Internationalisering als splijtzwam

‘Het Engels is zo’n extraatje’

Steeds vaker schakelen Nederlandse universiteiten over op het Engels in hun slag om de buitenlandse student. Keert de academie daarmee haar rug naar de Nederlandse samenleving?

Medium hh 60475800
Erasmus Universiteit Rotterdam – Afgelopen studiejaar was twintig procent van de bachelors in Nederland volledig Engelstalig © Ronald van den Heerik / HH

Twee weken voor aanvang van het academisch jaar arriveren busladingen buitenlandse studenten op Schiphol. De Universiteit van Amsterdam heeft op de luchthaven een heuse ontvangstbalie ingericht om de kersverse internationals te verwelkomen, waarna vrijwilligers ze naar de klaarstaande bussen dirigeren. Die brengen de studenten naar de campus van het Science Park waar ze de sleutel van hun woning krijgen en praktische zaken als een pinpas kunnen regelen. ‘We willen niet dat je je met al dat geregel hoeft bezig te houden’, vertelt een vriendelijke meneer met Amerikaans accent in het promotiefilmpje van de UvA.

Volgens cijfers van internationaliseringsorganisatie Nuffic studeerden er het afgelopen studiejaar 112.000 buitenlandse studenten in Nederland, waarvan er 81.392 een volledige bachelor- of masteropleiding volgen; een aantal dat de afgelopen tien jaar verdubbelde. Ook dit studiejaar wordt weer een sterke stijging verwacht. De kwaliteit van het onderwijs en de relatieve betaalbaarheid doen studenten uit het buitenland steeds vaker voor een opleiding in Nederland kiezen.

Internationalisering wordt gestimuleerd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en door de universiteiten die allemaal hun eigen internationaliseringsstrategie hebben. De aanwas van Nederlandse studenten zal in de toekomst vanwege demografische ontwikkelingen teruglopen en opleidingen willen hun programma’s graag op peil houden. Minder studenten betekent minder geld voor de opleiding, dus minder geld om een divers studieprogramma aan te bieden. De grote pool van de wereldmarkt, waar de slag om de student vandaag de dag wordt uitgevochten, leent zich uitstekend om gaten te vullen. En het veel hogere collegegeld (tussen de 7500 en 20.000 euro in plaats van het gereduceerde tarief van 2000 euro) dat studenten van buiten de EU meebrengen is zeer welkom.

Onder meer vanwege de toenemende aantallen buitenlandse studenten bieden opleidingen steeds vaker onderwijs in het Engels aan. Bij masters in het wetenschappelijk onderwijs is de ‘verengelsing’ al langer zichtbaar. Het afgelopen studiejaar werd meer dan zeventig procent van de masters in het Engels aangeboden. De laatste jaren schakelen ook bacheloropleidingen steeds vaker op het Engels over, al dan niet naast een bestaand programma in het Nederlands. Afgelopen studiejaar was twintig procent van de bachelors volledig Engelstalig.

Voorstanders van de internationalisering roemen de international classroom die met de nieuwe perspectieven van gemotiveerde studenten van over de grens een andere dynamiek meebrengt. Annette Freyberg-Inan is universitair hoofddocent politicologie aan de UvA en een groot voorstander van internationalisering. Het heeft haar baan uitdagender gemaakt en de aanwezigheid van internationale studenten levert inhoudelijk een meerwaarde op. ‘Stel je bespreekt het conflict in Syrië. Als je dat alleen met jongens en meisjes uit Almere doet, heb je een aanzienlijk minder interessante en diepgaande discussie dan als je dat doet met iemand uit Rusland, China, de VS, Turkije’, zegt ze.

De opleiding politicologie voerde dit jaar als eerste bachelor binnen de sociale wetenschappen een dual language program in. Naast de hoorcolleges, die allemaal in het Engels plaatsvinden, krijgen studenten de keuze om werkgroepen in het Engels of in het Nederlands te volgen. ‘We willen geen gesloten instelling worden, waar alleen de transnationale elite zit’, zegt Freyberg-Inan. De vraag is of het oprukkende Engels niet juist dat beeld versterkt.

Heleen Straesser, teamleider Admissions and International Office Social Sciences, lijkt het antwoord op die vraag zelf te hebben. ‘Het is niet zo dat we alleen de internationale markt bedienen, we bedienen ook een stukje Nederlandse markt’, zegt ze. In de aanmeldingen voor de tweetalige bachelor vond ze, veel meer dan in andere jaren, aanmeldingen van Nederlandse studenten met een vooropleiding op internationale scholen. Tot haar tevredenheid verwacht ze voor dit studiejaar na de ingreep een lichte groei voor de bacheloropleiding politicologie.

De opleiding Europese studies aan de UvA voerde vier jaar geleden dezelfde verandering door. Bacheloronderwijs ging naast het Nederlands ook plaatsvinden in het Engels. Opleidingsdirecteur Peter-Wim Zuidhof, die de transitie begeleidde, vertelt dat die werd ingegeven door dalende studentenaantallen. ‘De Universiteit Leiden begon een programma International Studies. Dat was heel duidelijk een concurrent van ons. We merkten het in de studentenaantallen die terugliepen.’ Ook Zuidhof benadrukt de verrijking van discussies en het belang dat de opleiding eraan hechtte dat het Nederlandse programma bleef bestaan, zodat Nederlandse studenten die dat willen hun werkgroepen in het Nederlands kunnen blijven volgen.

‘Je kunt de realiteit in Nederland niet verklaren met kennis over New York en Londen’

Vier jaar later ligt het aantal studenten dat zich voor de Nederlandstalige bachelor Europese studies heeft aangemeld op 65. Het aantal studenten dat kiest voor de Engelstalige variant ligt ruim twee keer zo hoog. Ook veel Nederlandse studenten kiezen voor het Engels. Zuidhof merkt dat studenten iets extra’s in hun studie zoeken. ‘Het Engels is zo’n extraatje. Het Nederlandse onderwijs zat een beetje vast in massale programma’s met weinig gemotiveerde studenten.’ In de steeds competitievere, geglobaliseerde arbeidsmarkt willen ook studenten de boot voor hun mogelijke internationale carrière niet missen.

Dat klinkt allemaal heel pragmatisch, maar planoloog Josse de Voogd, onder meer verbonden aan Tilburg University, stelt dat er ook een meer ideologisch argument achter de toenemende internationalisering schuilgaat. Een stedelijke, kosmopolitische groep presenteert internationalisering vanwege haar (steeds) homogene(re) wereldbeeld als een voldongen feit. Maar door met rasse schreden Engelstalig onderwijs tot norm te maken schiet zij haar doel voorbij, stelt De Voogd.

In zijn vorige baan zag hij het Nederlandse hoofd van zijn afdeling vervangen worden door een Amerikaanse collega. ‘Ze had heel interessante ideeën, maar er verdween ook veel kennis van Nederland uit de opleiding. Je kunt de realiteit in Nederland niet verklaren met kennis over New York en Londen. Als ik dat zie denk ik: het heeft helemaal geen zin om naar het buitenland te gaan, want je hoort toch hetzelfde als thuis. De universiteit wordt zo een internationale zone die er in elk land hetzelfde uitziet’, aldus De Voogd. De huidige trend heeft volgens De Voogd een zelfversterkend effect op zowel de studenten- als de docentenpopulatie. Laatstgenoemden werken steeds vaker op basis van flexcontracten, waardoor universiteiten minder snel geneigd zijn om in hen te investeren als hun Engels niet voldoet. Immers, ze kunnen in de hele wereld docenten werven van wie het Engels wel goed genoeg is. Maar ook studenten die zich minder tot de internationaliseringstrend voelen aangetrokken zullen zich langzaam uitselecteren, verwacht De Voogd.

Zulke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan toenemende maatschappelijke verwijdering en ervoor zorgen dat de planologen (en andere academici) van de toekomst steeds verder losgezongen raken van de realiteit in Nederland, vreest De Voogd. ‘Studenten worden lekker gemaakt met een internationale carrière, maar in de werkelijkheid worden ze gewoon ambtenaar in een middelgrote stad in Nederland. Je leidt mensen op die straks Nederland moeten gaan vormgeven. En als je dan dat land helemaal niet kent als student is dat een probleem.’

Ook classicus en dichter Piet Gerbrandy maakt zich zorgen, al richten die zich met name op de taalproblemen die zich aandienen. ‘Je kunt niet van een eerstejaarsstudent verwachten dat, als hij nog niet eens in het Nederlands kan formuleren op academisch niveau, hij dat wel in het Engels kan. Daar zijn ze gewoon minder in thuis. Sommigen spreken redelijk Engels, maar dat is huis-tuin-en-keuken-Engels. Zodra je met ingewikkelde, subtiele onderwerpen aankomt – en zeker in de wereld van de geesteswetenschappen gaat het daarom – gaat het mis.’

Samen met enkele collega’s schreef Gerbrandy drie jaar geleden een manifest dat zich keerde tegen de ‘verkwanseling van het Nederlands’ aan de universiteiten. Drie jaar later staan krantenpagina’s vol met opiniestukken van voor- en tegenstanders van internationalisering en verengelsing. Gerbrandy is blij met het debat dat is losgekomen. ‘Toen wij dat pamflet schreven, was het zo dat niemand er iets over zei en dat van de ene op de andere dag kon blijken dat je aan een Engelstalige opleiding lesgaf.’

Gerbrandy is niet zonder meer tegenstander van internationalisering. ‘De internationalisering van onderwijs en economie valt niet te ontkennen. Dat hoeft op zichzelf ook geen bezwaar te zijn. Ik ben er een groot voorstander van dat er in onderzoeken en congressen gebruik wordt gemaakt van het Engels. Maar als het om onderwijs gaat moeten inhoudelijke argumenten de doorslag geven.’ Naast een onderscheid tussen onderzoek en onderwijs maken Gerbrandy en De Voogd beiden duidelijk onderscheid tussen verschillende opleidingen. In de exacte wetenschap lijkt de onderwijstaal minder belangrijk dan bij bijvoorbeeld gedrags- of geesteswetenschappen.

Internationalisering van de wereld en ook het onderwijs is inderdaad een gegeven en kan een waardevolle bijdrage leveren aan een academische opleiding. Mits het op de juiste manier wordt georganiseerd. Er zijn tal van manieren om te internationaliseren zonder rücksichtslos op het Engels over te schakelen. Aan de manier waarop universiteiten het nu doen kleven ook duidelijke nadelen. Naast de toenemende maatschappelijke verwijdering, die het moeilijker zal maken voor wetenschappers om hun onderzoek aan een Nederlands publiek te presenteren, lijkt het ook de emancipatoire functie van het onderwijs geen goed te doen.

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw), die door minister Jet Bussemaker werd gevraagd om een verkenning te doen naar het taalbeleid in het hoger onderwijs in Nederland, concludeert dat opleidingen op basis van hun eigen doelstellingen, zoals de kwaliteit van het onderwijs en de voorbereiding op de arbeidsmarkt, een taalkeuze moeten maken. De keuze voor het Engels als onderwijstaal mag zeker geen automatisme zijn, aldus de knaw, die het ministerie oproept de regie te nemen om opleidingen in staat te stellen op basis van de juiste overwegingen keuzes over taalbeleid te maken. ‘Zorg ervoor dat opleidingen in de gelegenheid worden gesteld om keuzes te maken, niet zozeer op basis van financiering en competitie, maar op basis van waar het echt om gaat’, zegt de aan de Universiteit Utrecht verbonden hoogleraar Europees recht Janneke Gerards, die de verkenningscommissie leidde die het rapport schreef.

Waar het echt om gaat is de kwaliteit van het onderwijs. In theorie wil iedereen dat dat de voornaamste reden is op basis waarvan keuzes over taalbeleid worden gemaakt. Ook de minister. In de praktijk is dat echter lang niet altijd het geval. Buitenlandse studenten brengen niet alleen andere perspectieven mee, ze brengen ook geld in het laatje. En dat weegt voor bestuurders die besluiten nemen vaak minstens zo zwaar. Als dat niet verandert is het scenario dat wetenschappers straks losgezongen raken van de Nederlandse werkelijkheid dichterbij dan we denken.