Het elftal der elftallen

JOSE LUIS CHILAVERT - PARAGUAY, DOELMAN Heel af en toe verschijnt er zo'n keeper op het WK. Hij neemt tien veldspelers mee, maar dat is meer voor de beleefdheid.

Conejo was er zo een, de snordrager uit Costa Rica, die in 1990 de voorzetten lachend wegplukte boven de boomlange Schotten. En Schmeichel natuurlijk, die met de jaren een steeds brandesker dominantie aanneemt te midden van de bleke Denen.
Dit jaar voegt zich daarbij: José Luis Chilavert uit Paraguay. Zijn ploeggenootjes zijn lieve pingelaars, hij zelf is twee meter in het vierkant en brandgevaarlijk. Een os van een man: hoofd tussen de schouders gestampt, kolenschoppen in witte handschoenen en vuurspuwende ogen.
Keepen kan hij niet echt, volgens de regels van hier, maar die kankertyfusbal gaat er niet in. Boksen en ranselen, liever met de vuisten dan klemvast, en als er een spits tussen zit, des te beter.
Vorige week tegen Oranje viel hij niet op. Het stadion was te klein, de wedstrijd te slap en de tegenstander te vriendelijk. Chilavert floreert op agressie. Geen ijskonijn, maar een keeper die oorlog maakt in de zestien. Aan beide kanten van het veld. De ene strafschop erin jenzen, de andere eruit rammen. Liefst in uitzinnige Argentijnse stadions, waar ze hem haten. En dan met de vuisten omhoog over het veld razen, door een hagel van scherpe voorwerpen heen. Met de ogen van een gedrogeerde maniak.
Waar ze hem na afloop opsluiten weet ik niet. Maar hoe zijn ploeggenoten heten evenmin. (chris keulemans)
MARCELO SALAS - CHILI, MIDDENVOOR
Pukkelige meisjes, acne, waarschijnlijk uit de provincie. Ze staan achter het hek van het trainingsveld.
Hij komt uit de kleedkamer het veld op. Twee ballen in de lies gedrukt. Cool. Shit. Scoren, man.
Hij vuurt zijn eerste schot op doel af. Een suizing als bij tegenwind. Het geluid van klepperende wasknijpers als het leer het net beroert.
Whooow!
Na het laatste schot de ren om handtekening. Where? Aqui?
Het doet er niet toe.
De roes heeft van het hele lichaam bezit genomen. Schonkig zoekt hij de douche op.
Bij de een alleen de voornaam. Bij de ander de achternaam erbij. Bij de derde iets uitgevloeids, onleesbaar. Bij de vierde met het land van herkomst erbij.
Marcelo Salas. Chile. (sander pleij)
ENZO SCIFO - BELGIE, RECHTSMIDDEN
Waarschijnlijk was de bal waarmee België afgelopen zaterdag van Paraguay won, bedoeld als voorzet. Via de schouder van een verdediger van de tegenpartij belandde de ongecontroleerde trap van invaller Scifo in het doel. Zijn vijftiende doelpunt voor de Rode Duivels.
Vijftien doelpunten voor een speler die al twaalf jaar wordt opgesteld, is niet veel. De ‘regisseur van het middenveld’ speelt in dienst van het elftal en bedient de spitsen. Dat deed Scifo al in 1986, toen de Belgische nationale ploeg op het WK in Mexico boven zichzelf uitsteeg. Een formidabele techniek en een voor België ongekend temperament maakten de halve Italiaan tot de held van de Vlaams-Waalse eenheid.
De nieuwe Belgische bondscoach Georges Leekens haalde tijdens de kwalificatiewedstrijd tegen Nederland, september vorig jaar, de naar zijn idee oude en trage Scifo voortijdig naar de kant. Het was het begin van een conflict waarbij Scifo koos voor het machtswoord van de topvoetballer: de Duivels moesten het voortaan maar zonder hem opknappen.
Maar de vedette wist het: de Rode Duivels kunnen niet zonder hem. Door ingrijpen van de sponsors is Scifo in Frankrijk voor de vierde keer bij een WK aanwezig. Zijn ervaring zal de Belgen in de Derby der Lage Landen nog node van pas komen. Als door zijn doelpunt op 13 juni Nederland-België beslist wordt, dan leg ik me daar bij neer. (peter vermaas)
ALLESANDRO DEL PIERO - ITALIE, RECHTSVOOR
Om te beginnen: er zijn twee soorten spelers die ik haat. Het eerste is wat ik het type-Bennie Muller noem. Daar heb je er veel van. Het heeft zonder uitzondering zijn carrière afgesloten in een goedlopende sigarenwinkel, tevens inleveradres voor toto- en lottoformulieren. Niks mis mee. Daar is mijn eigen vader zijn carrière begonnen.
Het type-Bennie Muller kenmerkt zich doordat het, als het tegenzit, de ogen toeknijpt, de tenen van de rechtervoet kromt en van halverwege het veld lukraak op het doel begint te schieten. Nooit is zo'n schot erin gegaan. Daar is het ook niet voor bedoeld. Het was bedoeld om de medespeler te vermanen. Sukkels! Moet ik hier dan alles zelf doen? Zonder mij wordt het nooit 1-1! Wie een Bennie Muller opstelt wordt nimmer wereldkampioen.
Het tweede type waar ik niet tegen kan is de stormram waarvan elk Engelstalig elftal er sedert 1853 wel een opgesteld heeft. De stormram schiet ballen in het doel waar een fatsoenlijke speler zich voor schaamt. Ik noem maar. De keeper ligt uitgeteld bij de hoekvlag, in geen velden of wegen is er een verdediger te bekennen. Leeg gaapt het doel. De stormram staat er een halve meter van af met de bal aan zijn voet en jast de bal met volle wreef snoeihard tegen de touwen. Een speler die van zijn vak en van mij houdt, mist zo'n kans. Of hij gaat er net zo lang mee jongeleren totdat alle verdedigers de tijd gekregen hebben om terug te hollen en zich met angst in de ogen voor zijn voeten te werpen. Pas dan schuift mijn man, mijn kunstenaar, mijn minnaar de bal, zacht fluitend, begrijp me liefje, ik kan het niet helpen, bij voorkeur met zijn lippen over de doellijn.
U weet nu natuurlijk wie ik opstel als rechtbuiten. De speler die het minst van allen lijkt op een Muller of een stormram. Geen ander natuurlijk dan Allesandro del Piero, de gebenedijde, de enige die wat recht is liefdevol krom trapt. (gerard van westerloo)
TONY ADAMS - ENGELAND, MIDDENACHTER
Op het schoolplein herken je hem meteen. Hij hoort bij het groepje dat de dienst uitmaakt, maar staat er toch iets afzijdig bij. Hij is langer dan de anderen, slungelachtig. Praten is zijn fort niet, hij moet het van veelbetekenend zwijgen hebben. En van veelbetekenend trekken aan zijn shaggie, dat hij in zijn handpalm houdt. Hij speelt onverschilligheid, maar iedereen weet: hij is de betrouwbaarheid zelve.
Dat is het type van de middenachter. Een universeel type. Toen ik nog keepte, had ik er zo een voor me staan. Won alle kopduels, onderbrak alle eentweetjes, speelde recht in je handen terug, stond altijd klaar om je uitgooi te ontvangen, zweeg lovend na een redding en zweeg troostend na een tegentreffer. Jan Kat heette hij, want zulke namen hebben ze. Jan Kat, Jaap Stam, Tony Adams - namen zonder opsmuk, spelers zonder franje.
Tony Adams dan maar. Omdat collega Van der Sar hem ook de beste vindt. (antoine verbij)
JARI LITMANEN - FINLAND, MIDDENMIDDEN
Jari Litmanen heeft maar één fout: zijn nationaliteit. En dus zal de topscorer aller tijden van de Champions League niet schitteren op het WK.
Litmanen heeft alles wat een nummer tien moet hebben. Hij kan vrije trappen krullen als Platini en uit onmogelijke hoeken scoren. Bij Litmanen lijken deze wapenfeiten echter bijzaak. Hij stelt zich een hoger doel: het overstijgen van de grenzen van het eigen lichaam, opdat je de benen en de breinen van je medespelers kan ervaren als die van jezelf.
Jari voelt wat anderen gaan doen. In dienst van het team spelen zien voetballers op zijn best als een noodzakelijk kwaad. Jari niet. Hij is de anderen. Hij is de eerste moederlijke voetballer. Hij rust niet voor alle kinderen hun talent ten volle hebben vertoond.
Jari liet zich vroeger graag Diego noemen, naar zijn grote voorbeeld Maradonna. Maar een groter contrast is niet denkbaar. De Argentijn was het summum van een macho. Met de borst vooruit zocht hij zijn tegenstander op en vernederde hem met een schijnbeweging of een versnelling. Litmanen is deze kinderlijke zelfexpressie ontgroeid. Zijn kracht schuilt in de zachte dwang. Bijna zonder ruzies en confrontaties krijgt hij zijn zin. Met de schouders licht opgetrokken, is hij al weggedraaid voor de tegenstander zijn tackle inzet. Hij heeft al gekaatst voor de verdediger zijn enkels attaqueert, en als de verdediger eindelijk is geland in de tijdzone van de Fin, heeft Litmanen allang gescoord via het hoofd of de wreef van een medespeler. (pieter hilhorst)
FINIDI GEORGE - NIGERIA, RECHTSBUITEN
De beste rechtsbuiten ter wereld heb ik vaak zien voetballen toen hij nog bij Ajax speelde. Hij had, als novice bij Ajax, iets onderdanigs, iets verlegens, dat trouwens erg bleek mee te vallen toen hij Ajax tamelijk plotseling verliet.
Ik zag hem die eerste keer spelen en dacht: 'Ik moet hem straks spreken.’ En na de wedstrijd wachtte ik hem op in de catacomben van het Olympisch Stadion.
'Was! Het! Voor! U! Een! Fijne! Wedstrijd!?’ vroeg ik hem in het Engels, want dat hij geen Nederlands sprak wist ik.
Z'n grote witte tanden kwamen tevoorschijn.
'Yes! Nice! Game! For! Me!’ zei hij.
De volgende dag maakte ik voor de krant een portretje van hem.
Steeds als ik naar Ajax ging lette ik speciaal op mijn nieuwe held: Finidi George.
Wat kon hij?
Finidi blonk uit in vier dingen: verdedigen, aanvallen, het geven van zuivere passen, en, het belangrijkste: het trekken van gaten. Hij trok gaten voor Kluivert en Kanu. Voortdurend rende hij via die rechterkant naar de achterlijn om van daaruit een meesterlijk pass voor het doel te geven.
Hij begreep altijd wat Danny Blind, die de lijnen uitzette, wilde.
Helaas speelt hij niet voor Nederland.
Hij speelt voor het Nigeriaanse elftal. (theodor holman)
DENNIS BERGKAMP - NEDERLAND, CENTRUMSPITS
De centrumspits is geen voetballer. Van de centrumspits worden voetbalverslaggevers lyrisch; de centrumspits is een dravende metafoor. Lees er de tientallen WK-bijlagen op na en je komt panters, antilopen en gazellen tegen. Balletdansers, slangemensen en sluipmoordenaars. Tovenaars, goochelaars en jongleurs met een bal. Artiesten zogezegd. In het slechtste geval is de centrumspits een tank of kanonnier. Zijn specialiteit: oorlog in de zestien. De bijvoeglijke naamwoorden die op hem worden geplakt: krachtig, sterk, koelbloedig en gevaarlijk.
In het beste geval is de centrumspits de god onder de godenzonen. Een verlosser die op vleugels door de vijandelijke linies zweeft. Hij beheerst zoveel passeerbewegingen als de ballerina danspassen kent. Hij streelt de bal met een fluwelen traptechniek. En met zijn goddelijke linker- of rechterbeen - hoewel het nog goddelijker is als hij twee goddelijke benen heeft.
Het heeft iets mals als stoere mannen die geen versregel kunnen citeren en denken dat Gorter en Bloem vergeten voetballers zijn opeens aan het dichten slaan. Het is ook makkelijk: de beste spits is de spits die de meest hoogdravende lyrische uitbarstingen oproept. En als je dan voorbijgaat aan de poëzie van de Zuid-Amerikanen - sentimentele mannen die hun voetbalhelden tot aartsengel of matador dopen - dan kom je onvermijdelijk bij Dennis Bergkamp terecht. Een nuchtere jongen met een stuurs gezicht die voetbalt als een Braziliaan. Hij kan niet anders dan mooi voetballen. En het mooiste is: de opgewonden lyriek glijdt van hem af als een Hollandse regenbui. (xandra schutte)
BIXENTE LIZARAZU - FRANKRIJK, DE LINKSACHTER
Mijn grootste voetballer, de voetballer wiens nummer ik op mijn eigen shirt had, de speler die ik in de achtertuin trachtte te zijn, de vleugelspits aan wie ik dacht als ik zelf des tegenstanders backs het nakijken gaf - die voetballer was Tscheu La Ling. Rechtsbuiten.
Ling was briljant of een natte krant. Maar hij was iemand. En hij deed dingen die niemand anders deed.
Ik kan alleen maar grinniklachen om de linkervleugelverdediger. De linksback. Hij is de meest sneue van het elftal. Niemand wordt uit vrije wil linksachter. In het beste geval - het allerbeste - schakelt hij zijn directe tegenstander uit. Dan is hij zo goed als onzichtbaar. In het slechtste geval wordt hij voor paal gezet door zijn rechtsbuiten. Dan is hij zichtbaar - tot zijn spijt.
Dat is het lot van de linksachter: onzichtbaar willen zijn. Zijn man uitschakelen. Er niet zijn. Bixente Lizarazu. Uit Frankrijk. (rob van erkelens)
STEFAN REUTER - DUITSLAND, RECHTSACHTER
Aanvallen over links kan de tegenstander beter achterwege laten. Onvermijdelijk stuit hij op Stefan Reuter, mijn lievelings-Abwehrspieler.
In 1971 bij TSV Dinkelsbühl begonnen, werd Reuter al gauw gecontracteerd door Bayern München. In 1991 ging hij naar Juventus, waar hij triomfen vierde. Na drie seizoenen Serie A sloeg echter de heimwee toe en sinds 1994 dient Reuter Borussia Dortmund.
De beste wedstrijd speelt Reuter op het EK '92 in Zweden tegen het Gos. Hij weet zich telkens vast te zuigen aan linksbuiten Dobrovolski. In slowmotion is goed te zien hoe zijn armen als krabbescharen rond de Rus zijn middel sluiten. Dan zet hij zich schrap en gaat tot struikelen over, net zo lang tot de opposant onder hem ligt.
Het afgelopen seizoen bij Borussia was Reuter minder succesvol. Met gekneusde enkels en zelfs een keer met een gebroken hand werd hij op een brancard het veld afgedragen. Zou hij met zijn 31 jaar over zijn hoogtepunt heen zijn?
Trainer Berti Vogts heeft zich niet van de wijs laten brengen en Reuter gewoon in de selectie opgenomen.
Drieënveertigste minuut. Vulkanisch schokkend breekt der Turbo als een nietzscheaans Blond Beest uit zijn kooi los, de helblauwe ogen opengesperd. Langs de lijn stoomt hij ongehinderd voort. Tegenstanders doen er niet toe, ze zijn te menselijk, al te menselijk. Onder een fladderend ravenzwart broekje klotsen zijn dijbenen, graspollen zwiepen over zijn schouders. Zo rond de achterlijn brengt hij zijn gevreesde rechter in stelling en Klinsmann heeft ’m op een presenteerblaadje. (joris van casteren)
JOHAN NEESKENS - NEDERLAND, TRAINER
Formeel is hij niet meer dan knechtje van Hiddink, maar let op: tijdens deze WK ontpopt Johan Neeskens zich als de ware coach van Oranje. Met zijn roofdierstille blik, die samengeknepen ogen, die ingevallen wangen en die dunne streep als mond, jaagt 'De Nees’ zijn mannen schrik aan. En dat was nodig, want onder Hiddink was de aandacht fors verslapt. Guus (die naam alleen al!) is een mooiweertrainer, altijd bezig met zijn pr, zo niet met golfen, en vooral: veel te relaxed. Nee, dan Neeskens, alias De Beuk, alias El Indestruttibele. Zoon van een IJmuidense staalarbeider. Meester van de sliding. Buiten de lijnen een gevoelsmens die bij Bambi de vrije tranen laat. Eindigde down and out in New York, zwaar aan de whisky en de coke. Afgeschreven door iedereen kwam hij terug als trainer. Noemde Davids 'een dravertje dat in '74 niet in het Nederlands elftal zou hebben gestaan, zelfs niet in het eerste van Ajax’. Zo moet het. (rené zwaap)
FRANK DE BOER - NEDERLAND, LIBERO
Vrij naar Jaap de Hoop Scheffer: 'Samen kijken doe je niet alleen.’
Een wedstrijd zonder de maten van de zaalvoetbalclub is als branding zonder geluid, Matisse zonder kleur. Van aftrap tot eindsignaal klinkt commentaar op elke persoon en handeling op het veld - en op de ongelukkige tv-verslaggever van dienst.
Mijn omgeving, wetend hoezeer ik groepskijken bemin, leeft in de veronderstelling dat ik dus verstand van voetbal heb. 'Wie is de beste libero?’ Ik denk aan m'n moeder die, genietend van haar kijkende mannen, na een uur vroeg welke kant 'die van ons’ op speelden. Hoezo, de beste? Wat doet een libero precies? Dus bel ik. Verbijsterend. Niet alleen passeert de wereldgeschiedenis de revue (Vasovic, Israel, Beckenbauer, Koeman, Blind), van sommigen beweren anderen dat die geheel geen libero maar mandekker zijn; dat een elegante libero, net als de maffiabaas, slechts bestaat dank zij een moordenaar als voorstopper. Legio namen ook van wie de beste zouden zijn als de trainer niet zo stom was ze elders op te stellen. Zelfs keeper Jongbloed wordt genoemd, vanwege perfect uitkomen.
Dus leg ik de meest genoemde actieven voor. Kan ieder leven met Matthias Sammer (veelzijdig, atleet, stijl), blijkt die geblesseerd. Noem ik Hierro, is die 'te schonkig’.
Uiteindelijk, vrienden, is de mens alleen. En besluit ik: Frank de Boer. Die de finale tegen Frankrijk vlak voor tijd beslist met een onvergetelijke vrije trap. Nee, verstand heb ik er niet van. (walter van der kooi)