Hoe rechts is genetica

Het einde van de politieke mens

De mens zal alleen nog maar worden bepaald door het genetisch profiel. De toekomst is aan rechts.

Van tijd tot tijd verschijnt er zo'n artikel dat opvalt door robuustheid, niet dankzij de kracht van de argumentatie, maar dankzij de rondborstige stellingname. Het respectabele Britse maandblad Prospect, waar het Labour-bloed rijkelijk door de aderen vloeit, drukte in het aprilnummer geen betoog van Tony «Derde Weg» Blair af, maar «Genetics of the Right» van de «controversiële sociale wetenschapper» Charles Murray.
Murray «controversieel» noemen is in dit geval geen overdrijving. In 1994 kreeg hij, samen met Richard J. Herrnstein, grote bekendheid als auteur van The Bell Curve, een dik boek met veel cijfers en klokvormige grafieken, waaruit de lezer onder meer kon afleiden dat zwarten dommer waren dan blanken, die het op hun beurt weer op punten verloren van de Aziaten. De auteurs verdedigden de opvatting dat intelligentieverschillen een belangrijker rol speelden bij problemen als armoede en misdadigheid dan omgevingsfactoren. De natuur had de mensheid niet gelijkelijk bedeeld, en het werd tijd om dat onder ogen te zien.
Deze boodschap van het eindelijk-wordt-het-eens-hardop-gezegd-type werd in een oplage van 400.000 exemplaren verspreid. Murray en Herrnstein kwamen zwaar onder vuur te liggen: ze werden van racisme beschuldigd, maar ze weken als raszuivere Amerikanen geen centimeter van hun conclusies.

De zoektocht naar een menselijke natuur, beweert Murray in «Genetics of the Right », heeft tot voor kort niet veel opgeleverd. Als systeembouwers hebben Aristoteles, Rousseau, Freud, B.F. Skinner en ook Marx gefaald. Er bleek niet zoiets te bestaan als «een» menselijke natuur, hooguit een distributie van karaktertrekken. «Uit de ervaring van alledag weten we dat sommige mensen zich zelfzuchtig en andere zich altruïstisch gedragen. Wanneer we zeggen dat menselijke wezens van nature altru ïstisch of zelfzuchtig zijn, beweren we eigenlijk dat een verdeling van de menselijke populatie voor het kenmerk van ‘onderliggende biologische neiging tot altruïsme’ een bepaalde vorm en mediaan zal hebben» - de statisticus spreekt tot ons, en daarbij had het kunnen blijven.
Maar Murray komt nu pas op dreef. Sinds kort zijn de tijden veranderd, meent hij. Psychologen hoeven niet langer genoegen te nemen met waarschijnlijkheden; neuro-wetenschappers en moleculair biologen boeken de laatste jaren grote vooruitgang. Murray sluit zich van harte aan bij de E.O. Wilson van Consilience (1998): de exacte wetenschappen werken steeds succesvoller samen met de sociale wetenschappen en «the explanatory network now touches on the edge of culture itself». Volgens Murray begrijpen we al «bijna» hoe de menselijke natuur «sociale en politieke instituties voortbrengt»; het zullen de genetici en breinonderzoekers zijn, en niet de sociale wetenschappers die de ware aard van onze samenleving blootleggen. Zulke uitspraken klinken zonder nadere toelichting nog steeds alsof chemische analyses van Rembrandts verfsoorten ook zijn compositorische genie zouden kunnen ontraadselen, maar d át zou niemand geloven. Murray is ervan overtuigd dat we tegen het einde van de eenentwintigste eeuw de «biologische waarheid» dicht zullen zijn genaderd; politieke debatten over de menselijke natuur kunnen we in die arcadische toekomst achter ons laten, en hij voorspelt in é én moeite door dat traditioneel linkse standpunten «onverenigbaar» zullen blijken met de menselijke «bedrading».
Voor de zoveelste keer vernemen wij dus dat het binnenkort nu toch echt afgelopen is met de raadselachtigheid van het menselijk bewustzijn. Murrays suggesties harmoniëren met de wetenschappelijke geest des tijds, gekenmerkt door de opmars van het biologisme en een «nieuw vertrouwen in het reductionisme», in de woorden van Wilson. Genetica en sociobiologie verkleinen de speelruimte voor allerlei idealistische fantasieën, en we gaan, als bezetenen dna-strengen analyserend, eens en voor altijd uitzoeken waarom die praatzieke en moordlustige tweevoeters functioneren zoals ze functioneren, zodat we eindelijk eens kunnen stoppen met dat vage gefilosofeer over invloeden van de omgeving en historisch gegroeide culturele misstanden.
Murrays wereldbeeld is helder als een bergmeer: het zijn vooral de persoonlijke menselijke tekortkomingen - laag IQ, impulsief gedrag, kortetermijnhorizons, indolentie - die voor sociale problemen zorgen. Welke presidentskandidaat zou ronduit durven zeggen: «One reason that we still have poverty in the US is that a lot of poor people are born lazy »? Dit is het bekende armoede-als-eigen-schuld-verhaal dat we uit liberale kringen zo goed kennen, maar ook uit de mond van die snaakse Baghwan Sree Rajneesh, die gelukkig zelf zo rijk was dat hij naar het Westen kon vliegen om zijn levensbedreigende kwalen te laten behandelen, hetgeen overigens niet kon verhinderen dat hij reeds op 57-jarige leeftijd - wat aan de vroege kant voor een Verlichte Meester - zijn laatste bijna-doodervaring doormaakte.

«Genetics of the Right» ziet er bij nader inzien nogal kwetsbaar uit zonder al die mooie platte of hoge klokvormige grafieken. Murray beweert van alles, sluit zich aan bij E.O. Wilson of - erger nog - bij zichzelf en verwijst geheel onnodig naar Thomas Kuhn («the old scientific paradigm begins to show cracks»), wat een hartstochtelijk verlangen oproept naar een wereldwijd moratorium op het bovengronds gebruik van de term «paradigma».
Murray voorspelt dat de «adagia van rechts» - rond de sociale orde, huwelijk, opvoeding - vaker juist zullen blijken te zijn dan die van links, een standpunt dat nauwkeurig overeenkomt met de traditionele opvatting dat rechts uiteindelijk meer zou hebben begrepen van de menselijke natuur. So what, zou je zeggen, want wilde links, in die nog zo kort vervlogen tijden, die menselijke natuur niet onder meer een beetje oprekken, wijzigen, of zelfs de gemeenschappelijke Kolchoz-grond in stampen? Was het juist geen kwaliteit van links dat haar ideeën op min of meer gespannen voet stonden met diverse natuurlijke neigingen als gulzigheid, kortetermijndenken, xenofobie, dat wil zeggen: met de weg van de minste weerstand? Maar zelfs een darwinistische havik als Richard Dawkins gelooft gelukkig nog dat mensen zich tegen de tirannie van hun genen kunnen verzetten.
De diep-menselijke inzichten van rechts boden volgens menigeen meteen ook een sluitende verklaring voor de omstandigheid dat het kapitalisme de Koude Oorlog won: het sloot beter aan bij de Menselijke Natuur. Peter Singers pleidooi voor een Darwinian Left in Prospect van juni 1998 is, ondanks zijn verwijzingen naar Axelrods prisoner’s dilemma en de speltheorie, niet veel meer dan een herformulering van het aloude inzicht dat mensen niet geneigd zijn tegen hun eigenbelang te handelen. Vóór de opkomst van het zogeheten neo-darwinisme was dit allemaal triviale psychologie, een van de lessen die ook Lenin had begrepen toen hij begin jaren twintig de bolsjevistische teugels wat liet vieren ten gunste van de Nieuwe Economische Politiek. Het neo-darwinisme zal, zo valt te vrezen, nog wel vaker wijsheden ventileren die we reeds hadden geabsorbeerd, uit negentiende-eeuwse romans bijvoorbeeld, of uit eigen ervaring. Wanneer we ronduit zeggen dat links «realistisch» moet worden, kunnen we straffeloos tientallen pagina’s speltheorie overslaan.

Na publicatie van The Bell Curve was links Amerika tot verbazing van de auteurs helemaal niet dankbaar voor het ontmaskeren van haar gelijkheidsmythe. Wanneer zwarten chromosoomtechnisch voorbeschikt waren om aan de verkeerde kant van de poverty line te leven, moest de overheid voor sociale en politieke structuren zorgen die de genetische rimpels konden gladstrijken. Murray probeert het in «Genetics of the Right» opnieuw. Hij geeft toe dat milieu- en omgevingsfactoren een rol blijven spelen, maar goed begrip van de biologische component zou het mogelijk maken om tamelijk precieze voorspellingen te doen «about the extent to which changes in fertility patterns may be expected to affect crime and poverty», waarbij de eugenetische scheidsrechters voortaan niet meer zo ruw over «lagere sociale klassen» zullen spreken, maar over «personen met zekere genetische profielen». Murray voorziet dat «eugenics, anathema today, will be a spin-off of the neurogenetic revolution tomorrow», en dat het intellectuele en politieke landschap grondig zal veranderen. «Should we expect that Homo sapiens will take it into its collective heads to redesign itself? I confess to a certain optimism.» Hij kan zich niet voorstellen dat iemand bezwaar zou kunnen maken tegen het verhinderen van aangeboren gebreken en het verbeteren van fysieke en mentale capaciteiten. Je voelt aan alles dat Murray eigenlijk reikhalzend uitkijkt naar de nieuwe eugenetica, maar hij houdt zich een beetje in. Voor hoeveel minder is Sloterdijk onlangs niet aan de schandpaal genageld!
Murray laat zich met dit artikel begroeten als zo'n oud familielid uit Amerika: «Na al die jaren is oom Charles nog niets veranderd». Het verweer van Marek Kohn, «Market Eugenics», in het meinummer, is helaas opvallend vaag en onsamenhangend, en stilistisch verliest hij het van Murray. Kohn somt de bekende bezwaren op, zoals die over de genetische haves en have-nots, die zelf ook weer hoogst speculatief zijn. Hij is, met al dat genetisch gemanipuleerde nageslacht, bang voor een «somewhat creepy air of emotional conformity» en besluit met de vaststelling dat het veranderen van de genen van armen momenteel kennelijk realistischer lijkt dan het veranderen van hun omgeving.
De tekortkomingen van boeken als The Bell Curve zijn al vaak aan de orde gesteld. De begrippen «intelligentie» en «ras» zijn niet gebaseerd op ondubbelzinnige feiten; er is geen enkel bewijs dat de intelligentste mensen stelselmatig boven in de maatschappelijke rangorde verkeren; willekeurige Afrikaanse stammen zijn genetisch gevarieerder dan de rest van de wereld bij elkaar; tijdens een IQ-test moeten taken worden uitgevoerd die minder het IQ meten dan de kwaliteit van het genoten onderwijs; misdaad is niet zozeer het gevolg van intelligentie als wel een reactie op schaarste aan hulpbronnen et cetera. De misvattingen zijn ongeveer even oud nieuws als de kritiek erop, maar ook zo taai als korstmos. Murrays definitieve coming out dateert van drie jaar geleden, toen hij in zijn verklaring What It Means to Be a Libertarian pleitte voor opheffing van de sociale zekerheid en het intrekken van anti-racistische wetgeving. Francis Wheen merkt in The Guardian op: «Om Murrays theorie over de superieure intelligentie van blanken te weerleggen, hoef je niet verder te kijken dan zijn eigen treurig ontoereikende brein.»
Had de redactie van Prospect er plezier in om iemand uit het andere kamp tot een bijdrage te verleiden? Nadere inspectie van de website laat zien dat de redacteuren de laatste tijd artikelen met een vergelijkbare thematiek hebben geplaatst, maar nooit zo proto-racistisch als dat van Murray. Peter Singers reeds genoemde pleidooi voor een darwinistisch links komt er op neer dat links haar ideologieën zou moeten baseren op een «modern begrip van de menselijke natuur» en inzicht in onze animale herkomst, dat wil zeggen: op onze neiging om alleen hard te werken als ons eigenbelang ermee gediend is, en W.G. Runciman betoogt in «Socialising Darwin» (april 1998) dat de evolutionaire concepten «variatie», «vermenigvuldiging» en «selectie» vruchtbaar kunnen worden toegepast op het sociale leven. Hij herinnert ons er terecht aan dat geen enkele serieuze evolutionair bioloog ooit heeft beweerd dat er specifieke genen voor complex gedrag bestaan - een nuttige opmerking, omdat het voor de tegenstanders verleidelijk is opponenten opvattingen toe te dichten die ze niet hebben.
De behoefte aan een overzichtelijke en controleerbare wereld maakt het omarmen van biologische verklaringen en genetische dromen tot een voortdurende verleiding. De sociobiologie is onder de wat mildere benaming «evolutionaire psychologie» vanaf halverwege de jaren zeventig aan een lange opmars begonnen, de laatste jaren moreel ondersteund door het reusachtige Human Genome Project. Over de successen valt te twisten. De wetenschappers weten tot op heden niet hoeveel betekenisvolle genen de mens heeft (circa tachtigduizend), en er zijn, misschien op een recent Frans succes na, geen gedocumenteerde gevallen waaruit blijkt dat gentherapie ondubbelzinnig heeft gewerkt. Het analyseren van dna-sequenties is iets anders dan het bepalen van de functies van de eiwitten waarvoor wordt gecodeerd, en heel wat anders dan een gentherapeutische aanpak van een van de drieduizend bekende erfelijke ziekten. Tal van gedragsvormen worden door complexen van genen aangestuurd, en de wisselwerking tussen omgeving en genetische verschillen is «onscheidbaar»; misverstanden en ontoelaatbare simplificaties zijn eerder regel dan uitzondering (en wat de Jurassic Park fallacy betreft: nee, we zullen nooit in staat zijn levende dinosaurussen terug te fokken). John Horgan schrijft in The Undiscovered Mind dat hij teleurgesteld is over «de kloof tussen de bescheiden resultaten van het vakgebied en de hyperbolische retoriek die ze inspireerden».
We keren, zij het met lichte tegenzin, terug naar Charles Murray and the like. Waarom zou het eugenetisch denken überhaupt tot het linkse domein moeten behoren? In Francis Fukuyama’s zogeheten «posthistorische» wereld heeft het onderscheid links-rechts zijn grootste kracht verloren, omdat de discussies over politieke en economische alternatieven grotendeels zijn uitgewoed; de meningen hierover lopen weliswaar uiteen, maar Fukuyama’s End of History-concept is, hoewel het al vaak als een grove vereenvoudiging is bekritiseerd, nog niet overtuigend weerlegd. Er gingen in Seattle, Davos en Washington nog wel mensen de straat op «tegen de globalisering» - wat niet veel intelligenter klinkt dan «tegen sneeuwbuien» - en «tegen het imf», maar er was geen theoretisch samenhangend actieprogramma en er stond al helemaal geen nieuwe Daniel Cohn-Bendit op; niemand gelooft nog in ernst dat we de technische en economische koers van de wereld zomaar zouden kunnen wijzigen, laat staan dat iemand weet in welke richting. De gevaren en uitdagingen van de eugenetica vormen een probleem voor de mensheid als geheel, vergelijkbaar met het beleid ten aanzien van milieu, energiebronnen en de verdeling van rijkdommen. Van de politici valt niets te verwachten; ze hebben al moeite genoeg om over spoorlijnen, vliegvelden en Cubaanse jongetjes te beslissen, dus met het menselijk genoom moeten we ze niet lastigvallen.

Is er ook maar één goede reden om «eugenetica» een links onderwerp te noemen, wanneer je je realiseert dat iedereen ermee te maken zal krijgen, wanneer dat dan ook het geval zal zijn? De historie van het eugenetisch denken laat ondubbelzinnig zien dat het altijd al populair is geweest bij linker- én rechtervleugels. Voordat de nazi’s hun morbide varianten in praktijk brachten, vormde de eugenetica - de term is in 1883 bedacht door Francis Galton, een neef van Darwin - rond 1900 een respectabele tak van de Britse sociologie, terwijl in 1943 niet minder dan dertig Amerikaanse staten de sterilisatie van geesteszieken wettelijk hadden geregeld. Er is minstens vanaf Plato (427-347) over eugenetica nagedacht, en het is de vraag in hoeverre het zonder de nazi’s een controversieel onderwerp zou zijn geweest.
Wat onder eugenetica wordt verstaan is vaak arbitrair. We zien nare erfelijke ziektes als een persoonlijk malheur, en niemand heeft bezwaar tegen genetische interventies op dit terrein, maar daarna beginnen de onduidelijkheden. Wie doelbewust kinderloos blijft, selecteert óók (de kinderloze neo-darwinist Steven Pinker begrijpt in zijn How the Mind Works zijn eigen on-darwinistische gedrag niet zo goed), we kiezen voor drie kinderen zodat nummer vier ongeboren blijft (een lelijke karmische tegenvaller), we geloven dat het vermijden van een zwangerschap iets anders is dan het verwijderen van een klontje cellen (heeft de afzonderlijke eicel dan soms geen recht op bevruchting?), of we menen op basis van een of andere duistere metafysica dat ieder leven heilig is. Graduele verschillen worden systematisch verwaarloosd; we geloven meestal niet - dit is bedacht for the sake of the argument - dat masturbatie als een vorm van massamoord kan worden gezien, alsof Onans opstandige gedrag qua resultaat zozeer zou verschillen van een abortus of het gebruik van voorbehoedmiddelen. Het verhaal gaat dat een fijngevoelige Britse edelman elk niet in een vrouw geëindigd ejaculaat in zijn tuin begroef.
Wanneer politici aan het woord zijn over genetische manipulaties spreken ze vooral over gevaren, en ethici in een televisiestudio herinneren ons te vaak aan doctor Clavan, triviale oordelen omzettend in een half academisch en half toeschietelijk jargon, waarbij ze meestal constateren dat het vraagstuk «complex» is en dat we «zorgvuldig» moeten afwegen «welke richting we kiezen». Ondertussen vertoont de geschiedenis van de technologie nauwelijks de neiging zich iets aan te trekken van filosofische en ethische kwesties; zij voltrekt zich gewoon, zoals altijd voortgejaagd door economische en ideologische motieven. Hoewel vijf procent van het Human Genome-budget voor onderzoek naar ethische implicaties opzij is gelegd (honderd miljoen gulden), zullen ethici voor of achter de feiten blijven draven. Einstein realiseerde zich te laat wat de kernfysici hadden aangericht, bezorgde brieven aan president Truman hielpen niet meer. Het is opmerkelijk dat historici tevergeefs hebben gezocht naar het specifieke moment waarop de beslissing werd genomen om Fat Boy, de eerste atoombom, daadwerkelijk te gebruiken, alsof de afwerp-optie al impliciet was gekozen met de start van het Manhattan-project - en voor we het wisten was de Enola Gay op weg naar het wolkenloze Hirosjima. De ethicus Gandhi kon noch vóór, noch na zijn dood verhinderen dat hindoes en islamieten elkaar ter viering van India’s onafhankelijkheid met kapmessen te lijf gingen; Robert Oppenheimers verzet tegen de waterstofbom kostte hem uiteindelijk zijn security clearance, en de leiders van India en Pakistan wisten nog onlangs niets beters te verzinnen dan met atoomproeven tegen elkaar op te bieden, klaarblijkelijk van harte gesteund door het gesundes Volksempfinden van de massa’s. De sociobiologie van de wereldpolitiek kan misschien beter door kleuteronderwijzeressen worden bedreven dan door politieke commentatoren. Zo zullen ook de eugenetische zegeningen in de loop der tijd zonder noemenswaardig centraal beleid over ons worden uitgestort, aangedreven door de consumentenmarkt, door de industrie, door het geld, door het stuurloze collectieve Willen, door de verlokkingen van nieuwe mogelijkheden. Ethici zullen, zoals gebruikelijk, geen rol van betekenis spelen, ook al doen ze nu hun best om op de feiten vooruit te lopen, en uiteindelijk zal blijken dat niemand nog werkelijk de baas is - Greenspan niet, Duisenberg niet, Cruijff niet, de paus niet, en zelfs de biologie niet.