Het einde van een piramide

Okee, ik slik geen Prozac meer, want ik ben hartstikke gelukkig. ‘s Ochtends alleen nog wat Bisolvon en de Ventolinspray wegens 'de ziekte van Multatuli’, daarna wat vezeltabletten, gevolgd door vitamine B-complex, en verder wat Temesta en Aspirine. Alles verkrijgbaar bij de drogist (op de Ventolin na) dus zo erg kan het allemaal niet zijn.

En ik voel me gelukkig, hoewel ik ouder word. De vraag ‘Hoe lang nog?’ stel ik me helemaal niet. Hoe mijn hart klopt, wil ik niet weten. En overlijdensadvertenties bekijk ik ook niet - ik krijg die zwartomrande enveloppen tegenwoordig gewoon in de bus. En het zijn altijd de verkeerden. (De goeden moeten altijd onder de kwaden lijden.)
Peter P.’s hart bleef 'zomaar’ stilstaan. Ik had hem een tijd niet gezien. Een paar maanden geleden gingen we nog met z'n tweeen de kroeg in, waar we een middelbare-mannengesprek voerden. 'Ken je Anja nog, Peet? Je zal het niet willen geloven. Die heeft drie kinderen, maar is nu pas een lekker wijf geworden.’
'Maar je weet dat er van Anneke niets meer over is?’ 'Nee. Het stuk van Amsterdam. Herinner je nog twintig jaar geleden, toen ze zich naakt liet fotograferen voor de Panorama?’ 'Ja, Jezus, maar toen al die merkwaardige voorkeur voor oudere mannen… Nu zijn wij oud, maar zie jij leuke meiden die op ons vallen?’
Soms zwenkte het gesprek naar de literatuur, want we waren niet de hele avond banaal. Peter hield van Mulisch en ik pestte hem daarmee. Maar hij was nu eenmaal al vanaf de middelbare school een fan van Mulisch. Destijds legde Peter mij geduldig uit wat 'octaviteit’ eigenlijk betekende, terwijl hij op mijn piano de c en de hoge c speelde. Peter hield nu ook opeens van de Maja-cultuur en kon daar boeiend over vertellen: 'Hun bijbel, zal ik maar zeggen, beschrijft de bouw van een piramide. Dat is toch zo interessant.’ Het was een nieuwe hobby van hem.
En ook de politiek kwam langs: 'Wat ga jij stemmen?’
'Ik ga gewoon PvdA stemmen. En jij?’
'Ik denk het ook. De PvdA is toch een beetje de VVD van onze generatie.’
Nou ja, stemmen hoeft Peter dus niet meer.
Ik vond hem veel fitter en kwieker dan ik. Hij wilde nog van alles.
Ik kende Peter nog uit de tijd dat we op de lagere school zaten. Hij was eigenlijk een heel keurige jongen uit de Van Breestraat. Hij ging op de Christelijke Lagere School. Ik niet. Maar we liepen ’s ochtends wel vaak samen naar school; we ontmoetten elkaar op de hoek van de Alexander Boersstraat; soms bleven we op elkaar wachten. Ik wilde altijd kattekwaad uithalen, Peter niet, maar hij deed wel altijd solidair mee.
Hoewel. Ik trok bijvoorbeeld belletje, wat ik om de een of andere reden heel leuk vond, en dan rende ik weg. Peter bleef staan, wachtte tot de deur openging en zei dan: 'Neemt u me niet kwalijk, dat ik heb gebeld, ik heb me vergist.’
In de puberteit ben ik hem uit het oog verloren, maar toen we studeerden kwam ik hem weer tegen. Hij had altijd mooie vrouwen om zich heen, tot hij D. ontmoette. We zijn toen altijd min of meer contact blijven houden.
Maar waar gaat het nu om, na zijn dood? Peter en D. hebben geen kinderen; de begrafenis is sober en klein. Dat ik mijn eigen leven nutteloos vind, daar kan ik mee leven; dat het leven van mijn vrienden zinloos is geweest, vind ik moeilijker te aanvaarden.
He , verdorie, wat ben ik in een sombere bui.
Een hart dat niet meer kloppen wou, etst in mijn hersens een beeld waarin elke vrolijke kleur is gepatineerd met het zuur van schuld.
(Ja, ik laat deze zin staan!)
O, wat ben ik bang voor de dood!