Kanttekeningen bij de bloemlezing van Joost Zwagerman

HET ESSAY ALS LITERAIRE VRIJPLAATS

Natuurlijk missen er schrijvers, en konden andere best gemist worden. Over genrecriteria kan men, zoals altijd, twisten. Maar ondanks alles heeft Joost Zwagerman een onmisbare bloemlezing van essays uit de Nederlandstalige literatuur afgeleverd.

Van alle literaire genres laat het essay zich het moeilijkst afbakenen. Dat is geen gewaagde uitspraak, zowat iedereen die iets steekhoudends over het essay te berde brengt begint met de vaststelling van zijn ondefinieerbaarheid. Een beschouwend stuk proza in het grensgebied van literatuur en filosofie over een cultureel thema, persoonlijk, origineel, met een lengte van drie- of vijf- of achtduizend woorden – veel preciezer durft niemand te zijn.
Dus is het allerminst verrassend dat ook Joost Zwagerman zijn bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays met omtrekkende bewegingen van dit type inleidt. Uiteindelijk blijft er van een exclusieve definitie bij hem zelfs niets meer over. ‘In een essay kan het allemaal bij elkaar komen: poëzie, experiment, taalspel, fictie, betoog, polemiek, studie, memoires, parodie – echt alles. In die zin is het essay (…) misschien inderdaad “de moeder aller genres”.’ Die ongrijpbaarheid moet zijn taak tot een heidens karwei hebben gemaakt. Want waar te zoeken als het essay elke denkbare vermomming kan aannemen?
Zwagerman had met twee extra moeilijkheden te kampen. Allereerst moest hij pionierswerk verrichten. Er is in Nederland bij mijn weten althans nooit eerder een poging gedaan een bloemlezing van dit type te maken. Bovendien streefde hij naar veelzijdigheid. Het boek moest niet alleen een representatief beeld geven van de beste essayisten, hij wilde ook zo veel mogelijk verschillende onderwerpen aan bod laten komen. Dat er nu een boek ligt waarin die moeilijkheden alleszins verdienstelijk zijn opgelost, mag een bewonderenswaardige prestatie worden genoemd.
De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays is het derde en afsluitende deel van een opmerkelijke trilogie. Eerder verschenen soortgelijke bloemlezingen met respectievelijk 250 korte en zestig lange verhalen. Net als beide voorgangers telt de nieuwe bloemlezing vijftienhonderd bladzijden. Dat is veel, erg veel, zeker als men bedenkt dat die bladzijden zo dichtbedrukt zijn dat ze dubbel zo veel tekst bevatten als een gemiddelde pagina.
Toch merk je aan alles dat de bloemlezer met spijt in het hart nog op talloze plaatsen heeft moeten bezuinigen. Het boek had met gemak twee of drie maal zo dik kunnen zijn, zonder kwaliteitsinflatie. Het niveau waarop het essay hier beoefend wordt lijkt omgekeerd evenredig met de populariteit ervan. Lezers die het links hebben laten liggen – uit vrees voor saaiheid, moeilijkheid of een te hoge graad van specialisatie – krijgen nu dus ruimschoots de gelegenheid hun vooroordeel bij te stellen. Dit boek bewijst dat het betere essay, vrijgevochten als het is, academische geheimtaal en omslachtigheid mijdt en daardoor in potentie iedere geïnteresseerde lezer iets te zeggen heeft.

De titel geeft het al aan: het boek begint in 1880. Dat is jammer, beseft ook Zwagerman terdege. Want dat betekent dat Multatuli – met wie de moderne Nederlandse literatuur begint, en wel met een dreun waarvan de echo’s tot op de dag van vandaag in andermans werk naklinken – net buiten de boot valt: het zevende en laatste deel van de Ideën is van 1877. Zwagerman houdt vast aan 1880 uitsluitend omdat beide vorige delen daar ook beginnen. Maar waarom per se zo consequent? Wie of wat bewijst hij daarmee een dienst? Het is alsof je de geschiedenis van het essay begint in 1600, acht jaar na de dood van Montaigne, jammer, maar niets aan te doen, onze Gouden Eeuw begint nu eenmaal in 1600. Dat hij wel een essay over Multatuli heeft opgenomen (van Gomperts: Multatuli contra Thorbecke) is een schrale troost.
Maar indirect is Multatuli nog op een andere manier aanwezig. De diversiteit van de bloemlezing ziet Zwagerman als een uitgewerkte variant van het beroemde Pak van Sjaalman uit Max Havelaar – nadat De Gids die uitwerking overigens al eens (in 1984) letterlijk had aangepakt – en daarmee als indirect eerbewijs aan de man die zoveel domheid, onverschilligheid, gemakzucht, lafheid en onrecht om zich heen zag dat hij handen te kort kwam om de types die daarvoor verantwoordelijk waren allemaal aan te pakken, en zich dus noodgedwongen tot antispecialist ontwikkelde. Zwagermans niet eens volledige opsomming van in de bloemlezing aangesneden onderwerpen heeft inderdaad iets duizelingwekkends.

Conrad Busken Huet bleek de eerste auteur die de strenge limiet van 1880 haalde, met de hakken over de sloot. Dus opent hij het boek met een fragment uit Het land van Rembrandt. Uit de Verantwoording achterin blijkt dat het om een hertaling gaat, niet waarom het origineel is gepasseerd en evenmin uit welk jaar dat origineel stamt. Ook bij de andere gebloemleesde teksten zoek je tevergeefs naar het jaar van de eerste publicatie. Dat had allemaal wel wat uitvoeriger gemogen.
Het is kenmerkend voor vrijwel alle bloemlezingen dat de eigen tijd erin oververtegenwoordigd is. Dat is logisch, met betrekking tot het verleden heeft ‘de geschiedenis’, via welke bedenkelijke mechanismen en hoe onrechtvaardig dan ook, haar werk gedaan en het vermeende kaf van het koren gescheiden. Zo ook in dit geval. Niet minder dan 37 van de gebloemleesde auteurs zijn geboren in de jaren veertig van de vorige eeuw, 34 in de jaren vijftig; maar slechts drie, te weten Maurice Gilliams, Menno ter Braak en Anton van Duinkerken, tussen 1900 en 1910.
Misschien mag je van een poëziebloemlezer nog verwachten dat hij de gevestigde hiërarchie eens stevig door elkaar schudt, zoals Gerrit Komrij destijds gedaan heeft, voor een bloemlezer van verhalen en essays die niet van plan is daar zijn levenswerk van te maken is dat bijna onbegonnen werk. Dus opent de pil van Zwagerman met vrijwel uitsluitend klassieke, gecanoniseerde teksten, in veel gevallen noodgedwongen met fragmenten. Dat is voor de neerlandicus en de historicus misschien niet erg spannend, voor ieder ander moet het een weldaad zijn, aangezien de meeste originelen niet of uitsluitend antiquarisch te krijgen zijn.
Ik noem een aantal titels in het kielzog van Busken Huet. Over mensenkennis door Allard Pierson. Pathologie in de literatuur door Marcellus Emants. Indrukken van een Belg in Nederland door Cyriel Buysse. Inleiding tot Gedichten van Jacques Perk door Willem Kloos. Ons dubbel-ik door Frederik van Eeden. Over literatuur door Lodewijk van Deyssel. Kritiek op de Beweging van Tachtig door Herman Gorter. Kunst en idee door Albert Verwey. Nederlands geestesmerk door Johan Huizinga. Het wezen van de romantiek door August Vermeylen. Hedendaags fetisjisme door Carry van Bruggen. De vitaliteit van de westerse beschaving door Pieter Geyl.
Zoals uit deze opsomming ten overvloede blijkt heeft Zwagerman er gelukkig voor gekozen Nederlandse én Vlaamse auteurs op te nemen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het sinds Ton Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 (1990) niet meer. In dat boek werd niet alleen het essay buitenspel gezet, met alle onverteerbare gevolgen van dien, maar ook de complete Vlaamse literatuur. Tot dat gênante staaltje wetenschappelijke grachtengordelblindheid kon de auteur vermoedelijk alleen maar in staat zijn omdat hij zich gedekt wist door een reële stand van zaken: tussen Nederland en België loopt nog altijd een culturele grens van jewelste, speciaal het intellectuele en artistieke grensverkeer van Zuid naar Noord verloopt onverminderd moeizaam.
Het pleit dus voor Zwagerman dat hij geprobeerd heeft op dat punt iets recht te zetten. Mede dankzij gesprekken met Vlaamse letterkundigen bevat zijn bloemlezing niet alleen werk van erkende auteurs als Paul van Ostaijen, Paul de Wispelaere, Geert van Istendael, Paul Claes, Patricia de Martelaere en Stefan Hertmans, maar ook van auteurs die hier, ten onrechte, niet, nauwelijks, of alleen bij geruchte bekend zijn. Ik noem Daniël Robberechts, Bernard Dewulf, Geert Buelens en – wat mij betreft de aangenaamste verrassing – Dirk Lauwaert. Lauwaert is een essayist pur sang, onvooringenomen, tastend, geconcentreerd, exact, met veel kennis van zaken, zijn ‘artikels’ over beeldende kunst en vooral zijn boeken over fotografie en film zijn in Nederland zonder weerga.
Overigens zijn de Vlamingen ook in deze bloemlezing nog altijd behoorlijk ondervertegenwoordigd. En dat kan niet te maken hebben met een gebrek aan kwaliteit. Het mandarijnenproza van Dirk van Bastelaere had ik goed kunnen missen (vergelijk het met het essay van Ilja Leonard Pfeijffer die ongeveer dezelfde zaak verdedigt, die van de experimentele poëzie, en het verschil tussen humbug en scherpzinnigheid is onmiddellijk duidelijk), daarentegen zouden auteurs als Eric de Kuyper, Leen Huet en Luc Devoldere zonder meer een verrijking hebben betekend.
De Kuyper is hier vooral bekend als romancier, maar hij schreef ook fijnzinnige essays over opera, film, dans en literatuur. Van Huet, kunsthistorica en filosofe, zou ik graag een van haar fijn geslepen miniaturen uit de roman Almanak of het encyclopedische non-fictieboek Mijn België hebben gezien. Van de classicus Devoldere zou een fragment uit een van zijn vier excellente essayboeken, vooral over Italië, een aanwinst hebben betekend. Deze auteurs zouden ook iets kunnen laten zien van een verschil in toon en methode tussen een groot deel van de Nederlandse en de Vlaamse essayistiek: de Vlaamse is eerder omzichtig, open en objectief, de Nederlandse polemisch, brutaal en subjectief.

Natuurlijk, het is niet anders, Zwagerman heeft moeten woekeren met de ruimte. En dus heeft hij onaangename keuzes moeten maken. Zo heeft hij, ook om redenen van toegankelijkheid, specialistische essays uit de hoek van de neerlandistiek en de literatuurwetenschap erbuiten gelaten. Verdedigbaar, maar jammer. Want juist in de beperking van een close reading van één gedicht, één roman of één oeuvre bewijst een essayist, speculatief maar controleerbaar, zijn meesterschap. En naast alle letterkundigen die veiligheidshalve zijn uitgeweken naar de biografie en de brievenverzameling zijn ze er nog genoeg, die gewiekste interpreten met lef die een schijnbaar hermetische tekst voor het verbaasde oog van de lezer openbreken.
Maar goed, hier ontbreken ze dus, J.J. Oversteegen, Rein Bloem, Leo Geerts, Jacques Kruithof, Tom van Deel, Maarten van Buuren, Bart Vervaeck, Hans Groenewegen en diverse anderen. Wat niet wegneemt dat er nog flink wat stukken over literatuur in dit boek staan. Naast de eerder genoemde wijs ik op belangrijke essays van Kees Fens (De eigenzinnigheid van de literatuur), W.F. Hermans (Experimentele romans, Antipathieke romanpersonages) en Jacq Vogelaar (Schrijven voor de vorm).
Hoewel het essay volgens Zwagerman ‘echt alles’ kan zijn, maakt hij toch, en zonder uitleg, een uitzondering voor het reisverhaal, zij het alleen om Cees Nooteboom binnen te halen. Daarmee valt te leven, al blijft het onduidelijk waarom Adriaan van Dis, Lieve Joris en Jan Brokken dan de toegang ontzegd blijft. Ook de column bakent hij af van het essay, weer met één uitzondering: Renate Rubinstein, die ‘essays in pilvorm’ schrijft. Akkoord, maar geldt dat niet evengoed voor talloze stukjes van Henk Hofland, Cornelis Verhoeven, Kees Fens, Ger Groot, Elmer Schönberger en Marjolijn Februari (in dit boek overigens allemaal vertegenwoordigd)?
Mij lijkt dat Zwagerman te weinig oog heeft voor een aantal eigenschappen die de essayist vanuit historisch perspectief, onder verwijzing naar Montaigne, Erasmus, Montesquieu, Machiavelli en Hume, kunnen worden toegedicht: een nieuwsgierige, onvooringenomen onderzoekshouding, een meerperspectivische benadering en argumentatie, inclusief de wil het ‘object’ van onderzoek van zo veel mogelijk kanten, intensief en extensief, te belichten. Die essayistische houding, die natuurlijk ook buiten de literatuur kan worden aangetroffen, is essentiëler dan welke formele genrecriteria dan ook. Zo bezien kan heel wat kort literair proza dat wij geneigd zijn essayistisch te noemen met meer recht tot de columnistiek worden gerekend – een waardeoordeel is daarmee overigens niet uitgesproken.
Neem Elite van Rudy Kousbroek, het openingsstukje van zijn derde bundel Anathema’s en ook present in deze bloemlezing. Daarin steekt de auteur zijn afkeer van sport, en vooral van alle vrome, Olympische woorden over sportiviteit, niet onder stoelen of banken. Het is een oergeestig stukje, Kousbroek sublimeert zijn aversie in hilarische observaties en dodelijke hyperbolen. Maar het is een column, een filippica, een schotschrift, een groteske voor mijn part, een geseculariseerde vervloeking (de auteur geeft het met de titel van deze en verschillende andere bundels zelf aan), het is geen essay. Niet eens zozeer vanwege de geringe lengte, maar omdat het vanuit een nadrukkelijk parti-pris is geschreven. Dat geldt overigens ook voor een groot deel van de – veel serieuzere – essays van Kousbroek waarin hij ten strijde trekt tegen de godsdienst, de alfacultuur of de postmoderne filosofie.
Misschien hangt de betrekkelijk stiefmoederlijke behandeling van het contemporaine politieke en filosofische essay in deze bloemlezing daarmee samen. Dat essay is doorgaans bedachtzamer, eerder gericht op een behoorlijke argumentatie dan op retorische hoogstandjes, en daarom voor de lezer die ook en vooral van verbaal vuurwerk wil genieten minder aantrekkelijk. Ik mis in dit boek de stemmen van Bart Tromp, J.A.A. van Doorn, Ton Lemaire, Leo Apostel, Hellema (De woede van de wind, door wie ooit opgemerkt?), Ian Buruma, Dick Pels, René Boomkens. Het had, al met al, een tikkeltje avontuurlijker gemogen, wat minder gericht op de bekende, gecanoniseerde namen. Maar dat neemt niet weg dat De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays voor elke ontwikkelde burger, en iedereen die dat wil worden, een onmisbaar boek is. We zijn Joost Zwagerman dank verschuldigd.