Het einde van het concertgebouworkest

‘Eindelijk Beethoven’, zal menigeen aan de Amsterdamse Van Baerlestraat hebben verzucht toen deze week bekend werd dat Jan Zekveld zijn ontslag heeft ingediend als artistiek leider van het Concertgebouworkest. In zijn jaren bij de Vara-matinee had Zekveld zich ontpopt als een even avontuurlijke als ter zake kundige programmeur. Ook bij het Concertgebouworkest zette hij de deuren en ramen open. Tussen Brahms en Bruckner verschenen nu Goebajdoelina en Oestvolskaja op het programma. Hij deed compositie-opdrachten naar Berio en Kagel de deur uit. Nederlandse componisten, onder wie ook jong talent, werden aangespoord nieuw werk te leveren. En op de bok verscheen een kopstuk als Pierre Boulez, die met zijn uitvoeringen van Schonbergs Moses und Aron in het Muziektheater en een reeks omlijstende concerten het Nederlandse muziekleven in beroering bracht.

Zekveld deed een frisse wind door het koninklijk orkest waaien. Toch kan moeilijk worden beweerd dat hij als een olifant door een porseleinkast is gestapt. Integendeel, je zult zelden een man treffen die zo'n Finger spitzengefuhl heeft voor het combineren van moderne en klassieke muziek, bij wie repertoirekennis en respect voor de traditie hand in hand gaan. Het enige dat je Zekveld kunt verwijten is dat hij geen programma’s wilde maken zoals die al honderd jaar worden gemaakt. En blijkbaar is dat wel wat het orkest van zijn programmeur verwacht: niet alleen heeft Zekveld van de financieel directeur Willem Wijnbergen de wind van voren gekregen (zijn programma’s zijn te duur en brengen te weinig op), ook het bestuur, een groot deel van het orkest en chef-dirigent Chailly weigeren Zekveld te steunen.
Commerciele belangen hebben daarmee gezegevierd over een interessante artistieke koers. Blijkbaar is het voornaamste doel van het Concertgebouworkest zich te scharen in die bleke karavaan van internationale toporkesten die, bij gebrek aan enige vorm van inhoudelijke profilering, zich krampachtig werpen op het conserveren van een glorieus verleden. Dus misschien had Zekveld wel gelijk toen hij in het radioprogramma Discotabel een opname van de Derde van Bruckner als middelmatig bestempelde, niet wetende dat het zijn eigen orkest betrof.
Door een intelligent en capabel programmeur als Zekveld te laten vertrekken, dreigt het Concertgebouworkest zichzelf op een zijspoor te rangeren; immers, zo wordt ruim baan gemaakt voor andere Nederlandse orkesten die wel ambities hebben. De series van het Radio Filharmonisch (met Edo de Waart) en het Rotterdams Philharmonisch (met Valeri Gergjev) zijn in veel opzichten spraakmakender en zelfs in uitvoeringstechnische zin niet per definitie inferieur aan die van het Concertgebouworkest.
Terwijl de hele maatschappij zich opmaakt om met een explosie aan creativiteit de drempel naar de nieuwe eeuw te overschrijden, kruipt het Concertgebouworkest terug in de veilige plooien van de negentiende eeuw, zich verzekerd wetend van het gezelschap van sponsors en snobs. Eigenlijk heeft Jan Zekveld dus groot gelijk: artistiek gezien is het een zinkend schip dat hij verlaat.