Het letterlijkheidsvirus

Het einde van de dubbele bodem

Cartoons en literatuur, talkshows en series: alles is tegenwoordig aangetast door het letterlijkheidsvirus. Niemand wil verkeerd begrepen worden of ongevoelig lijken, dus houden we het bij de feiten. Betekent dat het einde van de verbeeldingskracht?

Bang dat toeschouwers de symboliek van het Slavernijmonument in Amsterdam niet meer begrepen, stelden D66 en ChristenUnie eind 2020 voor om spiegels bij het monument te plaatsen. Zo zou de toeschouwer, oog in oog met zichzelf, beter over het collectieve verleden kunnen nadenken.

Het tuimelt er gemakkelijk tussendoor, zo’n bericht. Je denkt heel even: wat een goed idee. Maar het is een heel apart idee. Monumenten zíjn spiegels, toch? Wie ervoor staat, kijkt naar zichzelf, toch?

Zo tuimelt er wel meer. Als het aan de Britse cultuurminister Oliver Dowden lag, werden afleveringen van de populaire Netflixserie The Crown voorzien van een waarschuwing: beste kijker, dit is fictie. ‘Want’, motiveerde hij, ‘nu denken kijkers dat alles wat ze zien ook echt zo is gebeurd.’ Het nieuws kreeg een extra dimensie toen Jacqueline Kleijer in een opiniestuk in de Volkskrant een dergelijke melding vergeleek met de waarschuwing die op pakjes sigaretten staat. ‘Ervan uitgaan dat kijkers zelf snappen wat fictie is’, schreef ze, ‘doet me denken aan de redenering dat iedereen zelf wel snapt dat sigaretten ongezond zijn.’ Ze vond een disclaimer per seizoen te karig; elke aflevering moest afzonderlijk waarschuwen voor de mogelijk ontregelende werking van fictie. ‘Dat is wel zo duidelijk.’

Voor menige beoefenaar van satire of theater in bredere zin was de duur bevochten vrijplaats voor alles tussen kwetsbare bekentenis en totale schunnigheid: het podium. Maar de vrijheid kantelde al snel. Cabaretier Youp van ’t Hek – zijn grapjes mogen al jaren over de houdbaarheidsdatum zijn, maar zijn recht op satirische vrijheid heeft natuurlijk geen t.h.t. – klaagde in meerdere kranten over de vertrutting van het cabaret. Vroeger kon je nog ’s een grapje maken, vandaag doet iedereen maar alsof je letterlijk meent wat je zegt.

Voor een deel komt het misverstaan gewoon voort uit dommigheid, ontdekte cartoonist Jip van den Toorn. Voor de Volkskrant tekende ze een man die een kamer binnenkomt, verkleed als orthodoxe jood, strooiend met diamanten. Twee vrouwen en een kind keken hem misprijzend aan. Het onderschrift: ‘omdat Zwarte Piet niet meer mocht, had oom Rob een alternatief bedacht’. Van den Toorn kreeg meteen een bak drek over zich heen. De beeldcolumn was ‘antisemitisch’. Zijzelf: ‘Sommige mensen dachten dat ik voorstelde dat je dit jaar in december maar als orthodoxe jood verkleed moest gaan. Ze begrepen niet dat je met satire soms een situatie omdraait, en dat mijn beeldcolumn dus geen letterlijke mening is maar een scherpe manier om een vraag op te werpen.’

Van ’t Hek slikt om zijn vege lijf te redden af en toe wat grapjes in, gaf hij toe. De mensen nemen je à la lettre en voor je d’r erg in hebt rolt je kop over de stoep. En hij kan het weten want z’n kop zit er nog op.

Overigens was hij de enige vreesachtige niet. Gealarmeerd door gebeurtenissen rondom Charlie Hebdo en Samuel Paty besloten de makers van Fokke & Sukke hun cartoons minder zichtbaar te maken, vertelden ze. Ze publiceren vooral nog ‘in boekjes en op kalenders’ en proberen het online circuit te mijden. Heden ten dage een best wel anticyclische beweging, zou je kunnen zeggen.

—————

Er is nog zoveel meer te noemen. Denk bijvoorbeeld aan de benoem-, duidings- en kwalificatiedrang van sommige journalistieke media en een bepaald type influencer als het gaat om (seksuele) identiteiten, gedragingen, normen en waarden. Termen als mansplaining, cisgender-validisme, white privilege en cultural appropriation worden door hen geregeld zonder toelichting afgedrukt, alsof iedereen van Groningen tot Maastricht begrijpt wat ermee bedoeld wordt. De calvinistische vreugdeloosheid die van deze beschrijvingen druipt daargelaten, deze ontwikkeling past bij het fenomeen dat we analyseren: extreem letterlijk willen beschrijven. Pas wanneer elke (seksuele) identiteit inclusief de subcategorieën een eigen palet aan persoonlijk en bezittelijk naamwoorden heeft, wordt mensen werkelijk recht gedaan, zo suggereert men.

Als we het patroon dat zich in al deze losse nieuwsfragmenten aftekent een beetje abstract analyseren, komen we tot het volgende. Er is in de voorbeelden sprake van uiteenlopende genres en verschillende uitingen van kunst en cultuur. Het diepste wezen van die genres en uitingen is verbeeldingskracht. Maar precies met die verbeeldingskracht is telkens iets aan de hand. Ze wordt er op een bepaalde manier uit weggehaald, zoals een pit uit een avocado. De leemte die hierdoor ontstaat wordt niet opgevuld met iets anders, een alternatief. Dat kan natuurlijk ook niet. Op z’n best kun je zeggen dat er iets tegenover wordt geplaatst. En dat is elke keer hetzelfde: volstrekte letterlijkheid.

—————

Waar komt die kennelijke hang naar letterlijkheid vandaan? Het lijkt ons om te beginnen goed voorstelbaar dat die voortkomt uit de vrees voor misverstanden. Misverstanden vormen immers, op een heel diffuse manier, een bedreiging voor een gevoel van zekerheid, veiligheid en vertrouwen.

Diffuus, want waar zich een misverstand voordoet, is lang niet altijd een ‘dader’ in het spel, die opzettelijk een loopje met de feiten heeft genomen en wiens intentie het niet per se is geweest om te verdraaien, te verfraaien, te liegen en te bedriegen teneinde een ander erin te luizen. Als er sprake is van een misverstand, kan dit minstens zozeer aan de ontvanger liggen. Maar toegeven dat je te goed van vertrouwen was of simpelweg een grap niet snapte, is niet opbouwend voor je zelfbeeld.

Misschien is de behoefte aan een volstrekt letterlijk universum wel een kwestie van gemakzucht. Letterlijkheid dient immers de mens. Het maakt contacten easygoing. Kijk bijvoorbeeld naar de Nederlandse versie van het tv-programma First Dates. Tijdens de romantisch bedoelde kennismakingsgesprekken dalen de meeste tortelduifjes, voor het oog van de camera maar evenwel zonder veel schroom, af tot de roze krochten van hun zieltjes. Nou ja, de vraag die zich vooral opdringt, is: waar zijn de romantiek, de liefde en de erotiek? Er wordt zo letterlijk en doelgericht naar een klik en een vonk en vlindertjes gezocht dat de kijker bijna verplicht wordt zijn opvattingen over liefde en hartstocht ter plekke te herdefiniëren. Kandidaten van First Dates ‘zoeken de liefde’, heet het op de site van bnnvara. Maar doe je dat soort dingen niet juist in afzondering, gissend, vol vragen en twijfels over jouzelf en de ander? En is het ook niet zo dat ‘nee’ in zulke situaties, op een bepaalde toonhoogte uitgesproken en van een bepaalde blik vergezeld, misschien wel helemaal geen ‘nee’ betekent? En is het niet aan het vermogen en de wil van de ander om zulke spannende dingen goed te lezen?

Aan de talkshowtafel is geen ruimte voor fabuleren, overdrijven en spotten. Het moet zijn wat het is

Economisch gezien valt er, zoals we al opmerkten, met de letterlijke methode veel winst te behalen. Het is een soort marktonderzoek dat bekijkt of vraag (relatiezoekend mens 1) en aanbod (relatiezoekend mens 2) op elkaar aansluiten. Efficiënter kun je het niet bedenken.

—————

Over vraag en aanbod en de televisiewereld gesproken: het is niet ondenkbaar dat het ad litteram-gedram hier zijn oorsprong vindt. Kijkers zappen weg als talkshowgasten te vaak haperen, ongestoord een metafoor uitwerken of zwenken tussen hoofd- en bijzinnen. En dus zoeken redacties naar gasten die zich via gepolijste oneliners lineair van a naar b kletsen.

Het effect dat met name praatprogramma’s op allerlei andere vormen van onderlinge communicatie uitoefenen, moet dan ook niet worden onderschat. Gesprekken op social media en via chatdiensten maar ook die in het dagelijks leven hebben zich meer en meer naar het talkshowmodel gevormd. Er wordt gepingpongd met meningen, maar hoe vaak worden er nog echte gesprekken gevoerd, waarin wordt gezocht naar een beter begrip van de ander? Het gaat allemaal tak-tak-tak. Net als aan de talkshowtafel.

Aan die tafel is geen ruimte voor fabuleren, overdrijven en spotten. Het moet zijn wat het is, zo letterlijk mogelijk. Ironisch genoeg schuiven er toch geregeld schrijvers aan. En verdomd, de mensen van de metaforen blijken het plots ook letterlijk te kunnen zeggen. Ze moeten ook wel, want ‘wat ze nu toch weer hadden geschreven…’ Je kon het natuurlijk zus of zo opvatten, ‘maar hoe hadden ze het nou letterlijk bedoeld?’ Wie zijn boeken wil verkopen, geeft maar beter gewoon een antwoord. Saillant detail, idealiter zijn de boeken ‘gebaseerd op ware feiten’ (sic!) en is de thematiek ‘herkenbaar’. Redacties weten: de mensen thuis pruimen verzonnen verhaaltjes gewoon minder goed.

—————

Een hypothese in ons straatje, maar we zijn niet te beroerd om er het een en ander tegenin te brengen. Datzelfde publiek is bijvoorbeeld prima in staat om te genieten van (Netflix-)series die van actualiteit en fictie een beloken geheel smeden, zonder dat het resultaat bij de kijker al te heftige waarheidsvragen oproept. Over het algemeen weet hij uitstekend waar ongeveer de werkelijkheid ophoudt en de verbeelding van de scenarist begint. En zo niet, dan staat Wikipedia hem bij. Desalniettemin dacht de cultuurminister van Engeland dat het goed zou zijn een disclaimer bij The Crown te plaatsen. Maar waarom niet bij al die andere spannende series die om het verhaal geloofwaardiger te laten lijken aanknopen bij de actualiteit, en daar een spel mee spelen?

Disclaimers zijn volstrekt willekeurig. En misschien ten overvloede: het lijkt geen kijker iets te boeien of de makers van hun favoriete series tappen uit autobiografische bronnen of persoonlijke ervaringen en zorgen, ze hebben er geen gezicht bij, kennen geen interviews met hen – het niet weten hieromtrent komt de beleving veeleer ten goede. Voilà.

Misschien mogen we voorzichtig concluderen dat letterlijkheid pas daar wordt verlangd waar mensen ervoor beducht zijn dat er een spel met hen gespeeld gaat worden, waar zij de dupe van worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor makers die willen voorkomen dat ze van misleiding, leugens, belediging, smaad en laster worden beticht, van opruiing en aanzetten tot haat, of alleen al van minachting voor hun publiek, dat moeilijk gedoe en dubbele bodems kan opvatten als pesterij. Denk aan de ontwikkeling dat sinds een jaar of vier uitgeverijen zogenoemde sensitivity readers in manuscripten laten snuffelen alvorens de tekst ter perse gaat. Dit om schrijvers te behoeden voor ‘uitglijders’, zoals daar zijn kwetsend taalgebruik of stereotypering jegens minderheden of andere achtergestelde groepen. In de praktijk betekent het echter niet alleen dat onjuiste gegevens tot kloppende feiten worden omgesmeed (wat natuurlijk heel prettig is), maar ook dat ironie of andere stijlfiguren uit het literair instrumentarium worden omgewerkt of zelfs tenietgedaan. In de Engelse vertaling van Marieke Lucas Rijnevelds De avond is ongemak verdween bijvoorbeeld de grap dat Hitler zelfmoord had gepleegd omdat hij de gasrekening niet kon betalen. Nu heeft dat de plotwending vast niet ernstig aangetast, maar het einde voor de literatuur lijkt in zicht wanneer uit angst voor des lezers mogelijke onnozelheid de dubbele bodems worden verwijderd.

Dichter des Vaderlands Lieke Marsman, tegenstander van de sensitivity reader, zei het tegen de Volkskrant heel mooi: ‘Ik wil een tekst mét al z’n expliciete ongevoeligheden kunnen beoordelen, omdat die een licht werpen op de onderhuidse kwaadaardigheden die er mogelijk sluimeren. Met andere woorden: ik wil het weten als jij een schrijver bent die mij kwetst.’

Dat de literatuur voor dubbelzinnigheid het domein bij uitstek is (en moet blijven), kunnen we leren van Thierry Baudet. Behalve politicus is Baudet ook schrijver; hij heeft onder andere twee romans op zijn naam staan. In dat soort boeken moet Baudet kunnen beweren wat hij wil. Zelfs als zijn personage als twee druppels water op hem lijkt, wil dit niet zeggen dat de auteur zijn personage is: het lijkt ons tamelijk onzinnig om van een literair auteur te eisen dat hij rekenschap aflegt van alle mogelijk kwetsende uitspraken die hij zijn personages in de mond legt.

Meerduidigheid en fantasie doen recht aan wie wij echt zijn. Met letterlijkheid slaan we de werkelijkheid plat

Maar wanneer hij als Tweede-Kamerlid spreekt, moet hij zijn romaneske fantasieën even parkeren. Dat hij zelf het verschil tussen politiek en literatuur niet zo goed snapt, blijkt wanneer men hem confronteert met racistische, islamofobe of antisemitische uitspraken uit zijn eigen koker of die van zijn partij. Hij kijkt dan getergd en vermoeid in de camera. Die domme, humorloze buitenwacht ook, die alles altijd maar zo letterlijk neemt. Recentelijk nog ontving hij ‘een sympathiserende brief’ van de erven Gerard Reve. In die brief stond ‘dat Reve altijd die verdomde letterlijkheid in Nederland zo hekelde’. Baudet bespeurt het vandaag ook, ‘die obsessie, een soort van scholastiek, van…’

—————

Niet alleen makers, ook het publiek of de nieuwsconsumenten zijn bang door niet-letterlijkheid in het ootje te worden genomen. Ze redeneren hetzelfde: fantasie is prima, zolang ik maar baas ben over die fantasie óf er niet door beduveld word. Een reportage over de oorlog in Syrië die van geen kanten klopt? Zeur niet zo, wees blij dat er aandacht voor is. Een product dat niet doet wat de ronkende reclame beloofde? Hoed u. Een onwelgevallige diagnose van de dokter? Weet u, ik zoek mijn diagnose wel bij elkaar op internet.

—————

Men gelooft daarentegen maar wát graag in de fantasie van anderen zolang die het eigen gemoed streelt. Weet u nog dat de achtergrond van het logo van McDonald’s ooit knalrood was? Een paar jaar geleden maakte de fastfoodketen ’m warm donkergroen. De hamburgers werden er niet minder vet of plantaardiger of diervriendelijker van, maar stiekem dacht de consument toch een klein beetje, gewoon voor het lekkere gevoel, dat het wel zo was.

De vindingrijkheid van marketing- en reclamebureaus is daarmee om meerdere redenen een gigantisch probleem. Juist waar letterlijkheid zó gewenst is, ontbreekt er ieder spoor van. Als consument zou je eigenlijk moeten willen weten wat de sociale, ecologische en economische prijs is van het product dat je koopt. En hoe goed het nu eigenlijk voor jouzelf is. Heel precies, heel letterlijk. Maar de bureaus hangen er een waas van leugenachtige fantasiepraatjes omheen en veel consumenten vinden het wel prima.

De recent gekozen ‘minister van nieuwe economie’ Michel Scholte vormt daarop een uitzondering. Via de door hemzelf opgerichte True Price-beweging spant hij zich in voor extreme letterlijkheid op het gebied van prijskaartjes. Hij streeft naar prijzen die kloppen en recht doen aan de echte waarde van consumptiegoederen, aan de waarde van mens en milieu nu, en in volgende generaties.

De beweging die Scholte, zelf een millennial, heeft ingezet, zal door generaties na hem ongetwijfeld worden bestendigd. De lichting van ná de millennials, geboren tussen 1995 en 2010, beter bekend als de generatie Z, wordt door het gerenommeerde adviesbureau McKinsey nota bene de ‘True Gen’ genoemd. Een uitgebreide studie naar deze generatie, zo licht het adviesbureau toe, laat één terugkerend element in al hun gedragingen zien: de zoektocht naar waarheid.

Tegelijk is het maar zeer de vraag of we onder de druk van deze jonge en waarheidslievende mensen een tijdperk betreden waarin transparantie, waarachtigheid en eerlijkheid de norm worden. Er zijn genoeg instanties en bedrijven die weten hoe ze op de nieuwe waardenoriëntatie moeten inspelen, waarbij window dressing en moderne aflatenhandel hand in hand gaan. Zo is het bijvoorbeeld verheugend dat Albert Heijn steeds meer biologische en fairtrade-producten verkoopt en de schapruimte voor vleesvervangers allengs verbreedt. Maar daarnaast worden er wel erg veel levensmiddelen en eenpersoonsmaaltijden verpakt in niet-gerecycled plastic. Worden we gefopt met een hele rits zelfverzonnen nepkeurmerken die op geen enkele wijze allerhande ecologische of diervriendelijke claims kunnen onderbouwen. Verschijnt er nog altijd maandelijks een gratis magazine, dat ook nog eens almaar dikker wordt. Wordt er gestrooid met spaaracties voor pannen, voetbalplaatjes en toegangskaartjes voor pretparken, waarvoor achter de schermen exorbitante deals gesloten worden. Wij hebben geen idee hoeveel wij daar als consument aan meebetalen.

Hoe enthousiasmerend deze nieuwe vormen van letterlijkheid in eerste instantie ook zijn – omdat ze in dit domein wel degelijk voor wenselijke transities kunnen zorgen vanuit een sterkere beleving van verbondenheid met de wereld, de aarde en de toekomst – uitgerekend hier bestaat de mogelijkheid om met behulp van slimme pr en fake-helderheid andere misstanden aan het zicht te onttrekken. Eerlijker is: geen gratis magazines meer, niet in de supermarkt, niet in de natuurvoedingswinkel, niet als beloning voor het donateurschap van een goed doel, en niet bij zelfverklaarde kwaliteitskranten.

—————

Zal het letterlijkheidsvirus ons als corona blijven besmetten? De leesmethode waarmee schoolkinderen vandaag – het potentieel van morgen – de wereld van de neergeschreven verbeelding betreden, baart zorgen. ‘Veilig leren lezen’ heet die methode. Binnen dit leerplan maken de kinderen geen kennis met woorden die nog niet in hun beperkte vocabulaire voorkomen, en evenmin met situaties die niet direct herkenbaar zijn of niet aansluiten bij hun leefwereld. En zo sneuvelt hun onderscheidingsvermogen al in een vroeg stadium. De kinderen ontwikkelen nauwelijks tot geen sensitiviteit voor overdrijvingen, meerduidigheid, eufemismen, metaforen, ironie en fantasie waarvan boeken idealiter vergeven zijn. Ja, veilig is het allemaal wel, maar lezen wordt er tegelijkertijd knoertsaai van. En kinderen zijn niet dol op saaie dingen.

De vraag die zich begint op te dringen: waarom zijn wij er zo van overtuigd dat niet-letterlijkheid als een mogelijkheid om je uit te drukken zo verschrikkelijk belangrijk is? Het antwoord is tamelijk eenvoudig. Omdat die meerduidigheid, die stijlfiguren en die fantasie recht doen aan wie wij echt zijn. Wij mensen zeggen vandaag dit en morgen dat. We zijn verdrietig en maken toch een grap. Tegenovergestelde gedachten en gevoelens vloeien tegelijkertijd door ons heen, doorlopend. Zo zijn wij. Daarom moeten we, wanneer we onszelf en de ander recht willen doen, de volle reikwijdte van onze verbeelding benutten. Met letterlijkheid slaan we de onpeilbare werkelijkheid waarin we ons als unieke individuen op de meest tegenstrijdige manieren voortbewegen, helemaal plat. Ons begrip van elkaar lijkt er op het eerste gezicht misschien beter van te worden, maar het zal, net als veilig lezen, snel gaan vervelen.

Gaat het ons op een dag opbreken? Wij zijn er niet bang voor. De lezer en kijker en luisteraar en consument en burger zullen er op een dag doodmoe van worden, en weer snakken naar bloemrijke volzinnen en schilderachtige metaforen. En is het met de, laten we zeggen, gezonde verbeeldingskracht helemaal gedaan? Godzijdank niet. Er worden nog kinderen geboren met ingeschapen fantasie. Die hoeft maar gevoed te worden, en moeder natuur doet de rest. Er lopen nog schrijvers rond, en filosofen, theatermakers en cabaretiers, bezielde leerkrachten en kunstenaars, componisten en filmmakers, allemaal met hun hoofd nog op de romp, en in dat hoofd ontembare verbeeldingszin.

Nee, we laten de hoop niet varen. Maar we moeten wel een beetje uitkijken. Oppassen dat we kinderlijke fantasie niet doven met stompzinnige feitelijkheid. ‘Een rivier die stroomt van zee naar de bergen? Dat kan natuurlijk niet.’ Oppassen dat we onze verhalen, parabels, kunstwerken, monumenten, gedichten, symbolen en rituelen niet van hun innerlijke kracht ontdoen door ze grofweg binnenstebuiten te keren. Elk genre heeft zijn eigen, kwetsbare, verhouding tot het geheim, en daar moeten we vol achting mee omgaan.

We moeten uitkijken dat we de grote vragen niet aan biologen en natuurkundigen uit handen geven. Waarom zouden we? Op de waarom-vraag van het leven bestaat immers geen academisch antwoord en als het wel bestaat zullen we het niet geloven. We moeten oppassen dat we ons bij de aanschaf van producten en diensten niet laten piepelen door de verbeeldingskracht van marketeers.

Een beetje oppassen, een beetje uitkijken, dan komt het wel goed. Valt het allemaal toch mee, zeg. Zie je, we hebben het in ons hoofd weer veel te groot gemaakt.


Désanne van Brederode (1970) is schrijver en filosoof. Jasper van den Bovenkamp (1987) is freelance journalist