Het einde van de Goebbels-mythe

Bijna tachtig jaar gold Joseph Goebbels als het propagandistisch genie achter de nazidictatuur. Peter Longerich ontmaskert hem nu als een klinisch narcist, ziekelijk afhankelijk van Adolf Hitler.

Peter Longerich, _Goebbels: Een biografie. _De Bezige Bij, 736 blz., € 59,90

Berlijn, 18 februari 1943. Het Sportpaleis is tot de nok gevuld met nsdap-leden in uniform, oorlogsgewonden, Hitler-jongens, arbeiders uit de wapen­fabrieken, acteurs en andere prominenten. De rumoerige, naar sigarettenrook en oorlogszeep riekende meute is zorgvuldig bijeengeschraapt in opdracht van de Berlijnse Gauleiter die niet toevallig de belangrijkste spreker is. Hij is een onooglijke man met een ingevallen gezicht en een klompvoet, maar ook met de grootste bek van Duitsland. Nu Stalingrad is gevallen en een gedeprimeerde Adolf Hitler zich op zijn Beierse berg heeft teruggetrokken, waant Joseph Goebbels, rijksminister voor Volksopvoeding en Propaganda, zich voor even de ziel van de natie.

Met gezwollen stem waarschuwt hij voor het nieuwe gevaar: ‘De stormloop uit het Oosten is begonnen.’ Hij schetst de gevolgen van een Russische overwinning: de vernietiging van de Duitse steden, de verkrachtingen, de veroordeling van het Duitse volk tot ‘dwangarbeid in de Siberische toendra’s’. ‘Nooit!’ schreeuwt de meute. Alleen onze onvoorwaardelijke inzet kan die ramp voorkomen, gaat hij voort, zonder onderscheid tussen man en vrouw, tussen hoog en laag, rijk en arm. ‘Sieg Heil!’ antwoordt het publiek. Dan heft hij zijn linkerhand. ‘Ik vraag jullie’ – hij staart in de kolkende zaal, spert zijn mond open en krijst in staccato – ‘Willen jullie de totale oorlog!?’ Een daverend ‘Ja!’ welt op uit veertienduizend kelen, de rechterarmen gaan massaal omhoog. Triomfantelijk plant Goebbels zijn handen in zijn zij. Dan heft hij zijn slappe schrijversvuistje en zwaait het als een oververhitte metronoom voor zijn borst heen en weer, als om zichzelf op te zwepen: ‘Willen jullie hem totaler en radicaler dan we ons tot nu toe zelfs maar konden voorstellen!?’ Opnieuw oorverdovende toejuichingen, de ontlading is compleet en Goebbels oogst de finale bijval met overslaande stem: ‘Volk sta op! Storm breek los!’

De geluidsband én de opnamen die de Deutsche Wochenschau maakte zijn integraal bewaard gebleven. Ook na zoveel jaren is Goebbels’ _Totaler Krieg-_toespraak, zoals hij al gauw werd genoemd, adembenemend in zijn brutaliteit en schijnbare effectiviteit. Wat Goebbels aankondigde was niet alleen een nog hardvochtiger oorlog tegen de joden, tegen de Oost-Europese ‘horden’ en tegen de Angelsaksische ‘pluto­cratenbende’, maar ook de volledige zelfopoffering van het Duitse volk. Indien nodig zou het tot de laatste man en vrouw moeten sterven voor zijn leider. ‘Mijn toespraak laat de allerdiepste indruk achter’, schreef hij tevreden in zijn dagboek. ‘De Führer noemt het een eersteklas meesterstuk van psychologie en propaganda.’

Dat oordeel onderschreven ook de meeste geallieerde commentatoren, zowel toen als na de oorlog. Maar welke uitwerking had die redevoering eigenlijk en hoeveel invloed had de maker in werkelijkheid? Het Duitse volk was niet bijzonder onder de indruk. Dat bleek uit de ‘stemmingsrapporten’ van de Sicherheitsdienst die bij ontstentenis van een publieke opinie als een soort heimelijke volksraadpleging voor de nazi-elite dienstdeden. Volgens de Meldungen aus dem Reich van 23 februari vonden veel toehoorders dat het propagandistische doel van de redevoering er veel te dik bovenop had gelegen. Prompt kregen de brengers van het nieuws per circulaire op hun donder. Goebbels wenste verschoond te blijven van het gezeur van ‘kringen die altijd en eeuwig kritiek hebben’. In plaats van afwijkende geluiden te registreren, deden de rapporteurs er beter aan die te onderdrukken met een ouderwets pak slaag.

Nog teleurstellender was de reactie van de grote leider. Hitler voelde niets voor de ‘totale mobilisering’ die Goebbels wenste. De voorgestelde afslanking van het landsbestuur om honderdduizenden mannen vrij te maken voor het front achtte hij prematuur. De sluiting van casino’s, wedkantoren en chique restaurants verwierp de Führer ook: dat zou geld aan de economie onttrekken en de mensen hun levenslust ontnemen. En op 9 mei meldde hij een verbijsterde Goebbels dat ook de vrouwen ontzien moesten worden: ‘zodra we aan hun schoonheidsmiddeltjes komen, zullen ze onze vijand zijn’. Andere nazicoryfeeën, die meenden dat Goebbels een verkapte staatsgreep had willen plegen door zich als enige echte woordvoerder van Hitler op te werpen, lachten in hun vuistje.

Bijna tachtig jaar gold Joseph Goebbels als het propagandistisch genie achter de nazi­dictatuur. Zijn imago sloot naadloos aan bij het zelfbeeld van de nazi’s als een eendrachtige, doelbewuste beweging. Dat beeld is echter al geruime tijd doorgeprikt door historici die benadrukken dat de nazistaat allesbehalve monolithisch was. Het was in veel opzichten een chaotische constructie, deels verlamd door bureaucratie, deels verscheurd door rivaliserende facties en de irrationele aandriften van leidende persoonlijkheden. De doelstellingen werden van jaar tot jaar en soms zelfs van dag tot dag bijgesteld, afhankelijk van de luimen van de Führer of van de vraag wie achter zijn rug de meeste invloed wist uit te oefenen.

Goebbels behoorde niet tot die invloedrijke kring, schrijft zijn biograaf Peter Longerich. Hij had niet dezelfde greep op Hitler als de hyperintelligente arbeidsminister Albert Speer, ook niet de presentie van de vlezige luchtmaarschalk en morfinist Hermann Göring die keer op keer ontslag ontliep hoewel zijn opzichtige incompetentie de oorlog met zeker een jaar heeft bekort. Goebbels werd bijna overal buiten gehouden. De machtsovername, de herbezetting van het Rijnland, de overeenkomst van München, de inlijving van Oostenrijk, de aanval op Polen en Rusland – Goebbels wist telkens van niks maar ‘sloeg vol bewondering, haast met open mond, elke stap van Hitler gade’. Hij mocht de voldongen feiten aan de Duitse massa verkopen, maar zelfs daarbij hield de leider voortdurend zijn hand vast. Een opgetrokken wenkbrauw van Hitler was voldoende om een door Goebbels ontworpen propagandacampagne van tafel te vegen. Het opmerkelijke is dat hij dat zelf als enige niet doorhad.

Goebbels was ook de enige uit de nazileiding die Hitler in de dood volgde en daarbij zijn hele gezin meenam. Na de zelfmoord van de Führer had zijn eigen leven geen zin meer, meende hij. De reden was dat Joseph Goebbels, aldus Longerich, vanaf de eerste dag van zijn politieke loopbaan ziekelijk afhankelijk was van Adolf Hitler. Dat psychoanalytisch oordeel ontleent hij aan een zorgvuldige lectuur van Goebbels’ dagboek. Tot voor kort beschikten we enkel over fragmenten daarvan. De door Goebbels vervaardigde microfiches van zijn volledige dagboek, door de Russen als oorlogsbuit meegenomen en in 1992 in een pakhuis nabij Moskou teruggevonden, zijn pas in 2006 integraal uitgegeven. Longerich volgt nauwgezet de chronologie van het dagboek en de gebeurtenissen waarnaar het verwijst, een procédé dat hij ook volgde in zijn fascinerende biografie van Heinrich Himmler (2009). Goebbels komt eruit naar voren als een klinisch-narcistische persoonlijkheid, een man die verslaafd was aan erkenning en voor zijn emotionele stabiliteit volledig afhankelijk was van de goedkeuring van de grote leider met wie hij zich identificeerde. ‘Zijn levensdoel was te bewijzen dat hij, Joseph Goebbels, het hele Duitse volk achter zijn eigen politieke idool en Führer Adolf Hitler kon verenigen.’

Voordat Hitler in zijn leven kwam, was Joseph Goebbels een radeloze verliezer zoals er zo veel in naoorlogs Duitsland rondliepen. Hij had dan wel een doctorsgraad in de filosofie, maar toen hij in 1923 besloot een dagboek bij te houden was hij een mislukte schrijver die zijn gehate baan bij een Keulse bank was kwijtgeraakt en berooid bij zijn ouders was ingetrokken. Vrienden had hij niet, aan vrouwen durfde hij zich niet te binden. Uit artikelen die hij her en der wist te slijten bleek dat hij leed aan reusachtige zelfoverschatting. Hij hunkerde naar erkenning als genie en tegelijk naar een zaak om voor te strijden: ‘Het maakt niet uit waarin we geloven, als we maar geloven.’ De enige constante in zijn innerlijke overtuiging was een diepgeworteld antisemitisme waarin al zijn rancune tegen de geordende samenleving zich samenbalde.

Goebbels viel als een blok voor Hitler zodra hij hem zag spreken. ‘Eindelijk vaste grond onder de voeten’, vermeldt zijn dagboek. Het was niet Hitlers programma dat hem aantrok, maar zijn charisma: ‘We vragen altijd naar de weg. Maar hier is een wil. Die vindt zijn weg wel.’ Dankzij zijn scherpe tong en pen, in combinatie met een totaal gebrek aan loyaliteit jegens ieder ander in zijn omgeving, beklom Goebbels in hoog tempo de partijladder en werd Gau­leiter van Berlijn. Zijn narcistische afhankelijkheid van Hitler domineerde al gauw ook zijn privé-leven. Na een reeks mislukte liefdes liet hij zich in 1931 door Hitler koppelen aan zijn secretaresse Magda Quandt. Hitler, die op Magda verliefd was, schiep zo een driehoeks­verhouding. Hij werd als het ware lid van het gezin Goebbels, bracht opvallend veel tijd met Magda door en ging niettemin als onaantastbare vrijgezel door het leven. Toen Goebbels in 1938 wilde scheiden, beval Hitler dat zij bij elkaar moesten blijven en dicteerde de voorwaarden. Joseph slikte het allemaal en reageerde op elk bezoek, elk compliment, elke minzame wenk van Hitler.

Gaandeweg ondergraaft Longerich het beeld van de briljante propagandist Goebbels. Veel van zijn zelfverklaarde successen (zoals de verovering van het ‘rode bolwerk Berlijn’ voor de nazi’s waarop hij prat ging) houden geen stand in het licht van verkiezingsuitslagen en vele andere feiten. Hetzelfde geldt voor de talloze campagnes waarvoor hij de gelijkgeschakelde media gebruikte. Als toppunt van incompetentie belazerde hij geregeld zichzelf. Hij organiseerde bijvoorbeeld een gewillig publiek voor zijn toespraken, gaf de pers opdracht er lovend over te schrijven, en juichte ’s anderendaags in zijn dagboek dat zijn woorden zo enthousiast waren ontvangen. Voor zijn straatcampagnes verdiepte Goebbels zich ook niet in verhandelingen over massapsychologie, zoals soms wordt gedacht, maar nam hij een voorbeeld aan de Amerikaans geïnspireerde, commerciële reclame die vanaf de jaren twintig Berlijn veroverde.

Zijn verachting voor Leni Riefenstahl, met afstand de beste propagandiste van het nazi­regime, toont zijn gebrek aan oordeels­vermogen. Dat was geen ideologisch oordeel of Geschmacks­sache, welnee: de minister was gepikeerd dat Riefenstahl tussen hem en Hitler kwam. Het was Hitler die haar in de nazigelederen binnenhaalde na het zien van haar eerste film, het broeierige dorpsdrama Das blaue Licht uit 1932. Toen Riefenstahl in 1933 een bioscoopverslag maakte van de Rijkspartijdag in Neurenberg klaagde zij steen en been dat zij haastwerk moest leveren en dat Goebbels’ ministerie zich overal mee bemoeide. Het resultaat, Sieg des Glaubens, was middelmatig. Een jaar later verfilmde Riefenstahl opnieuw de partijdag, nu onder supervisie van Hitler zelf (wiens naam ook op de aftiteling prijkt). Triumph des Willens was briljant, maar Goebbels vond het prutswerk. Riefenstahl heeft nooit meer voor hem gewerkt. Toen zij in 1939 (opnieuw in opdracht van Hitler) met haar Sonderfilmtrupp naar Polen vertrok om de Duitse inval te verslaan, werkte ze voor de propaganda-afdeling van de Wehrmacht waarmee Goebbels tot het eind van de oorlog in een competentiestrijd verwikkeld was.

Het typeert de immer wankele positie van Goebbels, zelfs binnen zijn eigen territorium. ‘Goebbels zou nooit de mate van controle over het hele propaganda-apparaat weten te krijgen die beantwoordde aan zijn pretenties en aan de door hemzelf geschapen, tot op heden uiterst doeltreffende mythe’, schrijft Longerich. Het zou niet de eerste maal zijn dat de wereld het zelfbeeld van een prominente nazi al te serieus heeft genomen. Tankcommandant Heinz Guderian poseerde na de oorlog tientallen jaren met succes als uitvinder van de Blitzkrieg terwijl die eer in werkelijkheid anderen toekwam. Dankzij Longerich weten we nu dat de ‘mythe van de oppermachtige Goebbels-propaganda’ vooral het werk van Goebbels zelf was. En begrijpen we ten langen leste wat hij die dag in het Sport­paleis wilde bereiken: het hele Duitse volk meeslepen in zijn eigen, noodlottige psychose.