Ressentiment tegen de journalistiek

Het ernstigste verwijt

Het bord aan het hek van het mediapark in Hilversum doet pijn: ‘De media hebben Pim Fortuyn vermoord.’ De media? De radio en televisie? De kranten? De journalisten? Ik? De journalistiek staat onder druk. Net als de politiek gek genoeg, want dat staat op een ander bord: ‘Nou goed, Paul R.?’ De politiek heeft zich verwijderd van de ware problemen in het land, men weet niet meer werkelijk wat er leeft; in dat klimaat kon Pim Fortuyn gedijen, luidt menige analyse in de krant.

Als de media zo onder druk staan – van dezelfde mensen die gedijen in het klimaat van Pim Fortuyn – zou je kunnen stellen dat die ook niet meer weten wat er werkelijk leeft. Een erger verwijt kun je de media en met name de journalistiek niet maken. Daar gaat het hier dan ook over. Over het ernstigste verwijt.

In het Srebrenica-rapport kreeg de journalistiek ook al op zijn donder. In de epiloog van Sre brenica en de journalistiek: Een onderzoek naar opvattingen en werkwijze van Nederlandse journalisten door Jan Wieten staan vele regels waar je als journalist toch het schaamrood van op de kaken krijgt: ‘Voor kritische reflectie is als gevolg van de lange-termijn ontwikkeling in de media toch al weinig plaats. Het overgrote deel van de nieuwsproductie is routinematig en vertoont maar weinig overeenkomsten met het ideaalbeeld van het werk van de onthullingsjournalistiek.’ Er wordt verder gesproken over ‘eenzijdige reflectie’ en ‘vriendendiensten’.

De politici vinden de journalistiek eveneens lastig. Je kon dat mooi zien aan de woedende Jan Pronk die voor het oog van de camera de paradox waarin hij zich gevangen voelde als volgt formuleerde: ‘Dan weer deug ik niet omdat ik niks zeg, en dan is het weer niet goed omdat ik te veel zeg.’ Van Aartsen klaagde zelfs in de Tweede Kamer over ‘de druk’ die de media op hem leggen. ‘Daardoor beïnvloedt de journalistiek bepaalde politieke processen negatief.’

De pers – terecht of niet – krijgt van alles de schuld. Over het Srebrenica-drama oordeelde Pieter Broertjes, als voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren: ‘Het drama is niet alleen voor de politiek, maar ook voor de journalistiek een trauma geworden.’ Trauma. Wij journalisten hebben een trauma.

Jan Tromp van de Volkskrant is het bord aan de hekken van het mediapark ook opgevallen. ‘Dat bord is onzin. De media zouden hun taak ernstig verwaarlozen als ze niet zouden moraliseren. En we moeten zeker moraliseren wanneer iemand zegt dat een bepaalde cultuur achterlijk is en dat de aanhangers daarvan niet meer mogen worden toegelaten. Dat is prikkelend, maar vereist een weerwoord. En als ik een bord zie bij de stille tocht waarop staat “Wouke en Wim, hebben jullie nou je zin”, dan maakt dat duidelijk dat er een enorm ressentiment is tegen de journalistiek. Het is niet alleen fysiek bedreigend, het is zeer geladen en zeer emotioneel, en je kunt dan niet doen of er niets aan de hand is. Inhoudelijk is het dus onzin, maar als signaal van een bepaalde mentale gesteldheid is het een groot probleem.’

Ressentiment tegen de journalistiek. Dat blijkt ook uit de hate mail die we bij De Groene Amsterdammer hebben gekregen. (‘Ik vind jullie medeschuldig aan de moord op Pim Fortuyn.’)

Wat is hier eigenlijk vreemd aan? De pers heeft vaak van alles de schuld gekregen. Er zijn juist kranten opgericht omdat ze de berichtgeving van een ander medium slecht of onvolledig vonden. Op de lijst van de meest gewaardeerde beroepen wed ijvert de journalist altijd om de laatste plek met de politicus. Journalistiek is vaak niet veel anders dan ruziemaken.

Maar wat na de oorlog nooit eerder is gebeurd, is dat de ‘linkse pers’ en de ‘linkse media’ – de aanhalingstekens zijn echt noodzakelijk – moord in de schoenen geschoven krijgen, door ‘het volk’. Dat is onterecht, want hoewel de ‘linkse pers’ (die volgens mij niet eens meer bestaat) zeer kritisch stond ten aanzien van Fortuyn, was het De Telegraaf,die we toch echt niet links kunnen noemen, die aanvankelijk zeer gekant was tegen de komst van Pim Fortuyn. Dat vond zelfs Fortuyn, die op een gegeven moment niets meer met de krant te maken wilde hebben en van mening was dat de krant ‘een hetze’ tegen hem voerde. Er werd zelfs ten onrechte gesuggereerd dat De Telegraaf een ‘dossier’ zou hebben klaarliggen over het persoonlijke liefdes leven van Pim. Een maand geleden pas draaide De Telegraaf bij – niet eens om – en werd Pim op het strand geïnterviewd. Het was duidelijk een poging om de verstoorde verhoudingen te herstellen. ‘Wij zijn nu eenmaal een krant die volgt wat de meerderheid van het volk wil’, antwoordde de krant eerlijk op de vraag naar een verklaring voor de plotselinge wending. De krant had zich duidelijk verkeken op de invloed die Pim Fortuyn uit oefende.

De journalistiek is de laatste jaren beduidend beter geworden. De opleidingen zijn beter en kijk eens naar de televisie en de radio. Ik noem wat namen: Witteman, Trip, Van Scherrenburg, Mingelen. Bij de radio Clairy Polak, misschien wel een van de beste ‘ondervragers’ van Nederland. Ze zijn niet meer uit de tijd van Wibo van der Linde, die iedere keer als hij twee uur in de vrieskou op een minister had staan wachten, vroeg: ‘Excellentie, neemt u me niet kwalijk, maar komt het uit als ik u iets vraag?’

‘Nu niet, mijnheer Van der Linde, nu niet. Wij moeten een land besturen.’

‘Zeker, excellentie.’

De gesprekken zijn harder, feller, kritischer. Er wordt meer onthuld dan vroeger – er is dan ook meer aan de hand. Voor wie doet de journalist dat? Hij doet dat voor de mensen die niet mondig zijn, die het niet kunnen vragen, uitzoeken en melden. Hij doet dat voor alle mensen en uit naam van het publiek. Voor de mensen die hem nu in de steek laten, en dat veroorzaakt het trauma.

Journalistieke kritiek op Fortuyn werd gezien als een aanval, hoezeer Fortuyn zelf ook genoot van een stevig debat. Heeft ‘men’ helemaal ongelijk? Ach, men ziet dat Paul Witteman weliswaar ‘u’ zegt tegen de minister en dat hij hem kritisch interviewt, maar men hoort hem soms ook ‘je’ zeggen en men leest ook dat Witteman voor grof geld met wat extra journalistieke activiteiten zijn zakken vult. Datzelfde geldt voor de kritische Marcel van Dam. Niets ten nadele van zijn kwaliteit. Het gaat om de indruk. Elke dag kan men genieten van een uiterst alerte en scherpe Wouke van Scherrenburg, iemand die niet over zich laat lopen, maar die zit al zo in het Haagse dat ze hetzelfde jargon spreekt en het buiten beeld heeft over ‘Annemarie’, ‘Wim’ en ‘Frank’. Niet erg allemaal, eerder iets om de spot mee te drijven dan te verbieden, maar toch.

Wij, de media, zijn geen moordenaars. We zouden eerder nog kritischer moeten zijn, en zelfs nog grover dan nu. Maar, om met de voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren te spreken: ‘Het zou de media sieren als zij de komende tijd hun eigen rol aan een openlijke en kritische zelfreflectie onderwerpen.’ Anders blijft dat ernstigste verwijt hangen.