Het eindigt zoals het begint, met applaus, maar nu nog mooier

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse TV-kroniek kan bespreken. Vandaag: Ode aan de zorg.

In een ziekenhuis in Southampton hangt dus een tekening van een joch dat Superman en Batman in de prullenbak heeft gedonderd en trots een pop van een nurse, verpleegkundige, verpleegster, zuster omhoog houdt: zijn nieuwste heldin. Banksy is de maker. In het najaar wordt hij geveild: opbrengst voor de National Health Service en mij dunkt dat Boris Johnson fiks mee moet bieden. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis toonde hij zich buitengewoon dankbaar jegens de artsen die hem behandeld hadden. Begrijpelijk. Hopelijk heeft hij ook de verpleging bedankt – het zou het minste zijn. Wel expliciet bedankte hij de NHS, zonder erbij te zeggen dat hij en zijn partij die systematisch verwaarloosd hebben. Waarvoor excuses op zijn plaats waren geweest. Hij kijkt wel mooi uit. Wel verontschuldigde hij zich voor het te lang niet serieus nemen van zijn eigen gezondheidsklachten, maar niet voor zijn algemene, schandalige, brallerige, ontkennen van de ernst van corona voordien. Hoezo, een coronapatiënt geen hand geven? Arrogante hufters als rolmodel – levensgevaarlijk. De brille van Oxbridge én zo stom als het achtereind van een varken. Onbekend blijft, voor hem gelukkig, hoeveel slachtoffers hij daarmee indirect maakte. Mooie geste van Banksy.

Andere tijden maakt bij ons ook een gebaar door (afgelopen zondag) een special uit te zenden over de verpleging. Daar zijn ze sowieso goed in: actualiteit koppelen aan geschiedenis. Waarbij ze, in hun vertelling, uiteraard gebonden zijn aan beschikbaar beeldmateriaal. De commentaarstem dient om de hoofdlijn te bepalen en een enkele lacune op te vullen. Materiaal dat, toen het gemaakt werd, de wereld van gisteren ‘gewoon’ vastlegde, al betrof het soms filmen van iets vernieuwends. Maar door de tijd zijn zowel het ‘oude’ als het ‘nieuwe’ van gewoon bijzonder geworden, alleen al omdat dat ‘nieuwe’ ook al lang weer verdwenen is. Nee, het is uiteraard geen systematisch historisch overzicht. En het aandeel van de kraamzorg lijkt onevenredig groot – kennelijk veel beeld van, maar omdat het vaak ijzersterk is deert dat niet. Kijk die baker met bovenarmen als dijbenen en gekleed in vol ornaat, gezeten naast een kraambed, een baby ontdoen van vele lagen kleding alsof het een pop is. Ze doet het al jaren, maar ik houd mijn hart vast.

Op dinsdag 17 maart om 20.00 uur stond ik op mijn balkonnetje te klappen voor het verplegend personeel. Beetje gegeneerd, ook al omdat in ons stuk straat op hooguit vier andere plekken werd meegedaan. Nou ja, veel jonge nieuwe rijken, en veel expats, moet je maar denken. En hopelijk ook mensen die het een gratuit gebaar vinden in de richting van ondergewaardeerde en onderbetaalde vakkrachten. De overbuurvrouw, die nooit groet, keek of ze water zag branden en deed, minstens zo gegeneerd als ik maar om andere redenen (malle ouwe idioot), snel het gordijn dicht. Ik had er waarschijnlijk niet gestaan als onze oudste kleindochter niet ook al coronadienst had gedaan in haar ziekenhuis. Het is haar eerste professionele jaar, en dat op de kinderafdeling, maar in die toen nog chaotische fase werd iedereen incidenteel ingezet. Nu gebeurt dat niet meer, maar zij en haar collegae lopen wel op het randje doordat ze veel extra (nacht)diensten moeten draaien, vrije dagen vervallen en de compensatie die ook jonge mensen hard nodig hebben (uitgaan, feesten, vakantie) vervalt. Haar uitje is bij vriendin of ouders in de tuin zitten op meer dan gepaste afstand. Zeker, er is erger leed, maar het is een heftige vuurdoop. Trouwens, ik klapte uiteraard niet alleen voor haar.

Zulk geklap opent ook de aflevering. Je ziet dienstverleners uit andere beroepen tegenover een ziekenhuis applaudisseren voor schoonmakers, verpleegkundigen en artsen aan de overkant. Die lijken er blij mee, zij het sommigen licht bedremmeld. Ze klappen mee, voor zichzelf, voor de overkant. En dan gaat, fraai gevonden, dat klappen over in een opname van decennia geleden, waar een enorme groep strak geüniformeerde jonge ‘zusters’ blij staat te zwaaien. We gaan het verleden in, vaak aan de hand van een oud-kraamverpleegkundige, nu conservator van een museum voor medische voorwerpen, waarin de evolutie van zorgmiddelen die van de zorg in het algemeen illustreert. Maar we krijgen ook al snel Thea (van Theo) voor onze kiezen: Tosca Niterink als verpleegster met gigantische boezem en dito achterwerk (en uiteraard is Arjen Ederveen in dit geval arts; en is hij smoor op haar). Dat zijn de komische tussendoortjes uit de geschiedenis van het tv-amusement waarin verpleegkundigen opdraven – van Rudi Carrell via Paul van Vliet tot Medisch Centrum West. Soms wat gezocht, soms adequaat als illustratie van hoe over het beroep gedacht werd en wordt.

Maar de kern wordt gevormd door interviews waarin verpleegkundigen van toen zeggen dat ‘in iedere vrouw de gave sluimert om zich te geven’. Waarbij je niet meteen aan Baudet moet denken, maar aan de grote F.J.J. Buytendijk die zijn standaardwerk De vrouw (1951) opende met: ‘Het uitgangspunt van deze studie is geweest, dat de vrouw een mens is.’ En die als centrale doel van de opvoeding van de vrouw zag: ‘dienend in de wereld staan’. Als we de opleiding tot kraamverzorgster zien, horen we dat ook het meisje dat niet trouwt ‘hierin een werkkring vindt die haar ten volle kan bevredigen en waarin ze haar vrouwelijke kwaliteiten ten volle kan ontplooien’. We zien beelden van en horen over de kraamzorg die wel degelijk allerlei verbeteringen in sommige huizen bracht inzake voeding en hygiëne, maar die, andere kant van de medaille, vergaand bemoeizuchtig en betuttelend was. Je kunt het zien als onderdeel van het Grote Beschavingsoffensief, begonnen eind negentiende eeuw, dat de burgerij losliet op de arbeidersbevolking – in onze ogen sterk pater- of maternalistisch, maar tegelijk in veel opzichten een win-winsituatie voor beschaver en beschaafde. Waarbij de kanttekening past die ook in Andere tijden te horen is dat lange tijd de kraamzorg alleen bereikte wie het betalen kon, waardoor de kindersterfte in sloppen en stegen hoog bleef.

Wat die meiden niet allemaal moesten kunnen en doen! Gans een (vaak groot) gezin runnen. Niet te veel verwennen, maar als je een keer een extra feestelijke huzarensalade maakt ‘zal de kraamheer dat zeker waarderen’. Subthema: erotiek. In het museum zagen we verschillende uniformen uit verschillende periodes, waarbij lang gold: niet te wuft. Hobbezak troef. Dan krijgen we een ‘spontaan’ gesprek tussen vrouw des huizes en man. ‘Heerlijk idee toch dat al die opwinding rond de bevalling voorbij is?’ Hij, trekkend aan zijn sigaar: ‘Dat we samen rustig een hele avond thuis kunnen zijn.’ ‘Dat danken we aan de kraamverzorgsters. Je kunt het tante Lien of oma vragen maar die verwennen de kinderen zo vreselijk.’ Hij: ‘En tenslotte is het voor een man ook wel eens plezierig om een keer met een andere vrouw af te drogen.’ Zij, gespeeld geschrokken maar lachend: ‘O, maar dat is de bedoeling niet!’ Zie zelf: zoiets maakt de hele aflevering al de moeite waard. De kleding, het meubilair, de bekakte taal en de boodschap.

Tussen haakjes: ook de liefhebbers van Blauw bloed (EO) komen aan hun trekken. We zien zowaar koningin Emma in prachtig wit met kapje de oprichting van haar Emma Fonds proclameren (ze had grote aandacht voor verpleging en andere zorg voor behoeftige bejaarden en voor tuberculosepatiënten). En we zien Beatrix, toen ook prinses maar nog geen Majesteit geweest, het Dijkzichtziekenhuis openen. Zo kordaat dat het gordijnkoord ter onthulling van een plaquette breekt. Even later sjeest ze per fiets door de lange gangen, gevolgd door hotemetoten, benen in de lucht. Ze had er echt lol in. Er zat meer pit in dan ik me herinner.

Na aanstippen van het beeld van de vrouwelijke verpleegkundige in speelfilm: ‘bij het bed staan toekijken wat dokter doet, en mooi zijn voor een pittig salaris’, aandacht voor de harde realiteit: pittige opleiding, zwaar werk, slecht betaald. En dat door decennia heen (het is immers een roeping, daar hoort geen prijskaartje bij). En dan de onvrijheid: tijdens de opleiding verplicht wonen in het verpleegstershuis met 300 ‘collegaatjes’ en om 10.30 binnen zijn, anders zwaait er wat. Geweldige beelden van rationalisatie in het ziekenhuis met moderne technieken, die niet zozeer leiden tot verlichting voor de beroepskracht, maar tot minder handen aan het bed, waardoor die even ver of nog verder van huis is. En dat is dan nog voor de grote bezuinigingen van de jaren tachtig. De begrippen exploitatie en uitbuiting dringen zich op.

En dan, eindelijk, november 1988, zet verpleegkundige Gaby Breuer een advertentie in de Volkskrant waarin ze medestanders zoekt voor protest tegen salaris, werkdruk en gebrek aan erkenning en waardering (niet die van patiënten, die was er altijd; wel die van instanties en Samenleving). Buiten de vakbonden om. Een lawine van reacties. Het Binnenhof stroomt vol en 50.000 handtekeningen staan onder een petitie. Ook roeping dient gewaardeerd. Wilde acties, ‘help, de verpleegster verzuipt’ en na negentien weken een akkoord met werkgevers. 22 jaar later weten we dat het nog altijd en opnieuw bar gesteld is met salaris, erkenning en werkdruk. En kan het Slotervaart de moord steken. Tot corona voor een wake-upcall zorgt.

Het eindigt zoals het begint, met applaus, maar nu nog mooier. Op de rug zien we medisch personeel in het wit in een ziekenhuisgang. Ze klappen en juichen. In de verte zien we hun collega’s in blauwe oorlogsuitrusting naderen. Die hebben kennelijk een uitputtende coronadienst achter de rug. Ze lijken verrast, beetje verdwaasd. En dan, heel langzaam, nemen ze de zwaaiende bewegingen en het geklap van hun witte collegae over, tot ze even enthousiast meedoen, de dank retournerend. Het is ontroerend. Even ontroerend als het beste aller coronaprogramma’s: Frontberichten (BNNVARA).


Hein Hoffmann (regie); Astrid Sy (presentatie), Ode aan de zorg, Andere tijden-special, NTR/VPRO, zondag 10 mei, NPO 2, 20.35 uur. Gevolgd door Frontberichten!