Het einde van de voorbeeldige wereldburgers

Meritocraten nemen hun verantwoordelijkheid niet. De hedendaagse Nederlandse elite is niet door afkomst maar door een diploma op het pluche gekomen. Maar hun gezag ligt onder vuur. Wat doet de meritocratische elite precies verkeerd?

ALS JE NAAR beelden van het Polygoon-journaal uit de jaren vijftig kijkt, besef je andermaal hoe Nederland in een halve eeuw sociaal-economisch radicaal is veranderd. De deftige dictie, de paternalistische toon en de sobere autoriteit die politici en gezagsdragers uitstralen: het weerspiegelt de vanzelfsprekendheid van hun positie. Door hun afkomst, veelal uit de hoogste standen van het ‘blauwe’ (patriciaat) en het 'rode’ boekje (adel), zijn ze van nature afstandelijk en superieur. Elite in de klassieke zin van het woord.

In deze gevestigde orde ging in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw de bijl. In één generatie verrees een 'open samenleving’ waarin door opwaartse sociale mobiliteit een nieuwe klassenordening ontstond. Een samenleving waarin maatschappelijke kansen niet langer afhankelijk zijn van het sociale milieu maar hoofdzakelijk worden bepaald door persoonlijke capaciteiten (zoals intelligentie) en verdiensten (opleiding, motivatie en inzet), oftewel merites. In deze meritocratie zouden familieachtergrond, geld- en grondbezit, ras en geslacht niet meer van doorslaggevende betekenis zijn om carrière te maken, maar zou vooral het bezit van een academische bul of een hbo-diploma een ticket tot de macht zijn.

Dat 'papiertje’ is het meest succesvolle resultaat van sociale verheffing, die ruim baan kreeg in het 'kanteljaar’ 1968. Terwijl we bij de jaren-zestigrevolte meteen denken aan de Maagdenhuis-bezetting en Aktie Tomaat (beide 1969), aan hangende provo’s op de Dam, blowende hippies in 'het magies centrum’ Paradiso, sleep-ins in het Vondelpark, kabouters op witte fietsen en anti-Vietnam-demonstraties - kortom aan een opkomende subversieve jeugdcultuur - werd in dat jaar achter de schermen van de academiegebouwen en op het Binnenhof de klassenmaatschappij grondig verbouwd. De 'verstarde elite’ zette een hefboom in het onderwijsstelsel in werking. In dat jaar werd bijvoorbeeld de leerplicht verlengd naar een periode van minimaal negen jaar en werd de Mammoetwet ingevoerd.

Wat er op de universiteiten leefde aan gevoel van urgentie om te vernieuwen en te democratiseren verwoordde in 1968 professor Kees Posthumus in zijn afscheidsrede als rector magnificus van Technische Hogeschool (en later Universiteit) Eindhoven onder de titel De academische Renaissance. 'De universiteit is in wezen een ideeënbus. Zij is geen dienst, geen bedrijf, geen kerk, geen vereniging. Zij kent geen “beneden” en geen “boven”; zij is een orkest van solisten - zonder dirigent. De ambtsdrager die de verheven titel van rector magnificus voert, is geen bedrijfsleider, geen schoolhoofd, geen opperofficier, geen bisschop.’ Posthumus voorzag een onderwijskundige omwenteling: 'Niet meer mede-delen, voor-dragen, uitleggen, op-dragen, over-horen. De student moet niet meer een lijdend voorwerp zijn, maar deelgenoot.’ De woorden van Posthumus raken de kern van de progressieve tijdgeest van gelijkwaardigheid tussen leraar en leerling, tussen elite en volk. Met als gevolg dat 'elitair’ een vies woord werd, een lid van de oude elite zich bijna moest schamen voor het ouderlijk nest en men zich bij voorkeur alleen nog voorstelde met de voornaam zonder elkaar de hand te schudden.

'De elites bogen iets te diep voor de tijdgeest’, stelt Floris Cohen, bijzonder hoogleraar vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap, voorzitter van het Huizinga Instituut en broer van Job Cohen. Begin jaren zeventig hielp hij Jacques de Kadt met het boek De politiek der gematigden waarin de publicist van leer trok tegen de jongerenprotesten van de jaren zestig. Zijn denkbeelden sluiten nauw aan bij die van De Kadt. Cohen: 'De jaren zestig leidden tot een taboeverklaring van het begrip elite. Opvallend genoeg waren de elites daar zelf goeddeels verantwoordelijk voor. Zo lieten de universiteitsbestuurders zich hun gezag wel erg vlot uit handen praten. Het had ook wel iets makkelijks. Een elite die van haar gezag afstand doet, ontslaat zichzelf van haar verplichtingen. Deze capitulatie heeft natuurlijk gunstige maar vooral ook weinig geslaagde gevolgen gehad. Vergelijk het met de anti-autoritaire opvoeding die populair was in die tijd. In de meeste gevallen ging dat grandioos mis omdat kinderen nu eenmaal structuur nodig hebben, en als ze die niet krijgen ontzettend gaan klieren - ze missen iets, maar weten zelf niet precies wat. Een samenleving heeft hoe dan ook een elite nodig.’

In 1968 verscheen eveneens het beroemde onderzoeksrapport Het verborgen talent van de Leidse socioloog Frederik van Heek. Het behandelt het probleem dat kinderen 'afkomstig uit het milieu der vrije beroepen en hogere employés’ veel makkelijker op het hoger onderwijs belandden dan leeftijdgenoten uit 'het milieu der niet-agrarische handarbeiders’. Ook wees hij erop dat kinderen uit arbeidersgezinnen onvoldoende 'parate schoolgeschiktheid’ voor het middelbaar onderwijs hadden. De aanbevelingen van Van Heek om 'potentieel begaafde kinderen’ uit het arbeidersmilieu in andere schoolvormen vooruit te helpen, ook door hun sociale vaardigheden en goede omgangsvormen te leren, waren aanleiding voor een reeks hervormingen die het hoger onderwijs toegankelijk maakte voor een klasse die tot dan toe uitgezonderd was van deelname.

Met dit onderzoek deed de Leidse onderzoeker wat zijn familieleden ook altijd hadden gedaan: het dienen van de publieke zaak. Het vooraanstaande Twentse textielgeslacht Van Heek vormde sinds een aantal generaties de steunpilaar van de lokale economie. Het Van Heekpark en het Volkspark in Enschede, gesticht om arbeiders vertier te gunnen waar geen drank aan te pas kwam, waren giften aan de samenleving. De ongeschreven regel van noblesse oblige (adeldom legt verplichtingen op) werd de gegoede stand met de paplepel ingegoten, wellicht als gewetensvolle compensatie van haar bevoorrechte positie ten opzichte van een veel groter deel van de bevolking dat minder kansrijk ter wereld kwam.

DE BETEKENIS VAN mannen als Van Heek en Posthumus is enorm geweest. Ze staan symbool voor een elite die in de turbulente jaren zestig besloot haar exclusieve positie voortaan te delen. De meritocratische idealen die doorklinken in hun woorden wezen vooruit naar een samenleving waarin iedereen een kans kreeg om door te dringen tot de elite. Op scholen à la Van Heek kon potentie omhoog komen drijven. In de geest van Posthumus gingen voor de slimme babyboomers de poorten van de universiteiten wijd open. Cijfers tonen een spectaculaire opleidingsgroei: van de totale werkende bevolking van Nederland heeft nu ruim een kwart een opleiding op het niveau van hbo en universiteit, en in de leeftijdsgroep tot 35 jaar is dat zelfs een derde, terwijl dat 35 jaar geleden nog net boven de tien procent uitkwam. In 1950 waren er 28.000 studenten, in 1960 40.000 en in 1970 103.000. In dertig jaar een verviervoudiging aan 'diploma’s’, wat zich in de decennia daarna vertaalde naar de arbeidsmarkt.

Nederland werd een diplomademocratie, zoals Mark Bovens en Anchrit Wille dit nieuwe maatschappijmodel in hun pas verschenen boek Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie noemen. 'Een land dat wordt bestuurd door burgers met de hoogste diploma’s. Alle formele en informele politieke arena’s, variërend van de Kamer en het kabinet, de SER en andere overlegorganen tot inspraakavonden en internetconsultaties, worden gedomineerd door hoger opgeleiden’, aldus Bovens en Wille. Deze nieuwe bestuurlijke elite is het destillaat van de geëmancipeerde arbeidersklasse.

Dat de sociale mobiliteit in de afgelopen decennia flink is toegenomen, blijkt ook duidelijk uit het vorig jaar verschenen rapport Naar een open samenleving? van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. De groeicijfers laten zien dat door de toegenomen deelname aan het (wetenschappelijk) onderwijs - de onderwijsexplosie - mensen uit alle sociale milieus diploma’s behalen. De zogeheten 'intergenerationele mobiliteit’ (het verschil tussen ouders en hun kinderen) verliep iets minder snel op de arbeidsmarkt en in de culturele participatie. En waar nu nog wel sociale ongelijkheid bestaat is op het terrein van wonen en gezondheid. Daar is het milieu van de ouders nog steeds bepalend voor de kans op een (groot) huis, een gezonde levensstijl en een lang, gezond leven.

Het is bovendien beslist niet waar dat het ouderlijk nest er helemaal niet meer toe doet. Nog steeds is er sprake van een 'oud geld’-elite die elkaar de bal toespeelt binnen bepaalde invloedrijke maatschappelijke sectoren, zoals in maatschappen van advocatenkantoren of in raden van bestuur van het bedrijfsleven. Maar tegelijk zijn in de afgelopen decennia ook de klassieke informele elitebolwerken opengebroken. Op hockeyclubs slaan kinderen van de nouveau riche massaal een balletje, terwijl hun moeders achter de bar ostentatief staan te netwerken. Op sociëteiten van de studentencorpora brallen nu ook eerste-generatie hbo-studenten, waardoor reünisten soms verzuchten 'dat hun kroeg niet meer is wat het geweest is’. Polderweides door heel Nederland zijn omgetoverd tot golfvelden met luxe clubhuizen en leisure-faciliteiten - wat overigens op afkeuring kan rekenen van de oude garde. In de krokusvakantie trekt Nederland in file naar de skipistes en in vinexwijken passen Thaise of Oost-Europese au pairs op het kroost van social climbers.

René Cuperus, cultuurhistoricus en werkzaam bij de Wiardi Beckman Stichting, beoordeelt dit socialisatieproces niet louter positief: 'De meritocratische elite wordt gevormd door de kinderen en kleinkinderen van de middengroepen en arbeiders die mede dankzij de sociaal-democratie hun eigen klasse konden ontstijgen. Dat juist deze groep niet altijd aan noblesse oblige doet, maar gedreven door angst voor het volk eerder een losgezongen elite is gaan vormen, komt door het sociaal-darwinistische karakter van de meritocratie. Iedereen krijgt een kans zichzelf op te werken. Wie daarin slaagt, ziet het eigen succes dan al snel als het falen van de anderen. De meritocratie ondermijnt dus de solidariteit met de eigen klasse. Dat wordt nog versterkt door het verschijnsel van homogamie: hoge diploma’s en banen trouwen meer dan ooit in de geschiedenis met elkaar, en vormen de nieuwe welstandsklasse van academische professionals. Het is droef om te moeten vaststellen maar in feite levert de meritocratie een zeer navelstarende klasse op.’

Was Nederland, gelet op Cuperus’ wrange beeld, dan in een halve eeuw niet uitgegroeid tot een zonnig klassenloos paradijs onder leiding van een voorbeeldige nieuwe elite van 'de besten’? Nee, er is geen sprake van een volledige open society, constateren de auteurs van Diplomademocratie en Naar een open samenleving? Beide publicaties concluderen dat er een zorgelijk diepe kloof is ontstaan tussen een hoogopgeleide klasse - de kosmopolieten - en de lager opgeleiden of diplomalozen. Mark Bovens en Anchrit Wille stellen dat opleiding de nieuwe maatschappelijke verzuiling is geworden. Volgens hen zijn de hoger en lager opgeleiden steeds meer in gescheiden werelden gaan leven, in tegenstelling tot vroeger, toen men elkaar in de kerkbanken of in het verenigingsleven trof en zo ook elkaars leefwereld kende. Zij stellen de vraag in hoeverre er nog sprake is van een diplomademocratie, want worden de belangen van laagopgeleiden nog goed begrepen en vertegenwoordigd door de nieuwe meritocratische elite?

De onderzoekers van Naar een open samenleving? noemen het deel dat niet meekomt in 'de activerende participatiemaatschappij’ een 'beleidsresistente granieten kern’. Ook constateren zij dat er sprake is van een generatie 'afvallers’, waarvan de sociale stijging opzienbarend afneemt - een probleem dat vooral speelt onder mannen vanaf het geboortejaar 1960. De neerwaartse sociale mobiliteit bij deze groep is zowel in opleidingsniveau als in beroepen te zien, en de onderzoekers noemen dat gegeven opzienbarend. Meer dan vroeger zakt de beroepsstatus en het opleidingsniveau van jongens uit de hogere klasse ten opzichte van hun ouders.

De rek is er als het ware uit, het meritocratische model schuurt tegen het democratische bestel waarin geen goede politieke vertaalslag van de belangen van laagopgeleiden meer wordt gemaakt. De onderzoekers vragen zich af in hoeverre het huidige denkkader over sociale mobiliteit, geënt op het verheffen van lagere sociale klassen, nog wel passend is. Daarmee geven ze indirect een verklaring voor de ideologische twijfels binnen de brede volkspartijen en voor het electorale succes van de PVV. De eerste staan met lege handen, de tweede heeft de aanval geopend op de diplomahouders. In het kielzog van Fortuyn roept Wilders immers dat 'de linkse elite’ geen feeling meer heeft met de noden en leefwereld van 'het gewone volk’ en dat deze klasse van 'designbrillen’ het vooral goed regelt voor zichzelf. De populistische revolte heeft de schaduwkanten van de meritocratie blootgelegd. Wat doet de meritocratische elite precies verkeerd?

DE HUIDIGE maatschappelijke verwarring over de positie van de elite gaat over het geworstel met deze hamvraag. Je zou dan ook bijna vergeten dat er van meet af aan kritiek is geweest op het idee dat status vooral toekomt aan de meest getalenteerden. Neem iemand als Richard Sennett. Vanaf het moment dat hij The Hidden Injuries of Class (1972) publiceerde, wijst hij er regelmatig op dat de postindustriële samenleving te veel gewicht hangt aan formele kwalificaties zoals opleiding en diploma’s. Een meritocratie beloont talent, maar biedt onvoldoende erkenning voor de minder gefortuneerden of voor hen die niet mee willen doen - of kunnen doen - aan de diplomarace, zo meent de Amerikaanse socioloog.

De verschillende critici van de meritocratie hebben dezelfde boodschap: de mooie belofte van een meritocratische samenleving, waarin vooral talent en inzet tellen, heeft een harde ondertoon. Wie niet eindigt aan de top heeft niet genoeg zijn best gedaan of is gespeend van talent. Een boodschap die verwoestend is voor ieders zelfrespect. De mogelijkheid om jezelf op te werken tot de elite betekent immers impliciet dat iedereen die dat niet doet onvoldoende 'aan zichzelf werkt’. Op het moment dat de weg naar de top open ligt, is iedereen die hem niet bewandelt een vrijwillige achterblijver die daarmee het recht op klagen over zijn achtergestelde positie heeft verspeeld.

Waarom heeft de meritocratie het dan toch zo lang goed gedaan? Een reden is simpelweg dat de alternatieven nog minder aantrekkelijk zijn. 'Een maatschappij die niet wordt bestuurd door haar beste mensen is een sociologische en morele absurditeit’, schreef de onlangs overleden socioloog Daniel Bell in zijn essay On Meritocracy and Equality uit begin jaren zeventig. Hij stelde dit met de Sovjet-Unie in gedachten, maar ook zonder dat schrikbeeld had hij een punt. Er is weinig in te brengen tegen het voorstel the best man for the job te zoeken. Maar Bell had nog een verklaring voor het succes van de meritocratie: het was hét instrument voor een nieuwe generatie om haar weg naar de macht te vinden. Beloning naar inzet en verdienste was een praktische invulling van het gelijkheidsdenken uit de jaren zestig en zeventig. Niet afkomst, maar talent telde voor de generaties van na de oorlog. Bell voorzag dat dit trucje maar één keer zou werken. De nieuwe elite zou er volgens hem alles aan doen om ervoor te zorgen dat haar kinderen ook een meritocratische elite konden vormen. 'Een meritocratie is daarom precies een generatie houdbaar’, aldus Bell, 'daarna treedt onvermijdelijk de oligarchisering in.’

Daniel Bell voelde haarfijn aan dat het ideaal mooier was dan de werkelijkheid. Hij zag een meritocratie simpelweg als het vervangen van de ene vorm van sociale stratificatie door de andere. De sociale realiteit blijft dezelfde: een samenleving is verdeeld in een kleine, machtige bovenlaag en een grote massa die daar niet bij hoort. Meritocratie beschouwde hij als de minst onrechtvaardige optie. Terecht vond Bell het daarom belangrijker de vraag te stellen hoe een elite zich gedraagt. Zolang een meritocratische klasse haar verworven positie gebruikt om het algemeen belang te dienen, en niet enkel om de eigen positie te bestendigen, zijn de 'onrechtvaardigheden’ van de meritocratie prima te verkroppen. Een elite die wel macht heeft maar geen verantwoordelijkheid neemt, lokt populistische volkswoede uit, dacht Bell toen al.

INMIDDELS ZIJN OOK de succesvolle producten van de meritocratie zelf niet meer zeker van hun zaak. Zo schreef filosoof Ger Groot onlangs in Trouw: 'Ik heb lang in die gedachtegang geloofd, ongetwijfeld omdat ik ook zelf tot die groep van relatief slimme, vasthoudende en ijverige sociale stijgers behoor. Maar de laatste tijd begin ik te twijfelen. Want wie er in een dergelijk bestel niet in slaagt tot de hoogste regionen door te dringen, zo denkt de meritocratie, moet dat wel aan zichzelf te wijten hebben. Niet slim, vasthoudend en ijverig genoeg geweest: dikke bult, eigen schuld.’

Groots twijfel is verontrustend, juist omdat hij de generatie vertegenwoordigt die kon profiteren van de naoorlogse meritocratie. Groot en zijn tijdgenoten konden toetreden tot de elite omdat de weg ernaartoe, met name dankzij het opengooien van de universiteiten, vrij kwam te liggen. Dat ze die plek aan de top verdienden stond buiten kijf. In een onderwijssysteem van gelijke kansen bleken zij immers degenen met het meeste talent.

Maar nu moeten zij zelf hun positie verantwoorden tegenover een groep boze buitenstaanders. En dan slaat de twijfel toe. Wat moet er gebeuren met de overgrote meerderheid die - in Groots woorden - niet slim, vasthoudend en ijverig genoeg is geweest? Is dit een symptoom van een zichzelf ontkennende elite? Groots dubio verraadt die moeilijke omgang van de meritocraten met hun elitestatus. Die hebben ze - vaak against the odds - zelf verdiend. Dus waarom moeten ze verantwoording afleggen? Hier zit een gek knelpunt: de meritocraten doen alsof ze geen elite zijn, 'want we leven toch in een egalitaire samenleving’, maar zijn het 'stiekem’ wel. Dat is veel schadelijker dan een elite die zichzelf erkent.

Maar die zelferkenning is ook lastig, zegt René Cuperus. In 2009 verscheen zijn boek De wereldburger bestaat niet: Waarom de opstand der elites de samenleving ondermijnt. Hierin opent hij de aanval op een hoogopgeleide klasse die sterk in zichzelf gekeerd is geraakt. Het is een klasse die na het wegvallen van de verzuiling het contact met de samenleving in de breedte heeft verloren. Het zijn pseudo-leiders zonder troepen en zonder kompas, aldus Cuperus. 'De elite vergeet dat niet iedereen een hoogopgeleide, kosmopolitische burger is.’

Maar terwijl de meritocratische elite geniet van haar bevoorrechte positie, voelt ze zich in werkelijkheid flink onzeker, meent Cuperus. 'De elite is geobsedeerd door de vraag of Nederland wel mee kan in de mondiale economische concurrentieslag. Ik noem dat wel het ABN-syndroom. De topbankiers droomden ervan een global player te worden, maar werden uiteindelijk als “prooi” wakker. Het is die rusteloosheid en onzekerheid, en ook die angstige zelffixatie van de hedendaagse meritocratische elite die een destabiliserend effect op onze samenleving als geheel heeft. De elite dreigt footloose in de eigen nationale samenleving te raken, enkel geobsedeerd als zij nog is op kritiekloze aanpassing aan de globalisering.’ Ook mag de elite van hem best wat meer nationalistisch worden. 'De bovenklasse zit vooral gevangen in het discours dat draait om Europa en globalisering. Een elite die het volk wil leiden moet durven opkomen voor nationale belangen.’

Die globaliseringsangst levert een weifelende elite op die niet meer vertrouwt op het eigen kwaliteitsgevoel of op de eigen politieke intuïtie. En dat werkt verlammend. Het maakt de elite tot willoze speelbal van maatschappelijke trends en de invloeden van internationale beleidselites, zo schrijft Cuperus in zijn boek. 'Op dit punt vormt de hedendaagse elite een schril contrast met de oude, gebildelte elite zoals die tot voor kort bestond’, vult hij aan. 'De traditionele elite was een stuk zelfverzekerder en kon zich daarom opwerpen als dienaar van het algemeen belang en kon daardoor meer gezag verwerven, waar elke elite, wat mij betreft, door gelegitimeerd moet worden: door het verkrijgen van gezag.’

WEIFELEND, zichzelf ontkennend, navelstarend en te veel gericht op het eigen belang - tegengesteld aan de houding van de oude elite die én zelfverzekerd was én zich ook vaak richtte op het publieke belang. Wat zou de veelgeplaagde elite nu moeten doen om aan geloofwaardigheid te winnen? Volgens Floris Cohen komt het antwoord van Jacques de Kadt: 'Hij vond dat een elite machtsbewust moet zijn en niet hoeft terug te schrikken om haar beschavingsideaal uit te dragen. Dat cultuursocialisme is in de loop van de jaren zestig uit de mode geraakt - als het ooit al in de mode was.’ Cohen wijst op nog een tweede les van De Kadt die volgens hem onvoldoende is gehoord: 'De Kadt vond dat elites vooral ook open moesten zijn. Ze moeten zichzelf continu verversen. Anders verkalkt een elite al snel. Een openheid van geest waar het voor De Kadt uiteindelijk allemaal om draaide.’

Volgens Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, moet de elite het lef tonen om een vervelende boodschap over te brengen, 'want te vaak wordt aangenomen dat de zaken in Nederland op sociaal en economisch gebied geregeld zijn terwijl er op lange termijn grote problemen zijn die die status bedreigen’. Hij vindt het pijnlijk dat de Nederlandse elite zich lijkt af te keren van haar verantwoordelijkheden: 'Idealen van verheffing en progressie zijn hierbij ingewisseld voor een drang tot behoud van verworvenheden en cultuur, en dit staat de nodige hervormingen in de weg. Er is geen “planvormende elite” die zegt: dit is de weg die de samenleving moet gaan. Leiders raken vermoeid, gedemoraliseerd en trekken zich terug in de particuliere sfeer om voor het gezin te gaan zorgen of er een te stichten’ - waarmee hij refereert aan het vertrek van Wouter Bos (PVDA), die overigens ook een vet betaalde baan voor zichzelf regelde. Dat geeft volgens Schnabel geen goed signaal af: het getuigt van 'het zal wel, ik zorg eerst voor mijn eigen ding’. Terwijl we volgens hem als handelsnatie moeten meegaan met het tempo van de wereld: 'Als we welvarend willen blijven moeten meer mensen meer uren per week en meer jaren van hun leven werken. We moeten weg uit onze comfortzone, met de elite voorop als lichtend voorbeeld.’

Ook Cuperus ziet een oplossing in een elite die het voortouw neemt: 'De laatste decennia is de aanpassingsdruk veel te veel op de onderkant van de samenleving gelegd, terwijl aan hoogopgeleiden juist weinig extra eisen werden gesteld. Kijk naar de studenten die allemaal communicatiewetenschap doen in combinatie met vrolijke bijbaantjes en stages, in plaats van Chinees of Duits. Als de Nederlandse welvaart en samenlevingskwaliteit echt bedreigd worden door de globalisering, vereist dat elementaire fairness waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, dat onze meritocratische elites het sobere en hardwerkende voorbeeld voorleven. Dat is wat anders dan zich te wentelen in een naïef-riskant kosmopolitisch wereldbeeld of het organiseren van de Miljonair Fair. Gezag moet verdiend worden.’

En hoe zat het ook al weer met noblesse oblige? Die zou prima samen kunnen gaan met de meritocratie. Volgens de vorig jaar overleden Britse historicus Tony Judt werkt een elite alleen als die zichzelf erkent en macht met verantwoordelijkheid voor de publieke zaak weet te combineren. Lees zijn mini-essay Meritocracy waarin hij terugkijkt op zijn tijd aan de universiteit Kings College, Cambridge die volgens hem 'de beste scholieren van elke generatie probeerde binnen te harken om ze vervolgens noblesse oblige te leren’. Elitair? Daar moeten we volgens Judt niet te spastisch over doen. Universiteiten zijn elitair: ze hebben als taak de meest briljante geesten in iedere generatie op te sporen en het beste uit hen te halen. Ze breken de elite open en maken die steeds opnieuw. Dat is de tegenstrijdigheid van de meritocratie: het geeft iedereen een kans en bevoordeelt de begaafden.