Het epische pissen

Geoff Dyer schreef eigenzinnige boeken over jazz, fotografie en de edele kunst van het nietsdoen. Onlangs verscheen Jeff in Venice, Death in Varanasi, de vierde roman van de meest luie onder de Britse schrijvers.

GEOFF DYER
JEFF IN VENICE, DEATH IN VARANASI
Canongate, 304 blz., £ 12.99

Luiheid en koppigheid, dat zijn de twee belangrijkste deugden die de Britse schrijver Geoff Dyer (1958) ons kan leren, vooral omdat hij er zelf vele jaren voor gestudeerd heeft. Eerst in Oxford, waar hij, zoon van een metaalarbeider, zich met een studiebeurs wijdde aan de Engelse literatuur en de lamlendigheid. Vervolgens in de Londense wijk Brixton, waar hij zich halfweg de jaren tachtig met behulp van een werkloosheidsuitkering – het begrip ‘actieve welvaartsstaat’ moest nog gemunt worden – verder specialiseerde in zijn talenten: klassiekers lezen op het dakterras, hasj roken, vreemdgaan. En schrijven natuurlijk, want om het wonderlijke aquarium van een boek te vullen moet je eerst zeeën van tijd verdoen. En daarvoor is dan weer moed nodig, de deugd die, aangewend voor het (vermeende) eigen welzijn, koppigheid wordt genoemd; eilanders zijn er vaak bijzonder bedreven in.
De jonge Geoff Dyer is gefascineerd door jazz en fotografie, kunstvormen waar je je aan kunt overgeven zonder al te grote inspanningen te doen; door simpelweg, staand of liggend, rokend en drinkend, te luisteren en te kijken. Dyer publiceert eind jaren tachtig een essayboek over John Berger en een roman, maar komt pas werkelijk op dreef in But Beautiful (1991), een reeks biografische fictieverhalen over de groten uit de Amerikaanse jazz. Veertien jaar later verschijnt The Ongoing Moment, een anekdotisch essayboek over de Amerikaanse fotografie, of beter, de fotografie van Amerika. In But Beautiful improviseert Dyer in verhalende vorm op bekende foto’s van muzikanten als Lester Young, Thelonious Monk en Art Pepper. Hij schrijft als het ware nieuwe onderschriften bij die foto’s, soms dertig pagina’s lang. Uit But Beautiful valt veel te leren over jazz, een kunst die volgens Dyer draait om de illusie van spontaniteit. Monk bespeelde de piano alsof hij het instrument voor het eerst van zijn leven aanraakte; zijn handen waren net twee squashspelers die elkaar constant op het verkeerde been probeerden te zetten. Toch is dit soort ‘kennisoverdracht’ niet het oogpunt van het boek, daarvoor had een meer traditioneel essay volstaan – belangrijker is dat door de losse, improviserende werkwijze de ervaring benaderd wordt die musicus en luisteraar bindt in een geslaagd optreden. Hierin, in dit intelligente, maar nooit cerebrale naderen, zeg maar ‘redden’ van de ervaring toont de auteur zich een ware essayist. Tegelijk bewijst hij zich als romancier. Dyer varieert op de anekdotes die er over de muzikanten bekend zijn, en weet zich in te leven in hun bijzondere, zelfdestructieve karakters.
In het leven van jazzspelers als Young, Baker en Pepper speelt de teloorgang van het bestaan zich versneld af. Dat verklaart misschien wel de fascinatie voor hun figuur, die allegorische trekken krijgt in de biografische beschrijving. Denk aan het gezicht van Chet Baker, dat binnen een decennium veranderde van een ‘Shelley van de bebop’ in dat van een oud ‘Indiaans opperhoofd’. De destructie van al deze levens laat Dyer de lezer aan den lijve ondergaan. Bijvoorbeeld in het verhaal van Charles Mingus, wiens scheldkanonnades – ‘You stinking white motherfucker asshole’ – het descriptieve proza van de vertelling doorboren als een shot heroïne een ongeschonden onderarm. Mingus’ woede was legendarisch en zijn vernietigingsdrift ongeëvenaard. Maar toen hij, al in de herfst van zijn leven, in jazzclub de Vanguard een lamp stuksloeg, werd die niet gerepareerd. Een passend monument ter ere van de man die het had gedaan. Dyer concludeert: ‘Hij was een Midas van de destructie; alles wat hij sloopte werd tot een legende.’
In The Ongoing Moment, het boek uit 2005, buigt Dyer zich over de fotografie. Opnieuw probeert hij in zijn manier van schrijven recht te doen aan de eigenheid van het onderwerp. Ditmaal doet hij dat door zijn boek te baseren op een aantal fotoseries die hij zelf samenstelde. Het gaat om series van hetzelfde onderwerp, gemaakt door opeenvolgende fotografen in de Verenigde Staten. Dyer toont zo aan dat hij goed begrepen heeft dat, zoals Walter Benjamin schreef, door de uitvinding van de fotografie onze zin voor het gelijkaardige zo gegroeid is dat we het zelfs, met behulp van de reproductie, aan het eenmalige ontlenen. Benjamins beschrijving luidde indertijd – jaren dertig – de geboorte van de seriematige waarneming in. De oorzaak dat wij, beeldbuiskinderen, vandaag geen sportschoen, slaapbank of billenpaar meer kunnen zien zonder ze in een (evaluatieve) reeks te plaatsen, waarmee de eigenheid van de objecten wordt ontmanteld.
Dyer op zijn beurt past het principe opnieuw toe, maar ditmaal op de canon van de fotografie zelf. Hierdoor wordt duidelijk dat geen enkele fotograaf een werkelijk unieke blik op de wereld heeft. Zijn of haar manier van kijken blijkt altijd beïnvloed door de voorgangers; vandaar dat oxymoron als titel. Anderzijds blijkt het wel degelijk mogelijk om de traditie te verleggen, vaak geholpen door de techniek. Zo werd de kleurenfotografie, die al beschikbaar was in de jaren zestig, pas echt toegepast vanaf de jaren zeventig. Net als in But Beautiful heeft Dyer in The Ongoing Moment een fijne neus voor revelerende anekdotes, die hij serveert met een fijnzinnige dosis humor. Als hij over de aantrekkelijke en seksueel erg actieve Edward Weston bewonderend opmerkt dat hij, zoals de Amerikanen zeggen, meer ‘ass’ te verwerken kreeg dan een toiletbril, bespreekt hij daarna doodleuk de foto’s van toiletpotten die Weston ook op zijn naam heeft staan.
Tussen But Beautiful en The Ongoing Moment publiceerde Dyer twee romans, een collectie journalistiek proza, een bundel verhalen, een boek over de slag bij de Somme en een boek over D.H. Lawrence. Een ongeloofwaardig productieve output voor een zelfverklaarde uitvreter. De auteur heeft één excuus: al die boeken handelen over reizen of kwamen tijdens een verblijf in het buitenland tot stand. Met andere woorden: de auteur hoefde niet te stoppen met nietsdoen terwijl hij aan zijn oeuvre werkte. Ook de meest banale tafeltennismarathon in een Thais hostel kan onderwerp zijn voor een bespiegelende beschrijving, zoals het hilarische reisboek Yoga for People Who Can’t Be Bothered to Do It laat zien. Een boek dat zich het best laat consumeren in soevereine ledigheid. ’s Middags in het café bijvoorbeeld, nadat je je eerder op de dag met verdraaide stem en opzichtig kuchend ziek hebt gemeld voor het werk. Dyers boeken verdragen niet alleen geroezemoes op de achtergrond, ze lijken daar zelfs om te vragen.
Out of Sheer Rage (1997) heet Dyers verslag van zijn pogingen om een studie te schrijven over D.H. Lawrence. De auteur woont bij aanvang nog in Parijs, in onderhuur, en ergert zich rot aan de dure stad, waar hij amper vrienden heeft en de taal nauwelijks spreekt. Hij wil verhuizen, maar weet niet goed waar naartoe, en besluit vervolgens, als hij de kans krijgt zijn appartement als hoofdhuurder over te nemen, in Parijs te blijven, vooral omdat de makelaar in eerste instantie niet van plan lijkt dit appartement aan hem, een driftige Engelsman zonder vast inkomen, te verhuren. Niet lang na deze keuze besluit hij echter alsnog zijn huur op te zeggen en te verhuizen, herroept dat besluit weer per omgaande, herroept vervolgens ook dat besluit en wordt ten slotte gedwongen te verhuizen – naar Rome, waar zijn vriendin woont – als de makelaar hem niet toestaat dat besluit nogmaals te herroepen. En daarmee kan de queeste beginnen die Dyer langs de plaatsen voert waar Lawrence een groot deel van zijn oeuvre bij elkaar schreef, naar Taormina in Sicilië, naar het Engelse Eastwood, naar het Mexicaanse Oaxaca en ten slotte naar Taos in New Mexico. De meeste tijd die Dyer doorbrengt on the road gaat verloren aan lamlendig rondhangen en twijfels aan de zin van het hele project. En waar hij daadwerkelijk interessante bevindingen zou kunnen doen, bijvoorbeeld wanneer hij op een avond een hoogbejaarde Siciliaanse vrouw ontmoet die als meisje nog de post bezorgde aan Lawrence, onderneemt hij geen actie. Ja, behalve dat hij ‘buongiorno’ tegen haar zegt, terwijl dat, beseft hij later, ‘buonasera’ had moeten zijn. Op zoek naar de auteur D.H. Lawrence komt de schrijver Geoff Dyer zo vooral op het spoor van Geoff Dyer zelf, een driftige Brit die zegt zichzelf niet te kunnen accepteren zoals hij is, maar zijn best wil doen om in die weigering te berusten. In plaats van een biografie blijkt hij ‘gewerkt’ te hebben aan een autobiografie, en dan nog wel eentje van het eigen zeuren en zeiken. Dat mag voor een meer serieuze lezer irrelevant lijken, maar Dyer kruipt ondertussen wel mooi in de huid van D.H. Lawrence, de auteur die als geen ander kon schelden op de landen die hij bezocht, de neurasthenicus die, in al zijn prikkelbaarheid en woede, in de eerste plaats een gevecht voerde met zichzelf. ‘Method criticism’ noemt Dyer de biografische vorm die hij in Out of Sheer Rage heeft uitgevonden. Om er meteen geërgerd aan toe te voegen dat ze hem langzamerhand gaat vervelen.
Dit jaar bracht Geoff Dyer, na een publicatiepauze van vier jaar, Jeff in Venice, Death in Varanasi uit. ‘Novel’, staat in tienpuntsletters op de kaft gedrukt, alsof de uitgever zich alvast wilde verontschuldigen voor het feit dat het eigenlijk een tweevoudige novella betreft. Het eerste verhaal handelt over Jeff, een freelance kunstjournalist die de Biënnale van Venetië bezoekt, daar de liefde van zijn leven ontmoet en na vier dagen te hebben verbleven in het romantische paradijs – bij tieners heet dat: vakantieliefde – verweesd achterblijft. Het tweede deel speelt zich af in het Indiase heiligdom Varanasi (Benares). Hoofdpersoon is een naamloze Britse man, die net als de genoemde Jeff veel weg heeft van de auteur Geoff. Dit tweede verhaal heeft de structuur en het tempo van een reisverslag. Ergernissen voeren de boventoon. Woedend is de verteller als hij ervaart dat de heilige oeverplaatsen langs de rivier tevens dienen als publiek toilet voor de lokale bevolking. Verontwaardigd overweegt hij op een van de ‘I Love My India’-borden te schrijven: ‘If you love it so much, then don’t shit all over it.’
Als protest weet hij niet meer te ondernemen dan zelf ook maar in de Ganges te urineren (Dyer: ‘That’s right: I pissed in the Ganges’). Kwaad merkt hij op dat niemand er iets van zegt. En dat terwijl het toch van dat ‘epische pissen’ was, wanneer er maar geen eind aan de straal lijkt te komen. Als hij een paar dagen later in de rij voor de geldautomaat voorbij dreigt te worden gelopen door een Indiase familievader komt zijn temperament tot ontploffing. Al zijn ‘Engelse woede’ spuit eruit, het product, zo schrijft Dyer, van ‘verregende zomers, vertraagde treinen en verliezen bij de penalty’s op het WK voetbal’. (Motivaction-medewerker: zie hier uw profiel van de PVV-stemmer.) Over mijn lijk, besluit hij, en de Brit maakt de Indiër duidelijk dat die weliswaar voor kan dringen, maar dan wel ten koste van minstens een paar gezonde ledematen.
Met deze driftuitbarsting besluit het boek niet. Als roman heeft het nog behoefte aan een afgerond Einde. Dus verzint de auteur dat de hoofdpersoon als haveloze heilige achterblijft in Varanasi. Elders, in Out of Sheer Rage, verwerpt Dyer een dergelijke ‘romantisatie’ juist en zegt te verlangen naar minder afgeronde vertelvormen. Schrijvers zouden vaker de dwangbuis van de roman moeten afleggen. Wil dat zeggen dat de essayist Geoff Dyer het schrijven van romans beter maar definitief zou opgeven? Het antwoord doet er niet toe. Deze koppige vijftiger is kinderachtig genoeg om zijn eigen gang te blijven gaan. In The Guardian vertelde Dyer dat zijn uitgevers hem in het verleden wel eens bezorgd gevraagd hebben wat hij nu weer van plan was te gaan schrijven. Zijn antwoord had steevast geluid: ‘Whatever the fuck I want.’

But Beautiful werd in 1997 in een Nederlandse vertaling uitgegeven bij de Wereldbibliotheek. De andere titels van Dyer zijn alleen in het Engels beschikbaar.