Het ergste

Ray Loriga, een gave Spanjaard uit 1967, had de pech te debuteren midden in de Nix-golf. Hij publiceerde fragmenten uit zijn eerste roman in het tijdschrift Zoetermeer, dat door de kritiek botweg en kortzichtig werd gezien als een ‘podium voor Nix-auteurs’. Loriga zat bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, en hij schreef boeken die leken op wat men voor Nix-proza hield.

Hij kwam uit de underground; maakte altijd blaadjes met vrienden, die vroeg doodgingen. Kunstenaars en schrijvers. Tijdschriften op elpee-formaat, en vol liefde en dood. En stierengevechten. Want hij bleef een Spanjaard.
Zijn uiterlijk droeg nog bij aan zijn status als eerste buitenlandse Nix-held: lang donker haar, zesentwintig oorbellen en ringen. Tatoeages, slangeleren laarzen en motorjack. Hij leek een Hell’s Angel.
Een held is hij wel. Ray Loriga is een zachtmoedig, gevoelig mens. Hij schrijft proza dat je doet rugrillen, zo mooi. Kaal. Absoluut kaal. Met een amechtige hang naar het zwijgen, de stilte, net als bij Beckett. Down to earth. Down and out, soms.
Het ergste van alles, Loriga’s debuut, is een lange, bijna mompelende monoloog van een jongeman die leeft in een tijd die hij ervaart als een era van leegte en zinloosheid. Niet dat hij zich verveelt, integendeel. Het gaat erom dat hij geen hoger doel voor zichzelf kan vinden. Geen zin aan zijn bestaan kan geven. Wat hij om zich heen ziet, is een samenleving die uiterlijk boven menselijkheid stelt, die schijn prefereert boven wezen, die de leugen wil en niet, nooit, de waarheid.
Ronddwalend in zijn eigen hoofd vertelt hij de verhalen van zijn leven. Over zijn lsd-trips. Over zijn werk in een hamburgertent. Over zijn liefde voor T. Over zijn platonische vriendschap met David Bowie. Met Lou Reed. Over zijn broertje, van wie hij onmogelijk veel houdt. Over alles. En het ergste daarvan.
‘Het ergste van alles zijn niet de verloren uren, en ook niet de tijd die je nog voor je en die je al achter je hebt, het ergste zijn die afschuwelijke crucifixen gemaakt van wasknijpers.’
Gelukkig was de ik-figuur vroeger niet de dikzak van de klas. 'Als ik de dikzak van de klas was geweest, zou ik nu opgesloten hebben gezeten in een supermarkt en met een afgezaagd jachtgeweer op alle moeders en hun kinderen en op het personeel hebben geschoten zonder ook maar met iemand medelijden te hebben.’