AANPAK PROBLEEMJONGEREN FAALT

Het einde van de nieuwe flinkheid

Opvoedkampen blijken averechts te werken, kickboksles voor hangjongeren leidt tot meer geweld en ‘Glenn Mills’ kost vooral geld. Amper op een hoogtepunt heeft de nieuwe flinkheid haar langste tijd gehad. Alweer.

IN EEN KAMP en dan castreren/ Nou dan zouden ze wel leren’, zong Robert Long in zijn persiflage op de hardwerkende burger, Mien. Een reeks recente onderzoeken en rapporten wijst het tegendeel uit. De ‘lang behaarde vieze gore zwijnen’ van Long blijken nauwelijks iets op te steken in kampen. Althans, niet veel goeds.
Met disciplinaire opvoedingsinstituten, -kampen of -tochten worden ‘weinig optimistische resultaten’ behaald, stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het deze maand verschenen rapport Sociale veiligheid ontsleuteld. De harde aanpak, waarbij probleemjongeren afgezonderd en gedrild worden, zorgt er niet voor dat ze in het vervolg minder snel de fout in gaan. Integendeel, schrijven de onderzoekers: ‘Programma’s die jongeren via disciplinering en groepsdruk moeten heropvoeden, zoals heropvoedingskampen of -internaten, verhogen juist de kans dat jongeren opnieuw de fout ingaan bij terugkeer in de samenleving.’
Een voorbeeld hiervan zijn de Glenn Mills-scholen, die sinds een jaar onder vuur liggen. Dat is niet alleen vanwege de omstreden holdings, waarbij de begeleiders de leerlingen soms hardhandig vastpakken en tegen de grond drukken. Ook de resultaten zijn niet om over naar huis te schrijven. Glenn Mills, dat in het regeerakkoord nog tot voorbeeld werd gesteld, blijkt zelfs minder goed te presteren dan ‘gewone’ jeugdinrichtingen. Vier jaar na dato heeft 78 procent van de oud-leerlingen één of meer misdrijven gepleegd, tegenover 58 procent bij andere instellingen. Dat blijkt uit cijfers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie, dat het verschil relativeert door te wijzen op de ‘zwaardere klanten’ die Glenn Mills behandelt. Desondanks lijkt de aanpak, waarbij de nadruk ligt op groepsdruk en het uitdelen van statusverhogende en -verlagende beloningen en straffen, soms averechts te werken. Niet vreemd: de klandizie bestaat uit jongeren bij wie de problemen vaak juist samenhangen met overgevoeligheid voor groepsdruk en status, gepropageerd door het blingblingkapitalisme.
Ook in Amerikaans onderzoek komt naar voren dat de populaire paramilitaire bootcamps niet tot een daling van recidive leiden. De kampen zijn inmiddels op hun retour in de Verenigde Staten. Noorse onderzoekers hebben evenmin een geruststellende boodschap voor Nederlandse beleidsmakers. Het ministerie van Volksgezondheid steekt twaalf miljoen euro in vechtsporten voor risicojongeren, zoals kickboksen. De ervaring leert dat zij niet, zoals gehoopt, na een uurtje stoom afblazen hun agressie kwijt zijn. De nieuw opgedane stof wordt buiten de sportschool in praktijk gebracht: de jongeren vechten volgens de Noren vaker en richten vernielingen aan. De misplaatste subsidie voor vechtsporten is waarschijnlijk geen uitzondering. Het onderzoeksbureau van de Tweede Kamer schreef in een rapport dat over de effectiviteit van behandelingen in de jeugdzorg amper iets bekend is.
We doen maar wat, is de harde conclusie die zich opdringt. Liefst iets wat stoer klinkt, waarbij jongeren afgezonderd worden van de beschaafde wereld en ze militaire discipline krijgen bijgebracht. Want een harde aanpak valt in goede aarde bij de man van Mien. En die stereotiepe hardwerkende burgers zijn het electoraat waar politiek Den Haag de aansluiting mee wil hervinden.

Dat is niets nieuws. De ‘nieuwe flinkheid’ van de laatste jaren is in werkelijkheid een terugkerend fenomeen. Direct na de Tweede Wereldoorlog werden ‘onopvoedbare onmaatschappelijken’ al in speciale werkkampen geplaatst. Ook toen heerste grote zorg over het gebrek aan orde en tucht bij de jongeren. Die hadden zich in de roes van de bevrijding voor heel even aan de beklemmende verzuilingsmoraal weten te ontworstelen. Het tot dan toe grootste sociaal-wetenschappelijk onderzoek in de Nederlandse geschiedenis bevestigde de vrees van de ouderen. De jeugd was van God los door de teloorgang van tradities, geloof en sociale conventies. Opinieonderzoeken die de angsten van de opvoedende generatie ontkrachtten, waren aan dovemansoren gericht.
Bijna een halve eeuw later tapte toenmalig premier Ruud Lubbers nog steeds uit hetzelfde vaatje. In 1993 pleitte de christen-democraat voor strafkampen voor veroordeelde, criminele jongeren, inclusief kazernes en beroepsmilitairen. Heel wat minder aandacht was er vier jaar later voor de evaluatie van de ‘Lubbers-kampementen’. Het grootste deel van de jongeren was voortijdig afgehaakt; de nieuwe aanpak leverde weinig op. Het weerhield Lubbers’ opvolger Wim Kok er eind jaren negentig niet van het idee van kampen voor jongeren opnieuw in overweging te nemen.
Hij stond en staat daarin niet alleen. Drilkazernes, tuchtscholen, strafkampen: stuk voor stuk termen die de afgelopen jaren de revue passeerden. De Amsterdamse hoofdcommissaris Kuiper pleitte in 1998 al voor ‘verbeterkampen’. Hans de Boer, oud-voorzitter van de Taskforce Jeugdwerkloosheid, sprak enkele jaren terug over zogeheten prepcamps, waar probleemjongeren gedrild zouden worden door een sergeant. ‘Voor twee jaar opsluiten op een eiland’, suggereerde een Amsterdamse D66-politicus bij een andere gelegenheid.
Een aardige graadmeter voor de populariteit van het wegstoppen en militair tuchtigen van jongeren is het feit dat ook de televisie wegloopt met het concept. In Van etter tot engel worden ‘totaal ontspoorde pubers’ naar een ‘heropvoedingskamp in Kenia’ gestuurd. ‘Hier worden de etters onderworpen aan een streng regime’, belooft de voice-over van de op buitenlandse voorgangers geïnspireerde real life soap. En het kan nog echter. Het leger kent zijn eigen variant, ‘de Uitdaging’. Bij dit project brengen militaire instructeurs probleemjongeren drie maanden lang discipline bij. Daarnaast pogen ze hen te interesseren in een baan bij het leger. Net als bij de Lubbers-kampen is ook hier de uitval groot.

Met deze zero tolerance-, recht-door-zee-trend rekent het SCP-rapport genadeloos af. Er zijn geen aanwijzingen, schrijven de onderzoekers, ‘dat met “zeker, sneller en strenger straffen” meer successen geboekt worden dan met ander beleid het geval zou zijn’. De jarenlange, stoer ogende kritiek op de ‘softe’ en ‘naïeve’ aanpak van criminaliteit snijdt in de praktijk geen hout. Doorpakken blijkt aanmodderen.
Het grootste probleem van de huidige aanpak zit hem in de terugkeer in de maatschappij. Zolang deze er – gelukkig maar – niet uitziet als één grote legerbarak krijgen de risicojongeren onvermijdelijk te maken met aanpassingsproblemen. Bovendien: zíj kunnen wel veranderd zijn, hun wijk, gezin, sociaal-economische status en vriendengroep zijn dat niet. Een stuk veelbelovender noemt het SCP dan ook de ‘ambulante’ aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit die zich concentreert op een kleinere groep échte probleemjongeren, in hun dagelijkse omgeving. Een voorbeeld daarvan is een nieuwe Amerikaanse therapie die ook in Nederland opgang maakt. Daarbij wordt de jongere niet langer afgezonderd in een kamp of internaat. In plaats daarvan bemoeit een hulpverlener zich intensief met diens omgeving: ouders, vrienden, school en werk. De therapeut is 24 uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar en begeleidt dan ook niet meer dan vier gezinnen tegelijkertijd. Vijf jaar na deze therapie was zeventig procent van de Amerikaanse jongeren niet opnieuw op het verkeerde pad geraakt. Zo’n beetje het omgekeerde cijfer als bij de heropvoedingskampen. Hoezo soft en naïef?
De militarisering van het jeugdbeleid is daarmee door de wetenschap min of meer afgeschreven. De politiek moet de draai nog maken. De stroom stoere proefballonnetjes van landelijke en lokale politici is amper afgenomen. Wel eiste de Tweede Kamer na de recente, verontrustende cijfers meer inzicht in de effectiviteit van maatregelen om criminaliteit en overlast door jongeren tegen te gaan. Bij die kritischer houding zullen de weggegooide belastingcenten geen geringe rol hebben gespeeld.
Van een omslag in het denken is daarmee nog geen sprake. Het beste bewijs hiervoor is dat minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin blijft vasthouden aan zijn voornemen om deze kabinetsperiode overal in het land campussen te bouwen voor probleemjongeren. Het idee klinkt opvallend bekend in de oren: in 2011 moeten in prepcamps jaarlijks duizenden ‘onwillige jongeren’ tussen de 12 en 27 jaar die geen werk hebben of opleiding volgen, worden heropgevoed. Discipline en een strikte dagstructuur staan centraal. Op dit moment lopen hiermee negen experimenten. De minister trekt twintig miljoen euro uit voor het plan, hoewel de kosten worden geschat op jaarlijks veertigduizend euro per jongere. Deelname kan alleen vrijwillig zijn, maar met onder meer de nieuwe leerwerkplicht voor jongeren tot 27 jaar heeft de overheid een stevige stok achter de deur. Wie weigert, kan fluiten naar een uitkering.
Dat zal ze leren, het werkschuw langharig tuig – of die Marokkaanse straatterroristen. Het kamp als de ultieme oplossing voor al het maatschappelijk ongemak appelleert blijkbaar dusdanig aan het Nederlandse gezond verstand dat geen historisch of wetenschappelijk argument daar voor langere tijd stand tegen houdt. Miens man had het ultieme weerwoord voor zulke kritiek: ‘Wat koop ik voor dat slap gelul.’ Een gemakkelijke voorspelling: zelfs als Rouvoets heropvoedingscampussen door alle tegenwerpingen uit wetenschappelijke hoek nu niet opportuun blijken, staan ze binnen tien jaar alsnog op de politieke agenda. De nieuwe flinkheid is voorbij. Het wachten is op de neo-nieuwe variant.