Olivia Judson, Dr Tatiana’s Sex Advice

Het einde van de man

Uit twee wetenschappelijke boeken over de evolutie van seks kunnen we opmaken dat de man zijn langste tijd heeft gehad en wellicht uitsterft.

Dr Tatiana van Olivia Judson en Y van Steve Jones — twee populaire wetenschappelijke boeken over de evolutie van seks — zijn zeer verschillend van stijl en inhoud, maar allebei belanden ze bij uiteindelijk bij dezelfde vraag: zijn mannen hun einde aan het naderen? De voorvaders van de moderne mens plantten zich allemaal seksueel voort, vanaf zo’n twee miljard jaar geleden. Gedurende die tijd hebben mannen iedere generatie de helft van het voortplanten voor hun rekening genomen. Als je de herkomst van je genen volgt in die twee miljard jaar heeft (bijna) elk individueel gen de helft van zijn tijd mannelijke lichamen bewoond en de helft vrouwelijke. Maar blijven toekomstige generaties seks toepassen om zich voort te planten?

Tot voor kort stelde niemand die vraag. Maar inmiddels is hij in darwiniaanse kringen gewoon geworden en verspreidt hij zich naar de algemene cultuur. Dolly zou het keerpunt kunnen zijn geweest. In de woorden van Steve Jones: «Dolly het schaap — verwekt zonder mannelijke hulp — was gearriveerd. Haar geboorte herinnerde de halve bevolking aan zijn onzekere positie.»

Olivia Judson schrijft over een ander staaltje wetenschappelijk werk, uit ongeveer dezelfde tijd als Dolly maar minder bekend. Het is het bewijs dat een obscure groep dieren die bdelloidea rotifera (bdelloïde raderdiertjes) heten, «oeroude aseksuelen» zijn. Vele levensvormen zijn exclusieve kloners, maar hun biologische structuur suggereert dat wij mensen niet lang zonder seks zouden kunnen. De meeste exclusieve kloners zijn microben van één cel of minder. Zeer weinig dieren en planten zijn exclusieve kloners. Bovendien zijn de complexe levensvormen die exclusieve kloners zijn evolutionair van korte levensduur geweest. Eenvoudige levensvormen kunnen zich voortplanten zonder seks, maar complexe levensvormen die seks afzweren, lijken snel uit te sterven. Mannen, zo kunnen we afleiden, zijn om een of andere reden noodzakelijk, bij planten en dieren.

Maar die deductie wordt verstoord door de bdelloïde raderdiertjes. Bdelloidea zijn complexe dieren en evolutionair oeroud: ze bestaan al honderd miljoen jaar of meer. Maar niemand heeft ooit een mannetjes-raderdiertje gezien: het lijken exclusieve kloners te zijn. Als dat zo is, zoals Judson zegt: «zijn de implicaties schokkend… als zij zonder seks of mannetjes kunnen, kan de rest van ons dat misschien ook».

Tot zo’n twee jaar geleden hadden we alleen negatief bewijs: nooit was waargenomen dat bdelloidea seks toepasten. Nu hebben we positief bewijs van klonen bij bdelloidea. Het komt voort uit het verschil tussen de twee exemplaren van ieder gen binnen een enkel lichaam.

Ieder van ons heeft twee exemplaren van ieder gen in ons lichaam — één van onze vader, het andere van onze moeder. De twee exemplaren lijken ofwel veel op elkaar, of zijn identiek. Dat moeten ze ook zijn, vanwege de natuurlijke selectie in het verleden. We hebben genen die de codes leveren voor allerlei dingen waaronder, bijvoorbeeld, efficiënte spijsvertering. Wanneer een nieuwe versie van een spijsverteringsgen zich aandient — een versie die superieur is aan de vorige versie — verhoogt dat de kans dat de drager ervan zal overleven en zich voortplanten. De nieuwe versie van het gen zal zich dan in de loop van de tijd verspreiden, tot het uiteindelijk honderd procent van de exemplaren van het gen in de populatie beslaat. Dat is waarom de moederlijke en vaderlijke exemplaren van elk van je genen zo goed als gelijk zijn. Het zijn afstammelingen van superieure genen, gevestigd door natuurlijke selectie in het verleden.

Hetzelfde kan niet gebeuren in een klonale populatie, zoals de bdelloidea rotifera. Als een nieuwe superieure versie van een gen verschijnt, zal het in het begin één van de twee exemplaren van dat gen in een enkel organisme zijn. Dat organisme zal beter overleven en zich voortplanten, en het gen vermenigvuldigt zich. Echter, het gekloonde nageslacht van het gemuteerde organisme is genetisch identiek. Ze hebben ook een exemplaar van de superieure versie van het gen, samen met een exemplaar van de oude versie van het gen. Het proces kan doorgaan tot ieder lid van de soort is afgestamd van de gemuteerde bdelloid maar nog altijd zullen ze allemaal een exemplaar van de superieure versie van het gen bezitten samen met een ander exemplaar van de vorige, verschillende versie.

Waar de twee exemplaren van een gen in een seksueel verwekt individu veelal hetzelfde zijn, zijn de twee exemplaren in een sinds lange tijd gekloond individu zeer verschillend. De exemplaren van elk gen in een raderdiertje zijn in feite zo verschillend dat we redelijk zeker kunnen zijn dat bdelloidea honderd miljoen jaar of zo geen seks hebben gehad. De voor de hand liggende vraag is: waardoor kunnen deze wezens overleven zonder seks? Niemand weet het, hoewel Judson enkele ideeën aandraagt.

Bdelloidea rotifera zijn niet de enige wezens waarbij genenparen verschillen binnen een individu door een vroegere geschiedenis van klonen. Het wordt zelfs aangetroffen in een deel van het menselijk DNA: het Y-chromosoom (de «Y» van de Steve Jones’ boek). Onze cellen bevatten 23 paren chromosomen. Een daarvan bestaat uit de geslachtschromosomen, die de sekse bepalen. De geslachtschromosomen zijn er in twee vormen, X en Y. Als je twee X-chromosomen hebt, ben je een vrouw; heb je een X en een Y, dan ben je een man. Het Y-chromosoom wordt dus alleen aangetroffen in mannen. Het Y-chromosoom fungeert als een hoofdschakelaar die mannelijke ontwikkeling in gang zet.

Het Y-chromosoom plant zich, in genetische termen, klonaal voort. Bij vrouwen wisselen de twee X-chromosomen hun genen op de normale seksuele manier. De X-chromosomen planten zich voort als alle andere chromosomen, en de twee exemplaren van elk gen op de X-chromosomen in een vrouwenlichaam zijn zeer vergelijkbaar. Maar in mannenlichamen worden genen niet gewisseld tussen de X- en Y-chromosomen. Als een vader een zoon voortbrengt, geeft hij hetzelfde Y-chromosoom door als hij van zijn vader erfde: dat wil zeggen dat Y-chromosomen een kloon zijn.

De genen die je erft op alle 22 niet-geslachtschromosoomparen zijn in hoge mate gelijk van je vader en moeder. Maar als je een man bent, zijn de genen op je Y-chromosoom zeer verschillend van die op je X-chromosoom. Het verschil tussen X- en Y-genen laat zien dat het Y-chromosoom een «oeroude aseksueel» is in het menselijke DNA. Het Y-chromosoom gaat over van vader op zoon in een onbevlekte patriline, niet aangetast door vrouwelijke genen. Eerder zei ik dat de genen in je lichaam de helft van hun voorouderlijke tijd in mannelijke lichamen hebben doorgebracht en de helft in vrouwelijke. Als je mannelijk bent, geldt dat niet voor de genen op je Y-chromosoom. Ze hebben gedurende lange tijd alleen mannelijke lichamen bewoond.

Het Y-chromosoom kan ons iets vertellen over wat er gebeurt met gekloond DNA in mensen. In de loop van de evolutie is het Y-chromosoom gekrompen. 150 tot tweehonderd miljoen jaar geleden was het even groot als het X-chromosoom. In die tijd droegen de voorouderlijke Y- en X-chromosomen elk ongeveer duizend genen. Het moderne menselijke Y-chromosoom heeft slechts vijftig genen. Het Y-chromosoom is gekrompen met zo’n vijf genen per miljoen jaar. Waarschijnlijk is het gekrompen omdat seks nodig is om genetische informatie te behouden. Zogauw DNA het zonder seks moet doen, begint het te vervallen. Het genetisch gekloonde, evolutionair krimpende, exclusief mannelijke Y-chromosoom is een soort monument voor de noodzakelijkheid van mannetjes.

We kunnen een apocalyptische, zij het onzekere, voorspelling doen. Als het Y-chromosoom vijf genen per miljoen jaar blijft verliezen, zal het in de komende tien miljoen jaar compleet verdwijnen. Tegen die tijd moet of een ander gen verschijnen om mannelijke ontwikkeling te sturen, of we moeten het klonen perfectioneren — of we sterven uit. «Het Y-chromosoom», zegt Jones, «is een overblijfsel van een ooit machtige structuur, die in een paar miljoen jaar zou kunnen verdwijnen.»

De voorziene evolutionaire onzekerheid van mannetjes is ongeveer het enige punt van contact tussen de boeken van Judson en Jones. De vader-zoon-erfenis van Y-chromosomen wordt gebruikt om mannelijke bewegingen te traceren in de afgelopen paar honderdduizend jaar, en mannelijke voortplantingsgewoonten in het heden. Jones beschrijft die research helder, en met zijn karakteristieke droge humor.

Dr Tatiana is geschreven in een hoogst individuele stijl. Het boek bestaat uit een reeks Lieve Lita-columns. Elke begint met een brief van een dier over zijn seksleven. Dr Tatiana antwoordt en geeft advies: een handige vorm om een breed gebied van natuurhistorie te populariseren. Judson keert graag genderstereotypen om. Vaak denkt men dat mannen en vrouwen verschillen in wedijver en promiscuïteit. Maar Dr Tatiana behandelt soorten waarbij vrouwtjes strijden om mannetjes, en mogelijkheden zoeken voor verscheidene partners tegelijk.

Dr Tatiana is niet het boek dat je hardop voorleest op een theekransje van de kerk. Judson geniet van de plastische details van de natuurlijke voortplanting, en schopt graag tegen heilige huisjes. Zo moeten bij leguanen mannetjes snel ejaculeren om hun coïtus niet interruptus te laten worden door een rivaal. «Dat is de reden dat jonge mannen masturberen als ze een meisje zien langskomen. Aftrekken verkort de tijd die ze nodig hebben om te ejaculeren tijdens seks.» De mannelijke krabspin daarentegen «is een geweldige minnaar: hij doet aan bondage, bindt het vrouwtje vast (zij heeft mazzel!) voor het liefdesspel begint». Bij de kleine bruine vleermuis «kruipen anonieme mannetjes door enorme winterholen en verkrachten vrouwtjes (en zelfs mannetjes) die in winterslaap zijn». Schorpioenvliegen stelen soms voedsel, dat wordt aangeboden bij de verleiding, van spinnen. Een spinnenweb kan gevaarlijk zijn. «Tip: als je een jongensschorpioenvlieg bent, zul je een grote, ronde penis hebben. Als je in het hol van een spin zit en de eigenaar probeert je tegen te houden, mep haar dan met je deel en ze zal weggaan. Meisjes, als jullie in die situatie belanden, ram je kop in de kont van die arme spin.»

Deze citaten kunnen een lekkermakertje zijn, of een waarschuwing. Ik vond de bevrijde stijl prettig. Er zit iets artistieks in Dr Tatiana. Ik kan me echter voorstellen — ik heb het al ontdekt — dat het sommige lezers minder bevalt. Voorvechters van wetenschappelijke zuiverheid zullen het afwijzen als antropomorfisch. Voorvechters van politieke zuiverheid zullen het afdoen als incorrect. Je kunt niet iedereen blij maken.

De onbevlekte ontvangenis, dat theologische mysterie, is een biologisch mysterie geworden. We weten iets over het lot van gekloond DNA — het lijkt te overleven in bdelloidea rotifera, maar niet in het Y-chromosoom. Maar ons begrip van die feiten is beperkt, en we kunnen nog steeds niet verklaren waarom zondige voortplanting de overhand heeft in veel van het aardse leven.

© Prospect

Olivia Judson

Dr Tatiana’s Sex Advice to All Creation

Metropolitan Books, 320 blz., $ 24,-

Steve Jones

Y: The Descent of Man

Little, Brown & Company, 280 blz., $ 14,99