Fotografie: I Know How Furiously Your Heart Is Beating

Het enige verhaal

Na een mystieke ervaring raakte fotograaf Alec Soth zijn camera een jaar lang niet aan. De portretten die hij na die periode maakte zijn nu te zien in Foam in Amsterdam.

Leopold, Warsaw, 2018 © Foto’s Alec Soth / Magnum Photos

Ik zag wat volwassen mannen praten onder elkaar. Ze hadden een stuk in Trouw gelezen – of in ieder geval hadden ze op basis van de kop ‘Is Nederland klaar voor het genderneutrale “Hen loopt”?’ begrepen waarover het ging – en maakten nu grappen over kippen en zeiden dingen als: ‘Houd toch op. En wellicht zuiverder om, als je geen hij of zij mag zeggen, voor het te kiezen’, en: ‘Hullie, zegt mijn vierjarige dochter altijd.’

Op tafel lag een nieuw boek van de Amerikaanse fotograaf Alec Soth (1969): I Know How Furiously Your Heart Is Beating, waaruit op dit moment een grote selectie beelden te zien is in Foam in Amsterdam. Het boek was toevallig opengeslagen bij de elfde foto. Een verstild portret van een androgyne verschijning. Het haar van Keni Anwar, een jonge kunstenaar uit New Orleans, valt vanaf hun hoofd over hun schouders zoals een zwart kleed in een evangelieverfilming van Pasolini vanaf Jezus’ hoofd over zijn schouders valt. Hen draagt een veelheid aan smalle ringen en ook een soort korset. Hun kleren zijn wit en beige. Hun baard is nog wat stoppelig, maar de snor al iets uitgesprokener. Hun wenkbrauwen lijken op bergen in de verte op een Japans schilderijtje en twee oorbellen hangen als kale peertjes naast hun hoofd. Het is, je kunt het niet ontkennen, een prachtig portret. Het beeld is grotendeels leeg maar Keni vult het moeiteloos met hun gracieuze aanwezigheid.

Een pagina eerder: een vrouw die Galina heet op een foto die is gemaakt in Odessa, Oekraïne. Ook dit is een doodeenvoudige compositie. De fotograaf heeft achter haar plaatsgenomen terwijl zij zich neerzette voor een driedelige spiegel op een kaptafeltje. We zien de op haar achterhoofd samengebonden grijze haren en driemaal haar gezicht, telkens met de blik in een iets andere richting. Alsof ze naar zichzelf kijkt terwijl ze naar zichzelf kijkt en ze onderwijl door zichzelf wordt bekeken. Op het kaptafeltje staan vijf foto’s. De drie die niet door haar bovenlichaam en boezem aan het oog worden onttrokken, tonen jongere maar even zorgvuldig opgemaakte incarnaties van dezelfde vrouw. Alsof de blik in de spiegel nog niet genoeg was om het idee op te roepen van een verloren verleden dat ongrijpbaar tussen haar en haar gelijkenis in hangt. Verder is ook dit beeld, op een stapeltje boeken na, leeg. En net zo gemakkelijk als in het geval van Keni wordt er, rond een figuur van wie we nagenoeg niets weten, een grotere wereld opgeroepen.

Wat zijn de terugkerende elementen die de drie dozijn portretten en stillevens de schijn van grote eenheid verlenen? Er zijn vogels en vogelkooitjes, wanordelijke stapels boeken, tatoeages, vensters en vensterbanken. Er zijn bloemen en deurposten en mannen en vrouwen die ontspannen op hun zij gelegen diep in de camera lijken te kijken – alsof ze dwars door de verschillende delen van de lens en de donkere kamer van de technische camera op het grondglas hun eigen portret al kunnen ontwaren en het resultaat op zich laten inwerken.

Soth ontleende de titel van deze reeks aan ‘The Gray Room’, een gedicht van Wallace Stevens. Waarom de regel een beetje op mijn zenuwen werkt begreep ik pas nadat ik het hele gedicht had teruggevonden. ‘I know how furiously your heart is beating’ is een slotregel die, hoewel het gedicht vanaf het grijze en grauwe begin al glinsterende scheurtjes vertoont, aan het einde niettemin als een welkome verrassing komt. Het is een regel die een deur opent waardoor opeens het zonlicht naar binnen kan stromen. Dat effect ontbreekt volledig wanneer het in roze kapitalen op een omslag is afgedrukt. Daar klinkt het simpelweg een beetje melodramatisch.

Wel is duidelijk waarom het gedicht Soth aansprak. Het is niet dat zijn eenvoudige composities net als het gedicht bij nadere bestudering vol leven blijken te zitten. Het heeft eerder te maken met iets waarover de fotograaf inmiddels in interview na interview op nogal zelfbewuste toon heeft verteld: het moment waarop hij ergens in Finland naast een meer, nog uitgeput van een jetlag, tijdens een meditatiesessie plotseling werd overvallen door iets dat hij alleen maar, heel cliché, kan omschrijven als een ‘full-on mystical experience’.

Achter in het boek spreekt hij erover met schrijfster Hanya Yanagihara. Hij vertelt nog maar eens hoe hij plotseling de onderlinge verbondenheid van alles in het universum begreep, hoe alles wat hij tot dan toe had gedaan op de helling kwam te staan, hoe hij een jaar lang zijn camera niet aanraakte. Zijn werk draaide niet om zulke verbondenheid, dacht hij. Hij was er niet altijd op uit geweest de afstand tussen mensen te overbruggen. En toen hij na een jaar zijn camera weer oppakte, besloot hij het allemaal anders te gaan doen. Maar hoe komt het dan dat zijn werk nog zo ontzettend herkenbaar is?

Alec Soth gaat bescheidener te werk, met meer oprechte nieuwsgierigheid

Terwijl je Soth hoort praten over zijn mystieke ervaring besef je dat er ook iets anders speelde. Iets waaruit die ervaring kon ontstaan. Hij is altijd een fotograaf geweest die diep nadacht over zijn eigen werk en iemand die een gewetensvolle invulling heeft proberen te geven aan dat kunstenaarschap. En met het rijzen van zijn ster en zijn steeds grote beheersing van zijn vak lijkt er iets scheef te zijn gegroeid tussen hem en de mensen die hij fotografeerde. Hij wist zoveel meer dan zij. Hij kon zoveel meer van ze gedaan krijgen dan ze uit zichzelf gedaan zouden hebben. Hij kon zich overal naar binnen praten.

De mensen van nergens die hij, heel respectvol, uit hun leven plukte om ze, overdonderend scherp of mooi of schrijnend, te presenteren in poëtische boeken of aan witte museumwanden, die mensen leken in zijn hoofd te zijn gekropen. Waar hij mee worstelde was de machtsongelijkheid tussen de fotograaf en zijn onderwerpen. De foto’s in dit boek zijn visueel niet wezenlijk anders dan zijn eerdere werk, al lijken de geportretteerden, hoe half-anoniem ze hier met alleen een voornaam ook worden gepresenteerd, net iets vaker mensen met een bepaalde staat van dienst. Het grote verschil is onzichtbaar. Het grote verschil is de gewetensnood waarvan de fotograaf zichzelf heeft weten te verlossen door bescheidener te werk te gaan. Genereuzer en met meer oprechte nieuwsgierigheid naar wat er leeft in het hart van een ander.

Het is geen grote strijd, het is een kleine maar noodzakelijke strijd. Een erg persoonlijke worsteling ook, maar wel een die onvermijdelijk publiek is geworden. En als je het hem vaker hoort vertellen, met dezelfde gêne bij dezelfde clichés, begrijp je dat hij slim genoeg is om te beseffen dat ook deze kwetsbaarheid, in de vorm van een onweerstaanbaar en sympathiek narratief, voor hem ook weer als een soort machtsmiddel aanvoelt. Iets waarmee hij het publiek kan bespelen. En je merkt dat ook dat hem weer dwarszit, maar het is het enige verhaal dat hij kan vertellen. Het is niet alsof hij de beelden zoals bij een eerdere serie allemaal langs de Mississippi heeft gemaakt, of allemaal in de buurt van de Niagara-watervallen. Er is geen samenvatting waardoor mensen instinctief direct worden gegrepen, er is alleen die mystieke ervaring waarover hij kan vertellen.

Sonya and Dombrovsky, Odessa, 2018 © Foto’s Alec Soth / Magnum Photos

Het middelste beeld van de reeks, zoals hij in het boek terecht is gekomen tenminste, is een portret van Vince Aletti, een bekende fotocriticus en verzamelaar. Net als de eerdergenoemde Galina is ook hij onscherp in beeld. Zijn wazige gezicht neemt ongeveer een derde van het beeld in beslag en onze blik wordt door Soth gestuurd naar het bureau en de muur erachter, die wel scherp zijn. Daar vinden we een overdaad aan foto’s. Sommige ingelijst aan de muur, andere netjes in cellofaantjes opgestapeld op het bureau. Het zijn kaarten, pasfoto’s uit een ver verleden, mugshots en iets dat een pr-foto van een acteur zou kunnen zijn, maar ook softporno uit de jaren twintig.

Aan de muur hangt een foto die is gemaakt door Peter Hujar. Hij toont de rug van een naakte man, zijn hoofd valt hier buiten het kader maar is op het origineel licht naar voren gebogen. Het is een massief en gaaf lichaam, op één detail na. De titel van de foto van Hujar laat geen twijfel bestaan over de aard van die imperfectie: Manny Vasquez (back with bullet wound). In het gesprek met Yanagihara valt de naam van Hujar ook. Zijn beroemde foto van een man tijdens een orgasme sierde de cover van haar debuutroman A Little Life en Soth vertelt over zijn bewondering voor het werk van de eind jaren tachtig overleden Hujar. Het is vooral de ongelooflijke intimiteit ervan, de wijze waarop zijn beelden liefdevol en teder zijn, maar, zegt hij, ‘ze hebben ook iets innerlijks’.

Op Soths foto van Aletti hangt naast Hujars portret van Manny Vasquez een strookje pasfoto’s. Twee mannen met snorren. De rechter zou wellicht Vasquez kunnen zijn, de linker is zeker Aletti. (De twee waren goed bevriend.) En pas dan zie je dat de man die zo prominent onscherp in beeld is nog altijd een borstelige grijze snor heeft. Je ziet pas een beetje hoe hij eruitziet lang nadat je een eerste blik in zijn hoofd hebt geworpen. Het is een portret, maar gemaakt vanuit een onverwachte hoek. We zien meer van wie hij is, dan van wat hij is.


Alec Soth, I Know How Furiously Your Heart Is Beating*, MACK (2019), € 55. De tentoonstelling in Foam is te bezoeken t/m 6 december