Het einde van het hoger onderwijs

Het paarse antwoord op het probleem is slecht. Maar wat is dan het goede antwoord? En wat is het probleem eigenlijk? Vier academici in debat over het hoger onderwijs: ‘Ik zou tegen de overheid willen zeggen: neem nog maar een miljard en donder helemaal op.’

‘IK BEN EEN redelijk intelligente figuur.’ Niet dat Andre Kluckhuhn, hoofd van het bureau Studium Generale van de Rijksuniversiteit Utrecht, zich op de borst wil kloppen. Het gaat slechts om een eenvoudige vaststelling. 'Ik heb mijn studie fysische chemie in zes jaar voltooid en was daarmee de eerste van mijn jaar die afstudeerde. Ik kwam uit een arbeidersmilieu, had geen geld maar wel een gezin met kind. Hoe het sneller had gekund dan die zes jaar, weet ik echt niet. Als er nu al een studieduur van vier jaar bestaat, denk ik: hoe doen die mensen dat? Ik kom ook alleen maar wanhopige docenten tegen die niet weten hoe ze nu weer moeten bezuinigen en een onderwijsprogramma samenstellen.’
Kluckhuhn is tegen. De plannen van de paarse coalitie om de universitaire studieduur terug te brengen tot drie jaar, met daarbij de mogelijkheid voor een beperkte groep slimme studenten om nog twee jaar extra te studeren, vindt hij desastreus. Twee jaar geleden was voor hem de maat al vol. Toen werd Albert Heijn benoemd tot eredoctor in Nijenrode. Andre Klukhuhn en Piet Vroon achtten toen het moment gekomen hun doctorsbul terug te geven. Een dergelijke verloedering van de wetenschap schreeuwde om een demonstratieve actie.
Een beetje aanstellerij, die actie. Zo meent Kees Schuyt, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en Volkskrantcolumnist, voordat dit ronde-tafelgesprek over het hoger onderwijs begint. Maar in de bezwaren tegen het overheidsbeleid jegens het hoger onderwijs kan hij zich wel vinden. Dat geldt trouwens ook voor de beide andere deelnemers aan het gesprek: Roel in ’t Veld, hoogleraar bestuurskunde in Rotterdam en directeur-generaal van Onderwijs en Wetenschappen, een departement waar hij ook kortstondig staatssecretaris was, en socioloog Geert de Vries, auteur van het boek Het pedagogisch regime, een boek over diploma-inflatie en overscholing.
Eigenlijk hoeft er nauwelijks uitgebreid over de regeringsplannen gesproken te worden. Slecht, puur slecht zijn ze. Interessanter nog is om te speculeren over de vraag wie de bedenker van de plannen is. Rick van der Ploeg? Hm, zou best kunnen.
DE STUDIEDUURVERKORTING is, daarover blijkt men het eens, geen goed antwoord op het probleem. Maar is er eigenlijk wel sprake van een hoger-onderwijsprobleem? En zo ja, hoe moeten we dat probleem dan omschrijven? Dat is de vraag die we aan de gespreksdeelnemers voorleggen. Verkeert het hoger onderwijs in ernstige moeilijkheden, in een diepe crisis wellicht? Of gaat het eigenlijk heel goed en is alleen de overheid de grote onruststoker?
Schuyt: 'Er zijn wel degelijk grote problemen. Het belangrijkste probleem is mijns inziens de studiefinanciering. Sinds 1986 worden er geen eisen meer gesteld aan de studievoortgang, de inzet van de student en de hoogte van het inkomen van de ouders. Dat heeft een aanzuigende werking. Er zijn veel studenten naar de universiteit gekomen die de studies niet goed aankunnen. Het huidige stelsel geeft aan kinderen van de gegoede klasse een financieringsvoordeel. De minder goede studenten uit de hogere milieu’s studeren niet meer op kosten van hun ouders maar op kosten van de overheid. Dat heeft kwalijke gevolgen voor de studiecultuur. Ik merk het overal om mij heen.
Ouders moeten echt op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken. Ik vind het een schijngelijkheid wanneer je alle kinderen op achttienjarige leeftijd ouderonafhankelijk maakt. Daar profiteren de kinderen van rijke ouders van. Hooguit krijg je nu iets minder ruzies tussen onwillige ouders en ongelukkige kinderen.’
In ’t Veld: 'Het is een fabel te veronderstellen dat het huidige stelsel van studiefinanciering te luxueus is en dat het zoveel duurder zou zijn. In het oude systeem kreeg de gegoede klasse kinderbijslag en kon men belastingvoordelen beuren. Dus de eis van presteren gold niet voor de rijken. Ik vind bovendien ouderonafhankelijkheid absoluut een gebod in de moderne samenleving en zie geen enkele reden waarom je de oude situatie van afhankelijkheid zou moeten herstellen. Ik denk wel dat de gang naar een leningenstelsel onvermijdelijk zal zijn.’
De Vries: 'Ik denk niet dat er louter sprake is van een financieringsprobleem. Er is een ouder probleem dat zich al twee eeuwen voordoet: de onderwijsexpansie. Steeds meer mensen volgen steeds hogere opleidingen. Hooguit kun je zeggen dat het huidige stelsel van studiefinanciering deze tendens versterkt heeft.
De onderwijsexpansie leidt tot verdringingseffecten. De HBO'ers dringen de MBO'ers al lang naar beneden. Het MBO heeft de waarde van een LBO-diploma tot nul gereduceerd. De ongediplomeerden, in het bijzonder de allochtonen, zijn de kinderen van de rekening. De onderwijsexpansie brengt een nieuwe ongelijkheid teweeg. De democratisering van het onderwijs heeft een oude sociaal- economische ongelijkheid opgeheven, en gelijktijdig een nieuwe ongelijkheid geschapen. Diploma’s vormen tegenwoordig de verdeelsleutel van alle maatschappelijke kansen: op werk, sociale zekerheid, pensioenrechten, cultuurdeelname. Een oude onrechtvaardigheid is verdwenen en er is een nieuwe ontstaan. Het is een beetje een tragische ontwikkeling. Willen we zoiets wel?
Pierre Bourdieu spreekt over een ontwikkeling naar een staatsadel. Dat zijn de mensen die de voordelen van de diploma’s maximaal uitbuiten en er ook in slagen die voordelen van generatie op generatie aan hun kinderen door te geven. Wij, die hier aan deze tafel zitten, vormen deze staatsadel. Wij zijn het beste in het uitbuiten van die voordelen en geven die door aan onze kinderen.’
ER IS SPRAKE van massificatie van het hoger onderwijs, zoveel is zeker. Iedereen probeert zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten door een zo hoog mogelijk diploma te halen. Het is twijfelachtig of een andere opzet van het hoger onderwijs of de studiefinanciering daar iets aan kan veranderen als er tegelijkertijd sprake blijft van schaarste aan banen. Hoe moeten de universiteiten dan reageren?
Kluckhuhn: 'Die run op het wetenschappelijk onderwijs gaat inderdaad gewoon door zolang er een werkgelegenheidsprobleem bestaat. Alle verhalen over het creeren van werkgelegenheid zijn kletspraatjes. De winsten van de bedrijven rijzen de pan uit en niet eentje is bereid daar een arbeidsplaats tegenover te stellen. We gaan naar een nog grotere structurele werkloosheid dan er nu al is. Ik vind daarom dat je met een andere zingeving aan het onderwijs moet komen dan de arbeidszingeving. Laten we een onderwijssysteem creeren waarin iedereen die daar behoefte aan heeft op zijn eigen niveau onderwijs kan volgen.’
De Vries: 'Ik ben het gevoelsmatig wel met jouw hartstochtelijk pleidooi eens. Maar ik denk dat je te naief bent. Je moet er rekening mee houden dat als er via het onderwijs geen baan te verkrijgen valt, mensen niet meer naar school gaan. Wat jij zegt is een even sympathiek als krachtig moralisme.’
Kluckhuhn: 'Er is een massale toestroom naar het wetenschappelijk onderwijs, dat verzin ik niet, die is er.’
Schuyt: 'Die toestroom komt niet voort uit culturele zingevingsbehoefte of honger naar kennis. Men denkt dat een langere opleiding een betere kans op de arbeidsmarkt geeft.’
De Vries: 'Op individueel niveau klopt die gedachte ook. Het is heel verstandig nog een extra cursus te doen, dat levert uiteindelijk meer kansen op. Je moet bedenken dat de betekenis van het onderwijs voor het verwerven van banen de afgelopen decennia alleen maar sterker is geworden. Die rol is door de samenleving aan het onderwijs opgedrongen. Ik zal een raar voorbeeld geven. Je kunt een opleiding voor marxisme-leninisme oprichten. Dat is een opleiding waar niemand behoefte aan heeft en die volstrekt zinloos is. Toch bestaat de kans dat het diploma van zo'n opleiding economische betekenis krijgt als werkgevers om welke reden dan ook denken dat afgestudeerden aan de opleiding voor marxisme-leninisme een voordeel in huis hebben. Misschien zijn zij wel grote doorzetters. Op die manier krijgt een onzinnige opleiding toch een maatschappelijke betekenis.’
Schuyt: 'De zingevingsproblematiek kun je niet als overheid oplossen. Ik zie daar wel een taak in voor de universiteit. Mijn stelling is dat de universiteiten in de huidige omstandigheden hun culturele verantwoordelijkheid verwaarloosd hebben. Maar het is te idealistisch om te denken dat we, omdat er geen werk meer is, allemaal meer moeten leren. In de praktijk zal dat niet zo werken.’
De Vries: 'Die tweedeling tussen het in rendementcijfers denken over onderwijs en het algemeen vormende, is een mooi thema. Moet de overheid zich krachtig achter de culturele functie van het onderwijs scharen of niet? Ik ben daar heel ambivalent over. Gevoelsmatig zeggen wij allemaal dat een van de mooiste taken van onderwijs het bevorderen van kunsten en wetenschappen is. Maar dat is ook een beetje paternalistisch gedacht. Er bestaat een uitspraak van E. M. Forster die hierop neerkomt: als er een andere ladder bestond naar de werkgelegenheid, zou veel onderwijs als sneeuw voor de zon verdwijnen en niemand zou er ook maar een centje stommer van worden. Dat zei hij lang geleden, in 1927. Ik denk dat het waar is. Als je werkelijk gelooft in de vrijheid van het individu, moet je onder ogen zien dat mensen geen gebruik willen maken van mooie vormen en culturele functies. Zolang het onderwijs als ladder naar de werkgelegenheid functioneert, zal dat voor veel mensen het belangrijkste motief blijven om onderwijs te volgen. Waarom zijn de volksuniversiteiten maar in zo beperkte mate succesvol? Omdat mensen liever opleidingen volgen die naar diploma en baan leiden.
Het is zelfs zo dat elke culturele inhoud die je aanbiedt, voortdurend onderworpen zal zijn aan de economische betekenis van het onderwijs. De opleidingen worden uitgehold door de dynamiek van de arbeidsmarkt. Het onderwijs verdinglijkt, om het in marxistische termen te zeggen. Dat is de echte verarming van de kwaliteit van het onderwijsaanbod: een verschraling door de druk van diploma en arbeidsmarkt.’
UNIVERSITAIR OPGELEIDEN behoren niet langer tot een maatschappelijke elite. Er zijn massa’s doctorandussen. De doctoraalbul heeft zijn bijzondere karakter verloren. Dat maakt het voor werkgevers moeilijker om personeel te selecteren.
In ’t Veld: 'De selectiemechanismen van het onderwijs zijn geerodeerd. Als van een jaargang niet meer vijf procent maar vijftig procent naar de universiteit gaat, zakt het gemiddelde niveau. Als je vroeger zei dat je economie in Rotterdanm gestudeerd had, wist een werkgever waar hij aan toe was. Nu is dat onduidelijk geworden. Mijn stelling is dat de werkgevers daar al lang op gereageerd hebben. Ze zien dat het onderwijs niet meer te gebruiken is waar het vroeger voor te gebruiken was. Wat hebben ze gedaan? Ze bouwen een krans op van tijdelijke arbeidsplaatsen rondom de vaste mensen. Veel mensen zijn actief op projectachtige, tijdelijke basis. Werkgevers gebruiken die periode om te selecteren. Dat lijkt mij heel aanvaardbaar gezien het verloren gaan van die functie van het onderwijs.’
Schuyt: 'De laatste tien, vijftien jaar is het idee van selectie teloorgegaan. Studenten hebben een volkomen verkeerd idee gekregen van wat goed werken is in het hoger onderwijs. Ik ben erg voor een strengere selectie. Dat hoeft niet per se aan de poort van de universiteit te zijn, maar een strenge selectie na het eerste jaar is zonder meer gerechtvaardigd.’
De Vries: 'De zin van selectie is dat je aan de afgestudeerden van jouw studierichting iets bijzonders probeert voor te behouden. Als je als instelling een goede reputatie hebt, bestaat de kans dat jouw afgestudeerden hoge posten in de samenleving krijgen. De achtergrond van selectie is steevast beroepenstrijd.
Ik ben altijd wat argwanend wanneer men over selectie begint. Waar het veelal op neerkomt: wat vervelend dat iedereen zomaar doctorandus in de sociologie kan worden; we moeten de opleiding opwaarderen want dan krijg je minder sociologen en kan ik meer verdienen. Voor die redenering ben ik erg huiverig.
De oudere generatie klaagt over de teloorgang van het gymnasium. De achtergrond daarvan is dat steeds meer mensen die opleiding kunnen doen. Dat is een soort gehijg in de rug van de oudere generatie. Zij betreuren dat. Menselijk gezien valt dat te begrijpen, maar we moeten er niet al te serieus op ingaan. Er zijn heel goede argumenten om te zeggen dat het gymnasium helemaal niet slechter is dan vroeger. Net zo goed valt er veel voor te zeggen dat het een verworvenheid is dat zoveel mensen gymnasium kunnen doen. Het is heel aannemelijk dat het niveau verhoogd is. Het is als met tennis. De afgelopen decennia zijn veel meer mensen gaan tennissen. Dat heeft een dubbel effect: de basis is enorm verbreed, er wordt meer getennist en het gemiddelde niveau is gestegen, bijvoorbeeld doordat kinderen op jongere leeftijd op les gaan. Maar ook het niveau van de top is onvergelijkbaar gestegen. Dat zie je elk jaar op Wimbledon.’
Schuyt: 'Als Geert de Vries zegt dat de klachten over de kwaliteit van het onderwijs voortkomen uit eigenbelang, is dat niet onwaar. Maar je moet toch constateren dat in het huidige onderwijs de taalvaardigheid van veel studenten abominabel slecht is. Gemiddeld is die taalvaardigheid slechter geworden. Ik schaam mij wel eens als ik bepaalde mensen tot doctorandus maak.’
De Vries: 'Waarom is dat zo? Omdat we te beducht zijn om een groot zakmes te hanteren. Daarmee zouden we in eigen vlees snijden. Als universiteiten selectiever worden, nemen de studentenaantallen af en krijgen we minder geld. We zijn allemaal medeplichtig. Toch is het ook weer een verworvenheid dat die mensen in de collegezaal zitten. Je kunt het van twee kanten bekijken: ze maken wel taalfouten, maar dertig jaar geleden hadden ze er helemaal niet gezeten.’
Schuyt: 'Als ze nu in die collegezaal zitten moeten ze ook de ijver hebben om op dat terrein fatsoenlijk werk af te leveren. Je kunt op dit niveau niet je eisen laten vallen.’
In ’t Veld: 'Ik begrijp niet dat mijn stelling op dit punt niet volstrekt overtuigend is. Het is absoluut begrijpelijk dat als je de hoeveelheid leerlingen van een jaargang die naar de universiteit gaat met tien vermenigvuldigt, het gemiddelde niveau zakt.’
De Vries: 'Ik zou willen stellen dat er voor de problemen in het onderwijs geen oplossing te vinden is in het hoger onderwijs zelf. De enige manier om de onderwijsexpansie in te dammen is om iets te veranderen aan de dynamiek van de arbeidsmarkt en iets te doen aan de verdeling van maatschappelijke kansen. Het papiertje moet minder belangrijk worden. Dat is een utopische gedachte die niet nieuw is, maar wel belangrijk blijft. En er moet discussie worden gevoerd over een andere inrichting van de sociale zekerheid en een gedeeltelijk basisinkomen. Zo kun je bijvoorbeeld zwart werk weer wit maken. Daardoor kan de excessieve vraag naar onderwijs minder worden. Mij lijkt dat een hele vooruitgang.’
In ’t Veld: 'Er dreigt een enorme structurele werkloosheid in de samenleving en dat zal tot grote spanningen leiden. De enige manier om daar iets tegen te doen is ervoor te zorgen dat je laag gekwalificeerde arbeidsplaatsen creeert. Dat is tegen de keer in van de technologisering van de samenleving. Ik wil ontzettend graag een chauffeur. Een butler in huis is ook niet gek. Ik denk dat het basisinkomen moeilijk te financieren valt. Maar wel kun je iemand voor een bepaalde termijn een partiele uitkering geven en hem toestemming geven om bij te klussen. Zo iemand is dan op de arbeidsmarkt beschikbaar als chauffeur die geen 42 gulden maar 23 gulden per uur hoeft te verdienen. Dat kan ik nog wel opbrengen.’
Geert de Vries knikt instemmend: 'In mijn termen zou je de opwaartse druk onder het hele onderwijsgebouw op die manier kunnen verminderen. Zoiets zou een buitengewoon hygienisch effect op het onderwijs kunnen hebben.’
MAAR HOE ZIT het dan, werpen wij tegen, met onze nationale trots op de hooggekwalificeerdheid. Dankzij de hoge scholing heten wij in de internationale concurrentieslag nog een beetje op de been te kunnen blijven.
In ’t Veld: 'Die hooggekwalificeerdheid is iets moois, dat is waar. Maar daar staat tegenover de morele kwestie van de verdringing op de arbeidsmarkt. Daarvoor moet je naar het belendende perceel van de sociale zekerheid.’
De Vries: 'Al die vertogen over de noodzaak van een zo hoog mogelijke opleiding van de Nederlandse bevolking in vergelijking met andere landen, zijn sterk ideologisch van aard. Het Amerikaanse universitair onderwijs wordt door velen geprezen. De Amerikanen zijn er daarentegen van overtuigd dat het een grote puinhoop is en dat het in Japan allemaal veel beter is. Dat soort verhalen kom je al in de achttiende en negentiende eeuw tegen en ze worden steeds erger. Het is een collectieve hysterie op nationaal niveau. De Nederlandse bevolking is al heel hoog opgeleid. Zelfs al zou je erin slagen die ontwikkeling af te remmen, wat onwaarschijnlijk is, zitten we nog op een heel hoog niveau.’
Kluckhuhn: 'Nederland is een kennisland. Wat hebben we verder? Een vliegveld en dat is de pest voor het milieu.’
In ’t Veld: 'Ach, de ergste pest voor het milieu zijn wij zelf.’
VOORLOPIG IS HET met de hervorming van sociale zekerheid en arbeidsmarkt nog niet zo ver en blijft het hoger onderwijs belaagd worden. Niet alleen door een massale toevloed van studenten maar ook door de overheid die de universiteiten stevig wil afknijpen. Hoe daarop te reageren?
In ’t Veld: 'Ik vind dat de overheid met het hoger onderwijs niet meer te maken moet hebben dan met de produktie van cd’s. Dat zijn ook zingevingsprodukten. Ik zie geen enkel geldig motief voor overheidsinmenging meer. Er gebeurt niets tragisch als je een algemeen leenarrangement invoert. Je moet alleen voor een sociaal vangnet zorgen opdat, als de inkomensverwachting later niet uitkomt, je het geleende geld niet hoeft terug te betalen. Dat is het enige wat de overheid hoeft te regelen aan het hoger onderwijs.
Ik constateer dat er in de samenleving weinig bereidheid bestaat om geld uit te trekken voor het hoger onderwijs. Dat heeft veel te maken met de overwegingen die Drees jr. altijd heel goed onder woorden bracht: waarom moet ik meebetalen aan het operakaartje van iemand die het zelf best kan opbrengen? Ik heb veel geld over voor het onderwijs van mijn kinderen en kleinkinderen, maar niet voor de dokter die eerst van mij honderdduizend gulden voor zijn opleiding krijgt en mij vervolgens weer hoge tarieven in rekening brengt. Waarom moet dat ook?
Het wordt niets meer met de overheidsinmenging. Het enige wat de overheid doet is het creeren van double binds. Men zegt tegen de universiteiten: u moet beter presteren. Dat doen de universiteiten en vervolgens worden ze niet beloond maar gestraft met nieuwe bezuinigingen. Dat gebeurt iedere keer opnieuw. Het gevolg is dat iedereen gek wordt. Er wordt niet meer verantwoordelijk gehandeld. Dat moet afgelopen zijn. Als je overheidsinmenging blijft houden, blijft het afkalvingsproces aan de gang.
Het probleem is ook dat de overheid alleen denkt in termen van uniformiteit. Van een uniforme studieduur van vier jaar wil men terug naar een uniforme studieduur van drie jaar. Dat is werkelijk bespottelijk. Meer pluriformiteit is noodzakelijk. De ene opleiding is zeer beroepsgericht, een andere opleiding kan zuiver op de wetenschap gericht zijn. Als je het onderwijs privatiseert krijg je meer gedifferentieerde opleidingen, de instellingen worden zelf verantwoordelijk voor de lengte van de studie.’
Klukhuhn schrikt op: 'Die privatisering heeft enorme consequenties voor de democratisering van het onderwijs. Je krijgt het Amerikaanse systeem.’
In ’t Veld: 'Er blijft alleen een relatie van de overheid over met de onderwijsdeelnemer, niet met de onderwijsinstelling.’
Klukhuhn: 'In Amerika is het onderwijs geprivatiseerd. Krijgt het bedrijfsleven daarmee niet een veel te grote invloed op het onderwijs? Met het Amerikaanse systeem zouden wij hier niet erg gelukkig worden. Dat is ook het stokpaardje van Rinnooy Kan: kijk eens wat voor goede wetenschappers dat systeem oplevert. Jawel, maar het zijn instrumenteel- technische wetenschappers. Ze zijn goed in de wetenschap en daar houdt het ook mee op. Het is het enige land waar ze gerecombineerde virussen die ze niet in de Verenigde Staten zelf mogen uitproberen, in diplomatieke bagage de grens over smokkelen om ze vervolgens in de derde wereld los te laten. Dat soort goede wetenschap is het. Uitstekend hoor, maar ik zou het hier niet willen hebben.’
Na enig tegensputteren gaan de deelnemers aan het gesprek toch overstag. Vooral Schuyt is enthousiast over de privatisering van de universiteiten. Als er maar een goed leenstelsel komt met een sociaal vangnet, zijn wat hem betreft de schaduwkanten van het Amerikaanse systeem ondervangen. Zelfs Klukhuhn begint waarachtig positief te worden: als iedere student zijn eigen geld meeneemt, krijgt de onderwijsinstelling met hogere studentenaantallen meer geld binnen; heel anders dan de huidige situatie waarin de overheid ondanks stijgende studentenaantallen de budgetten kort.
Schuyt: 'Het gekke is dat in de Verenigde Staten met die privatisering ook bij de culturele studies uitstekende prestaties worden geleverd. Er is geen sprake van een uitsluitende orientatie op het bedrijfsleven. Een universiteit hoort kwaliteit te leveren. De particuliere universiteiten hebben er heel wat voor over om ook in de humaniora geweldig goed te zijn. Die kwaliteit hebben zij omdat zij een strenge selectie toepassen, iets wat wij niet doen.’
In ’t Veld: 'Dat is logisch, want een school die afhankelijk is van zijn reputatie, zal wel een zekere vorm van selectie moeten toepassen.’
De Vries: 'Ik ben het eens met In ’t Veld. Selectie is een zaak van de instelling zelf. Bij de ene opleiding zijn de drempels hoger dan bij de andere. Je kunt dat aan de marktwerking overlaten.’
WAT EEN ROERENDE eensgezindheid inzake de privatisering van het onderwijs, wat een vertrouwen in de werking van de markt!
Klukhuhn: 'Ik heb mijn vraagtekens geplaatst.’
De Vries: 'Ik denk niet dat privatisering alles zal oplossen, maar ik vind het wel goed dat er over nagedacht wordt.’ Na afloop van het gesprek zal De Vries hier nog eens op terug komen: met de armen al in de mouwen van zijn jas vraagt hij zich hardop af of hij niet te haastig is in zijn enthousiasme voor de privatisering van het onderwijs. Zal hij er morgen niet heel anders over denken?
Maar In ’t Veld kent geen twijfels: 'Ik zou tegen de overheid willen zeggen: neem nog maar een miljard meer en donder helemaal op. Trek je maar volledig terug uit het bedrijf dat hoger onderwijs heet.’
Het blijft even stil aan tafel. Geen afkeuring of toejuiching.
In ’t Veld dendert voort: 'Ik meen wat ik zeg. Het is geen spelletje. Je gaat gewoon een eeuw tegemoet van afkalving als je niet uit het systeem breekt. Er is nog een extra motief: het is nodig om het kartel van universiteiten en hogescholen open te breken. Als wij, zoals we hier zitten, morgen een superieure opleiding in de journalistiek willen beginnen, worden we onmiddellijk in een totaal achtergestelde positie geplaatst. We mogen geen titulatuur aan diploma’s verbinden, onze studenten krijgen geen studiefinanciering en we krijgen niets betaald door de overheid. Op drie manieren worden we achtergesteld, hoewel we duidelijk de beste groep in de Nederlandse samenleving zijn om die opleiding te verzorgen. Er is echt een kartel.’
OF DE PLANNEN van In ’t Veld onmiddellijk te verwezenlijken zijn, is twijfelachtig. Over wat op korte termijn zal gebeuren, is slechts speculatie mogelijk.
Schuyt: 'Mij interesseert de vraag hoe de regering zal reageren op de tegenargumenten vanuit de universiteiten en hogescholen. Als die reactie is: geen gezeur, jullie hebben te doen wat wij willen, heb je een heel ouderwetse, autoritaire vorm van leiderschap. Voor mij is de toetssteen voor deze paarse regering of men het verzet en de argumenten van de bedreigde universiteit serieus wenst te nemen. Ik ben bang dat ze het debat niet graag willen aangaan, maar daarmee ondergraven ze hun eigen vernieuwende elan.’
In ’t Veld: 'Het is niet moeilijk te voorspellen wat er zal gebeuren. Natuurlijk wordt er water bij de wijn gedaan, die drie jaar is niet vol te houden. Het gevolg zal zijn dat men zegt: hier doen wij een concessie, maar de poen moet wel binnenkomen. Dat is een fatale combinatie.’
Klukhuhn: 'De paarse regering zal zeggen: wij zijn het eens met de inhoudelijke bezwaren, geef maar een alternatief. Alsof de regering er niet zit om alternatieven te bedenken.
Ik ben bezig met de voorbereiding van twee acties. Ik wil een grote stakingsactie aan de Universiteit van Utrecht organiseren als die 1,8 miljard doorgaat. Dat is het enige wat je kunt bedenken, want praten heeft geen zin. Ritzen zei dat het met de bezuinigingen afgelopen was en dat er geen dubbeltje meer af kon. Drie maanden later zet hij zijn handtekening onder een regeerakkoord met een bezuinigingsbedrag van 1,8 miljard. Wat valt er dan nog te praten?
De tweede actie wordt een grote ledenwerfactie voor het CDA. Als dit paars is… Ach, mijn vader zal zich wel in zijn graf omdraaien, die oude socialist.’