Het einde van de democraten of het einde van de democratie?

De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van vorige week woensdag laat vooral een enorme lusteloosheid zien. Een lage opkomst, in Amsterdam zelfs een historisch dieptepunt. Jongeren en allochtonen namen niet de moeite naar de stembus te komen.

Het CDA deed het redelijk, omdat de christen-democratische kiezers traditioneel meer dan de aanhangers van andere partijen braaf gaan stemmen bij gemeenteraads- en provinciale statenverkiezingen. Niemand weet of het CDA bij de landelijke verkiezingen van 6 mei niet toch fors zal moeten inleveren. De PvdA deed het iets beter dan de VVD, maar honderdduizend kiezers verschil is maar een heel kleine marge die gemakkelijk weer verloren kan gaan. GroenLinks deed het wel goed, maar de vrijblijvende intellectuelen kunnen er straks evengoed voor kiezen naar de PvdA te gaan. Duidelijk is wel dat extreem-rechts althans in de gemeenteraden geheel verdwenen is, dat de Socialistische Partij is verdubbeld, en dat D66 minder dan de helft van haar raadszetels over houdt. De groei van de lokale partijen zou misschien opwekkend kunnen zijn, als die niet zo vaak in geruzie en prestigestrijdjes zouden verdwijnen of eerder de indruk zouden wekken carnavalsgroeperingen te zijn dan serieuze alternatieven.
Het leek wel of de plaatselijke politiek er nauwelijks meer toe doet. De resultaten werden direct omgerekend naar landelijke ‘trends’, maar dat ging zeer moeizaam in z'n werk. De stembusonderzoekers moesten daarna de een na de ander uitleggen waarom hun berekeningen niet klopten. Het Nipo verklaarde achteraf dat het helemaal geen landelijke voorspellingen had gedaan, dat hadden de media er maar van gemaakt. Maurice de Hond kwam achteraf plotseling met zulke ruime marges voor de dag dat elke uitslag er wel ingepast kon worden. Het gezamenlijke televisieprogramma van de publieke omroepen moest achteraf uitleggen dat het met zijn fraaie driedimensionale grafieken toch geen betrouwbaar beeld van landelijke trends had gegeven. En ook de kranten kwamen met volstrekt uiteenlopende conclusies. De vooronderstellingen die in allerlei onderzoeken en berekeningen zijn ingebouwd, blijken intussen de cijfers vaak meer te bepalen dan hoe men werkelijk stemt of zegt te stemmen. De techniek maakte sowieso geen goede beurt. De computers kwamen meermalen veel later met hun uitslagen dan vroeger, toen alles nog met de hand werd geteld.
Veel kiezers en vooral niet-kiezers klaagden erover dat ze niet wisten waarom ze eigenlijk zouden stemmen. Vooral bij de allochtone kiezers, die nu voor de vierde keer aan de gemeenteraadsverkiezingen mogen meedoen, heerste heel veel onwetendheid, en - naar onderzoekers aannemen - ook veel teleurstelling in de landelijke politieke partijen. In Amsterdam wordt de onwetendheid van alle kiezers bevorderd doordat er vooraf in het geheel geen overzichten van alle deelnemende partijen en kandidaten meer worden verspreid. In het kieshokje moet je maar heel snel bekijken wat er dit keer te koop is. Wie niet naar het stemhokje gaat, zal helemaal nooit vernemen of er misschien toch een lijst of kandidaat was geweest die haar of zijn stem waard was. Zijn de politici eigenlijk wel zo negatief over de lage opkomst als ze zeggen, of vinden ze het wel goed zo?
De landelijke partijen konden op geen enkele manier duidelijk maken dat ze op gemeenteniveau iets speciaals te betekenen hadden. Voor hen waren deze verkiezingen niet meer dan een life size verkiezingsonderzoek. Ook op dat punt zijn de resultaten desastreus. D66 zegt met een zodanig lage uitslag niet meer aan een volgende regering te willen deelnemen. Paars is dan van de baan.
Wim Kok hoopt kiezers te trekken door te dreigen dat hij niet als premier beschikbaar is wanneer de PvdA niet de grootste partij wordt. Dat is erg hoog spel, en het kan gemakkelijk verkeerd aflopen. De grote landelijke partijen lijken in het geheel niet van plan zich voor de Tweede-Kamerverkiezingen inhoudelijk ook enigszins te profileren. Ze zoeken allemaal het midden. D66 en het CDA zitten daar al, maar ook de PvdA en de VVD durven zich in hun strijd om elk de grootste te worden nauwelijks van elkaar te onderscheiden en gooien het dus meer op personen dan op programmapunten.
Toch zou je het ook als een teken aan de wand kunnen beschouwen dat juist D66, dat het altijd al meer van aansprekende persoonlijkheden dan van een inhoudelijk programma heeft moeten hebben, nu op het punt staat te verdwijnen. Het is niet alleen zo dat 'paars op paars’ onzichtbaar is, zoals mevrouw Borst het zo po‰tisch formuleert. D66 blijkt altijd volstrekt onzichtbaar te zijn als zij mee moet besturen en dus een beleid moet laten zien. En nu de verkiezingen inderdaad steeds meer de kant van public relations en mannetjesmaken uitgaan, wordt D66 onzichtbaarder dan ooit.
De malaise waartoe dat leidt, wreekt zich niet alleen op D66. De hele politiek dreigt onzichtbaar te worden. Stemmers krijgen nauwelijks het gevoel ergens voor te kiezen, hoogstens voor, of liever nog tegen een persoon. Er zullen wel verschillen bestaan tussen de paarse partijen, maar naar buiten toe blijken die te vaak alleen uit geforceerde compromissen, waarbij nationale debatten worden gestart die nergens in eindigen, natuurgebieden worden ondergraven om de trein er toch doorheen te leiden, geluidsgrenzen worden opgerekt om Schiphol toch te laten groeien, en privatisering wordt doorgezet op een volstrekt ongewisse manier.
Dat jongeren en allochtonen daar geen lijn in zien die ze tot stemmen noopt, is misschien eerder een teken van wijsheid dan van onverschilligheid. Als we niet oppassen betekenen de gemeenteraadsverkiezingen van 1998 niet alleen het begin van het einde van D66, maar van de hele democratie.