Het ene onuitgesproken gedicht

Georg Trakl, Het laatste goud van vervallen sterren. Geselecteerd en vertaald door Jan U. Terpstra, ingeleid door C.O. Jellema. Uitg. Umbra, 184 blz., Ÿ 49,50. ..LE Veel onderzoekers en exegeten menen dat Trakls po‰zie te duister en te hermetisch is om in ‘binnen te dringen’. Geef de verklaringen op en geniet maar van de schoonheid. Maar kan het niet allebei? ..LE NAAST favoriete schrijvers is er altijd ÇÇn - hooguit twee - die je zo dierbaar is dat hij op een hors catÇgorie-positie staat en niet anders dan ‘held’ kan heten. Georg Trakl is mijn held, mijn grootste literaire liefde. Vanaf het eerste moment dat ik werk van hem onder ogen kreeg, heeft hij me gefascineerd. Zijn bescheiden oeuvre, zo'n tweehonderd gedichten, is als een geheime wereld die men naar believen kan betreden en waar men kan ronddwalen zo lang men wil. De wereld die Trakl in zijn po‰zie oproept, is een duister labyrint vol donker-mooie beelden, doordrenkt van dreiging, verval en ondergang.

Voor zijn gedichten gebruikt Trakl een relatief klein vocabulaire. Telkens laat hij dezelfde motieven terugkeren. Vooral kleuren en geluiden, en natuurlijke landschappen. Het bos - of eigenlijk het ‘Wald’ - de rivier, bomen, weiden. Vaak is het nacht. Dieren, per definitie onschuldig, en menselijke wezens bevolken dat avondlijke sprookjesrijk. Altijd loopt er wel een 'jongeling’ rond, vrouwelijk, mannelijk of androgyn. De gestalte van de vader, de moeder of de zuster zweeft tussen de bomen. Er is immer iets aan het vergaan, aan het verrotten.
Trakls wereld is een in zichzelf gesloten po‰tisch universum, waarin de krachtige beelden nog wel enige verbintenis met de werkelijkheid hebben (het stervende dier, de zuster, de vader) maar vooral chiffres zijn van een po‰tische wereld met haar eigen structuren die de lezer, om Rilke te citeren, 'wie an Scheiben gepresst’ waarneemt. Als buitenstaander, dus. Die mag toekijken maar kan nooit toetreden.
GEORG Trakl werd in 1887 in Salzburg geboren. Hij groeide op tussen zes broers en zusters en werd voornamelijk opgevoed door een gouvernante, aangezien moeder Trakl zich liever bezighield met haar antiekverzameling dan met haar kroost. Als puber ontwikkelde Trakl een liefde voor Dostojevski en Nietzsche. Onder invloed van romantische en symbolistische dichters begon hij po‰zie te schrijven. Niet gemotiveerd om op school uit te blinken, liet hij zich van het gymnasium verwijderen om aan een farmaceutische opleiding te beginnen. In hoeverre die keuze werd ingegeven door Trakls interesse voor roesverwekkende middelen (die almaar groter werd) is niet te zeggen.
In de tijd dat Georg Trakl als leerling in apotheek Zum Weissen Engel in Salzburg werkte, gedroeg hij zich steeds meer als een bohÇmien en poŠte maudit. Hij deed zijn best de Salzburger burger zo veel mogelijk te choqueren: hij bezocht bordelen, liet zijn haar lang groeien en gebruikte alle verdovende en anderszins bedwelmende middelen die hij kon vinden, met een merkwaardige voorliefde voor chloroform. Later zou Trakl vooral opium en cocaãne gebruiken.
In zijn puberteit deed zich, vrij plotseling, een ingrijpende psychische verandering voor. Hij werd arrogant, melancholisch en verveeld. Meer en meer zonderde hij zich af, meed hij elk contact met de buitenwereld. Dat had alles te maken met de incestueuze verhouding met zijn zuster Grete.
Na het behalen van zijn apothekersexamen vertrok hij naar Wenen om aan de universiteit farmacie te gaan studeren, en daar werd zijn geest alleen maar troebeler. Lijdend aan diepe depressies, gekweld door angstaanvallen en een vernietigend schuldgevoel, verslaafd aan drank en drugs, leefde Georg Trakl moeizaam zijn leven.
Tussen 1910 en 1913 schreef hij het grootste deel van zijn werk. Aan zijn tragische leven kwam op 3 november 1914 een knarsend einde. Als militair apotheker was Trakl betrokken bij de zeer bloedige slag bij Grodek/Rawa-Ruska. Hij was, zonder assistentie van een arts, verantwoordelijk voor de verzorging van negentig zwaar gewonde soldaten. Na een mislukte zelfmoordpoging werd hij opgenomen in het garnizoenshospitaal in Krakau, waar een arts hem diagnostiseerde als een geval van 'Genie und Wahnsinn’.
Of Georg Trakl de overdosis cocaãne waaraan hij stierf met opzet had genomen, bleef onduidelijk.
RAINER MARIA Rilke zei over Trakl: 'Wer mag er gewesen sein?’ Ludwig Wittgenstein, die Trakl anoniem twintigduizend kronen financi‰le steun gaf, bekende over diens gedichten: 'Ich verstehe sie nicht; aber ihr Ton beglÅckt mich. Es ist der Ton der wahrhaft genialen Menschen!’
Veel onderzoekers en exegeten besluiten dat Trakls po‰zie zo 'gesloten’, zo hermetisch is dat ze niet is 'binnen te dringen’. Trakls taal is duister, vindt men, en de wereld die hij in zijn gedichten oproept, is nooit helemaal te duiden. Voor veel literatuurwetenschappers, voor wie Trakl een dankbaar studieobject is (meer dan drieduizend studies over dat kleine oeuvre!) is dat alleen maar mÇÇr reden hem te beschouwen als een uitzonderlijk dichter, een vernieuwer, een geniaal avantgardist van het kaliber Pound, Eliot of Celan.
Martin Heidegger zei over Trakl: 'Jeder grosse Dichter dichtet nur aus einem einzigen Gedicht.’ Dat ene gedicht blijft onuitgesproken. Geen van de afzonderlijke gedichten kan alles zeggen.
Om Trakls ene gedicht te 'er-”rtern’, zoekt Heidegger de grondtoon ervan, of de 'mythe’. In 'FrÅhling der Seele’ schrijft Trakl: 'Es ist die Seele ein Fremdes auf Erden’. Daarmee plaatst hij, aldus Heidegger, het vergankelijke, het aardse tegenover het onvergankelijke en bovenaardse. De bovenzinnelijke ziel hoort niet op de aarde, zij is 'ein Fremdes’.
Heidegger onderzoekt vervolgens de etymologie van het woord 'fremd’. De eigenlijke betekenis is 'op weg naar elders’, 'onderweg naar’. Het vreemde dwaalt niet doelloos rond, maar is op weg naar een plaats waar het kan blijven. De ziel zoekt de aarde, de mens is onderweg en zoekt zijn wezen, dat nog niet is vastgesteld; hij is een vreemde. Rond deze vreemde(ling) is Trakls po‰zie opgebouwd: hij is en hij heet 'de afgezonderde’. Omdat het lied, de po‰zie bestaat in het gezang van de afgezonderde, concludeert Heidegger dat het 'Ort’ van Trakls po‰zie de 'Abgeschiedenheit’ is.
De identiteit van de afgezonderde is meerduidig, hij is 'Der Fremdling’, 'Der Wahnsinnige’, 'Der FrÅhverstorbene’, 'Der Wanderer’, 'Der Knabe’ enzovoort. Tot de afgezonderdheid horen de onschuld van de stille kindertijd, de blauwe nacht, de duistere paden van de vreemdeling, de nachtelijke vleugelslag van de ziel, de schemering als begin van de ondergang. De afgezonderdheid is niet statisch, het is de plaats waar een overgang plaatsvindt, een openbarende ondergang: van de ondergang van het vervallende gaat de mens (en het gedicht) over naar de schemering van de heilige blauwte, van de 'SpÑte der Verwesung in die FrÅhe des stilleren, noch ungewesenen Anbeginns’. De overgang loopt van het oude, in verval zijnde geslacht naar het ongeborene. Trakls po‰zie spreekt vanuit datgene wat in de overgang verlaten wordt Çn vanuit dat wat komen gaat.
NU EN DAN verschijnt er weer een vertaling van Trakls po‰zie. Of liever gezegd: van een deel van Trakls po‰zie. Nog nooit is zijn verzameld werk integraal vertaald. (Daarom is het verheugend te horen dat uitgeverij Meulenhoff dat in de nabije toekomst van plan is.) Men kiest steevast voor een bloemlezing uit het oeuvre, en vertaalt dan met name werk uit de laatste jaren van zijn leven.
Dat is te begrijpen. In 1913 en 1914 bereikte Trakl zijn hoogste niveau, en had hij, na lange tijd zoeken, zijn eigen stijl, zijn eigen 'stem’ gevonden. De gedichten die hij tussen 1909 en 1912 schreef, dragen nog alle sporen van epigonisme: Trakls jeugdwerk leunt zwaar op de po‰zie van symbolisten als Maeterlinck en Rimbaud. Zowel wat de inhoud als wat de vorm betreft, is de vroege po‰zie een echo van de romantisch-decadente literatuur waar Trakl van hield. Regels als: 'Wir wandeln in Verlassenheit/ Und sind im Ewigen verloren,/ Gleich Opfern, unwissend wozu sie geweiht’ laten zien hoe de dichter grijpt naar vage begrippen en abstracte beelden om iets uit te drukken van zijn gemoedstoestand - en aan zijn doel voorbijschiet.
Met het concreter worden van de po‰tische beelden wint het werk aan kracht, en aan het eind van zijn leven heeft Trakl een geconcentreerde taal gevonden, vol terugkerende beelden en motieven, die een onuitwisbare indruk maakt.
Ook in Het laatste goud van vervallen sterren wordt het jeugdwerk overgeslagen. Maar dat is dan ook veel moeilijker te vertalen dan het late werk: het is strak metrisch en het rijmt. Trakl hanteert een strikt rijmschema en vaak kiest hij de sonnetvorm. Voor de vertaler een pittige klus, wellicht ook de reden voor de immer voorspelbare keuze.
C.O. Jellema schrijft in zijn Inleiding bij Het laatste goud van vervallen sterren over het hermetisme van Trakls po‰zie: 'Middeleeuwse schilderijen vertellen vaak een verhaal. Op een paneel staat een aantal scŠnes compositorisch tot een harmonisch geheel geordend bijeen. (…) Zo, vergelijkenderwijs, zijn ook de gedichten van Georg Trakl stuk voor stuk panelen vol beeldtekens, vormen zij tezamen als het ware een groot paneel waarachter een verhaal te raden valt, een levensverhaal. Een paneel dat er door zijn fascinerende, verontrustende schoonheid toe uitdaagt zo'n levensverhaal te ontdekken, en dat tegelijkertijd de toegang tot dat verhaal door de eigenzinnigheid van zijn beeldtekens lijkt te willen versperren.’
Jellema meent dat het niet erg zinvol is te zoeken naar een achterliggende wereldvisie, waaruit Trakls gedichten zouden zijn ontstaan, en waaruit ze dus ook te interpreteren zouden zijn: 'Trakls “moeilijkheid”, voor zover je het “verhaal” dat zijn gedichten vertellen, wilt overzetten in een logisch inzichtelijke parafrase, is vrijwel uitsluitend gelegen in het complexe vlechtwerk van zijn persoonlijke beeldtaal. De magie die daarvan uitgaat (…) komt voort uit een sensibele muzikaliteit van beeldschikking en zinsbouw. Zonder hen nog te “begrijpen”, zonder hen nog interpretatief te verstaan, dwingen ze je hun mysterium tremendum et fascinans te ondergaan.’
Jellema concentreert zich vervolgens op twee thema’s in Trakls werk. Eerst is daar de figuur van Kaspar Hauser, het beroemdste weeskind uit de geschiedenis. De historische Kaspar Hauser dook op een goede dag in 1828 op in Neurenberg. Hij was vermoedelijk zestien jaar oud, kon nauwelijks praten en niet schrijven. De mythe wil dat hij als vondeling was opgegroeid zonder menselijk contact, na als bastaardprins van Beieren te zijn geboren. In 1833, op zijn vermoedelijk 21ste dus, werd Hauser door een onbekende 'op geheimzinnige wijze’ vermoord.
Trakl destilleerde uit de Hauser-mythe enkele elementen en gebruikte die in zijn po‰zie. Met name Hausers afgezonderdheid, zijn 'vreemd’-heid, zijn onschuld (vermoord!) pasten in het typische Trakl-beeld van de bijna engelachtige jongeling die het zuivere, het ongerepte, het zondeloze personifieert. Die figuur keert telkens terug in de po‰zie. Soms heet hij Elis, soms Helian, vaak alleen 'de afgezonderde’, of gewoon 'hij’.
Jellema plaatst Trakl in de romantische traditie door te wijzen op het verband tussen zijn 'beeldtekens’ en Novalis - met name diens roman Heinrich von Ofterdingen. Maar ook Jellema besluit niet te zoeken naar 'verklaringen’ voor Trakls po‰zie, en maar gewoon te genieten van de schoonheid ervan. Dat is een zwaktebod.
DE GESLOTENHEID van Trakls po‰zie toeschrijven aan een geniaal dichterschap, aan een verfijnde po‰tica, is niet juist. Trakl was geen groot lezer. Hij was niet op de hoogte van de traditie waarin hij werkte. Hij had geen echte po‰tica. Zijn oeuvre is het werk van een geobsedeerd, gekweld dichter, een man die in zijn gedichten probeerde boete te doen voor een misdaad die hij als jongeman pleegde, en waarover hij zich tot zelfdodens toe schuldig voelde: de incest met zijn zuster Grete. Het kleine maar meesterlijke oeuvre van de Oostenrijker is de gestoorde wereld van een schizofreen. Van een man die werd gekweld door nachtmerries en hallucinaties, die kapotging aan gevoelens van schuld en onmacht. Een man die het leven zo zwaar viel dat zelfdoding een natuurlijke weg leek. Een man ook die excelleerde in polydruggebruik, zoals dat tegenwoordig heet.
Een van de twee aforismen die Trakl schreef, net voordat de trein vertrok die hem de oorlog in en voorgoed de wereld uit zou voeren, luidt: 'GefÅhl in den Augenblicken totenÑhnlichen Seins: Alle Menschen sind der Liebe wert. Erwachend fÅhlst du die Bitternis der Welt; darin ist alle deine ungel”ste Schuld; dein Gedicht eine unvollkommene SÅhne.’ Hij overhandigde het aan een vriend. Toen die hem vragend aankeek, voegde Trakl eraan toe: 'Aber freilich - kein Gedicht kann SÅhne sein fÅr eine Schuld.’
Het gedicht is 'SÅhne’, niet alleen voor de dichter ten opzichte van de mensheid die hij in de persoon van de zuster kwaad heeft aangedaan, maar ook en vooral voor de persoon Trakl, die zich middels zijn po‰zie (tijdelijk) kan verzoenen met het leven, omdat hij het door het tot gedicht te maken draaglijk maakt.
Uit Trakls biografie is op te maken dat hij zeer verwarde geestestoestanden kende. Uit zijn weinige brieven blijkt dat hij hallucineerde, demonische machten in zich voelde werken en door een 'infernalisches Chaos von Rhythmen und Bildern’ bestookt werd. Uit het feit dat hij geen enkele po‰ticale uitspraak heeft gedaan, mag geconcludeerd worden dat hij niet de weloverwogen taalalchemist was die men hem wil laten zijn. Eerder moet men zijn werk zien als een poging tot zelfbescherming op de rand van de ondergang, een poging de chaos die hem 'Åberwaltigt’ te bezweren door die om te vormen tot po‰zie. Trakl zelf beschreef zijn werk eens als 'Rhythmen aus meinem Inferno’.
'GefÅhl in den Augenblicken totenÑhnlichen Seins: Alle Menschen sind der Liebe wert. Erwachend fÅhlst du die Bitternis der Welt; darin ist alle deine ungel”ste Schuld; dein Gedicht eine unvollkommene SÅhne.’ Dat had op zijn graf mogen staan. En het mag op het mijne.