het niet meer zo hard gaan als de afgelopen vijftien jaar. Nu is het de opkomst van de creatieve of culturele sector die het proces gaande houdt. Alleen hebben mensen uit die wereld minder te besteden dan de corporate professionals.’
Sassen houdt zich overigens niet alleen bezig met de vraag waar mensen in de toekomst zullen wonen: 'De meeste mensen zullen in middelgrote steden wonen, vermoed ik, zeg maar tussen honderdduizend en een miljoen inwoners. Maar we zullen ook moeten leren omgaan met het feit dat tevens het aantal megasteden toeneemt, waarvan sommige groter dan twintig miljoen.’ De grootschaligheid en diversiteit van de megasteden opent een deur naar de toekomst, denkt Sassen: 'Steden zijn veel complexer dan uniforme buitenwijken. Als we de milieukundige problemen van onze grote steden kunnen oplossen, dan kunnen we mogelijk onze toekomst veiligstellen.’ Sassen kijkt vooral naar echte wereldsteden, zoals New York of Singapore: 'Want die zetten de norm. Steden zijn nu belangrijker dan ooit, als plaatsen waar mensen willen wonen, maar ook als globale bakens voor commercie, cultuur en ideeën.’
Het zijn argumenten die Joel Kotkin, schrijver van het net verschenen The Next Hundred Million: America in 2050, wel vaker heeft gehoord. Overtuigd is hij echter niet. Volgens Kotkin ligt de toekomst eerder in suburbia dan in de stad, zo schrijft hij in het septembernummer van Foreign Policy. Wijzend op cijfers van de Verenigde Naties, die voorspellen dat tegen 2050 zeventig procent van de wereldbevolking in steden woont, vraagt hij zich af of de trek naar de stad wel zo wenselijk is: 'Zelfs onder de beste omstandigheden zou het nieuwe tijdperk van de grote stad wel eens een ongeëvenaarde periode van menselijke opeenhoping en grove ongelijkheid kunnen worden.’
De belangrijke innovators van het moment vermijden juist de stadscentra, met hun uitlaatgassen, hoge vastgoedprijzen en bedrijfsonvriendelijke klimaat, schrijft Kotkin. 'Laten we niet vergeten dat Silicon Valley, de opa van ’s werelds technologische centra, in principe een buitenstad van San Francisco is. Apple, Google en Intel lijken er niet mee te zitten.’
Misschien is suburbia lang zo slecht niet als de pleitbezorgers van de stad beweren, oppert Kotkin. Daar komt bij dat nog lang niet vaststaat dat de opkomst van de megastad onvermijdelijk is, schrijft hij: 'Ondanks alle terug-naar-de-stad-hype van het afgelopen decennium vond meer dan tachtig procent van de grootstedelijke groei in Amerika plaats in suburbia.’
Uiteindelijk biedt spreiding - van stad naar buitenstad, van megastad naar kleine stad - de meest intrigerende oplossingen voor de huidige stedelijke problemen, denkt Kotkin. Hij noemt Amsterdam, met haar 'lage-concentratie-gebieden’ tussen het stadshart en de bedrijfscentra, als lichtend voorbeeld voor de VS: 'Het heeft de grote Nederlandse stad zowel leefbaar als competitief gehouden.’