Het ethische dier

De filosoof Peter Singer baarde enige jaren geleden opzien met zijn boek ‘Animal Liberation’, een vurig pleidooi voor de rechten van dieren. Veel dierenbevrijders schrikken echter terug voor zijn ruimhartige ideeen over euthanasie. Hoe denkt Singer het een met het ander te rijmen?
Vertaling: Tinke Davids
BONN - De strijd van de Australische bio-ethicus Peter Singer voor de rechten van dieren bezorgde hem wereldwijde populariteit. Maar in Duitsland is hij fel omstreden geraakt wegens zijn opstelling inzake euthanasie. Volgens Singer is er moreel gezien niets op tegen zwaar gehandicapte baby’s na de geboorte te doden.

Zijn Duitse critici identificeren Singers opstelling met de uitroeiingspolitiek van de nationaal-socialisten. Sinds 1989 hebben ze telkens weer weten te verhinderen dat Peter Singer zijn denkbeelden aan een Duits publiek presenteerde. Onlangs zou hij spreken op het congres Science/Fiction: Fundamentalisme en willekeur in wetenschap en therapie, georganiseerd door het Heidelberger Institut fur Systemische Forschung. Na verontwaardigde protesten en verschillende bedreigingen zagen de organisatoren zich echter gedwongen de uitnodiging in te trekken. Bij het begin van het congres betoogden desalniettemin zo'n tweehonderd demonstranten, onder wie gehandicapten en antifascisten, tegen de oorspronkelijke invitatie van Singer, waarbij ze de congresdeelnemers uitscholden voor moordenaars. Ondertussen presenteerde Singer in Bonn de Duitse vertaling van zijn boek How Are We to Live? uit 1993. Ook bij die gelegenheid lieten demonstranten zich gelden en moesten uitgebreide veiligheidsmaatregelen Singer tegen hen beschermen.
HOE VERKLAART U dat de strijd voor de rechten van dieren sinds enkele jaren steeds populairder wordt, terwijl kwesties als euthanasie steeds meer taboe worden?
Peter Singer: ‘Een verband zou kunnen zijn dat we niet meer goed weten wat de grondslagen van onze ethiek eigenlijk zijn. Dat komt ook doordat onze ethiek vroeger een religieuze basis had. Tegenwoordig zijn minder mensen godsdienstig, of althans: ze beroepen zich niet meer op een religieuze ethiek. Ik denk dat we ons in een overgangsperiode bevinden, dat we ons losmaken van de christelijke ethiek, waarin mensen nu eenmaal heel veel en dieren vrijwel niets te betekenen hebben.’
Waarop berust uw engagement voor dierenrechten eigenlijk? En welk verband is er met uw opstelling inzake euthanasie?
'Wij horen de belangen van alle levende wezens in dezelfde mate te behartigen. Daaruit volgt natuurlijk dat we onze omgang met dieren fundamenteel moeten herzien. Intensieve bio-industrie en dierproeven zouden moeten worden afgeschaft. Daarmee keer ik me tegen een ieder die denkt dat de mens iets heel anders is dan een dier.
Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat alle mensen automatisch recht op leven hebben omdat ze schepselen Gods zijn. Wanneer een menselijk wezen bepaalde kenmerken niet heeft, wanneer het bijvoorbeeld geen bewustzijn heeft, heeft het voor mij niet automatisch recht op leven.’
Waar ligt voor u de grens wanneer het op het recht op leven gaat?
'Het gaat absoluut niet om de vraag of een levend wezen, bijvoorbeeld een anencefaal kind, dat wil zeggen een zonder hersens geboren kind, in staat is tot communicatie. Het gaat erom of een levend wezen in staat is tot bewustzijn. Een anencefaal kind is dat niet. Voor bewustzijn heeft men meer nodig dan alleen de hersenstam. Een anencefaal kind leeft, het haalt adem, maar het kan niets voelen en opmerken, en is in die zin geen subject. De ademhaling kan zonder enig bewustzijn door een deel van het zenuwstelsel worden geregeld. Daarom vind ik dat doding in zo'n geval moreel gesproken op geen enkel bezwaar stuit.’
Het lijkt erop dat bij de beslissing over euthanasie op gehandicapte baby’s de belangen van de ouders of de moeder geen gewicht meer in de schaal leggen. Is het niet de teneur in alle discussies over ethiek tegenwoordig dat mensen steeds meer worden onderworpen aan morele instanties die over hen beslissen?
'Dat conflict zie ik wel degelijk onder ogen, en ik ben het met u eens. Ik heb er altijd voor gepleit dat ouders in overleg met de artsen zo'n beslissing nemen. Het probleem is echter dat veel mensen bang zijn dat ouders heel willekeurige criteria zullen gaan hanteren, dat ze gaan selecteren op blond haar, blauwe ogen, enzovoort. Ik zal niet zeggen dat zoiets nooit zal gebeuren, maar ik geloof wel dat dat maar heel zelden het geval zal zijn. Ik heb trouwens veel vertrouwen in de artsen, die zulke willekeurige beslissingen niet zullen accepteren.
Er moeten ook oplossingen komen voor het geval dat ouders en artsen het niet eens worden. Bijvoorbeeld wanneer artsen denken dat de ouders het leven van hun kind willen beeindigen terwijl er slechts sprake is van een geringe beschadiging of een lichte handicap. Misschien zou men voor dergelijke gevallen een ethische commissie moeten instellen.’
Maar is dat niet juist een voorbeeld van een grotere bevoogding van mensen?
'Dat gevaar bestaat inderdaad, en ik geef toe dat er op dat punt een groot probleem rijst. De terreinen waarop wij zelfstandig mogen beslissen, worden steeds meer ingeperkt. Maar mensen laten dat ook vaak vrijwillig gebeuren, uit een soort political correctness, bijvoorbeeld wanneer ouders zeggen: ik mag mijn eigenbelang niet laten prevaleren boven dat van mijn pasgeboren kind.’
OM NOG EVEN TERUG TE komen op uw strijd voor de rechten van dieren - is het juist als ik zeg dat u de mens een zekere mate van bewustzijn onthoudt, terwijl u de dieren juist meer bewustzijn toekent dan gebruikelijk is?
'In de eerste plaats is het mij er helemaal niet om begonnen verschillende soorten levende wezens willekeurig een bewustzijnsgraad toe te kennen. Mijn onderscheidingen op dat punt berusten op wetenschappelijke waarnemingen en op onderzoeksresultaten. Gebleken is dat zoogdieren en andere gewervelde dieren bewustzijn hebben. Sommige dieren hebben zelfs zoiets als een zelfbewustzijn - bijvoorbeeld de grote mensapen, chimpansees, gorilla’s en orang-oetangs.
Bij mensen kan men op dezelfde manier nagaan over welke mate van bewustzijn en zelfbewustzijn ze beschikken. Dat kan door volwassenen te vergelijken met kleine kinderen en ook met anencefale kinderen. In het laatste geval rijst de vraag of men daar wel kan spreken van bewustzijn of zelfbewustzijn. Daar hebben medici onderzoek naar gedaan. Het gaat mij er niet om op dat punt vaste categorieen op te stellen, mij is het erom begonnen de ethiek zoals we die tot nu toe kennen, fundamenteel ter discussie te stellen. De bestaande ethiek berust op een willekeurige bepaling van de grenzen tussen de species, grenzen die niet of nauwelijks rekening houden met het bewustzijn en zelfbewustzijn van levende wezens.’
Is het geen degradatie van het menselijke potentieel om mensen en dieren aan elkaar gelijk te stellen? De wereld is toch door mensenhand geschapen, en niet door dierenpoot?
'In de eerste plaats moet ik daarop antwoorden: de mensen hebben zelf die vermeende kloof tussen hun eigen species en de dieren geslagen. Mensen hebben zelf gepostuleerd dat zij hoger staan. Eerst werd dat met religieuze argumenten verdedigd: alleen wij zijn door God geschapen en bezitten een eeuwige ziel. En verder zei men: God heeft ons de heerschappij over de dieren geschonken.
Wanneer we echter dat religieuze uitgangspunt opgeven en in plaats daarvan een darwiniaans uitgangspunt hanteren, wat volgens mij zinvoller is, dan verliest die kloof tussen mensen en dieren aan betekenis. Op basis van Darwins uiteenzettingen kan men in de evolutie slechts een geleidelijke differentiatie tussen mens en dier waarnemen. Volgens Darwin zijn ook mensen dieren. Weliswaar een andere diersoort, maar dan moet men zich wel afvragen: hoe anders zijn wij eigenlijk? Ik zou willen beweren: wanneer een levend wezen in staat is tot lijden, dan heeft het bewustzijn, al is het maar in de vorm van de wil om niet te hoeven lijden. Vanuit het standpunt van de beweging voor de rechten van dieren is voldoende bewezen dat de grote mensapen zelfbewustzijn kennen. Al is het natuurlijk niet hetzelfde, toch kan men wel degelijk een parallel trekken tussen de redding van dieren uit de laboratoria en de bevrijding van de slaven uit hun onderdrukking.’
DE BEGRIPPEN pijn en onderdrukking die u hier gebruikt, vind ik niet echt overtuigend. Okee, ook dieren hebben ongetwijfeld gevoel. Maar om die nu gelijk te stellen aan de pijngevoelens en het lijden van de mens, komt mij voor als een verregaande vereenvoudiging. Bij de mens is pijn toch geen zuiver biologisch verschijnsel? De mens kan vooruitlopen op de consequenties van bepaalde handelingen, en bovendien is hij in staat zijn gevoelens psychisch te controleren.
'Natuurlijk is het zo dat bij de normale mens, die over veel meer bewustzijn beschikt dan enig dier, lijden en pijn een andere betekenis hebben. Maar dat wil niet zeggen dat men mens en dier niet met elkaar mag vergelijken, of dat wij ons op een volstrekt ander niveau bevinden. Ook de mens heeft zuiver fysiologische gevoelens. Wanneer ik bijvoorbeeld mijn hand op gloeiende kolen leg en me brand zonder dat ik dat van tevoren kon weten, dan reageer ik onmiddellijk met pijn. En dat is precies hetzelfde wat dieren ervaren. Mensen hebben daarenboven het vermogen om dergelijke situaties te vermijden. Maar dat is dan ook precies de reden waarom wij dieren geen pijn mogen doen.’
Nog twijfelachtiger lijkt mij uw gebruik van het begrip onderdrukking. Onderdrukking betekent toch dat men bepaalde groepen of individuen de gelijkberechtigde participatie aan het maatschappelijk leven onthoudt. En strijd tegen onderdrukking betekent dat men zich daartegen verzet. En dat veronderstelt een politiek en een sociaal bewustzijn. Gaat u daar met uw gelijkstelling niet wat gemakkelijk aan voorbij?
'Ik begrijp wat u bedoelt, maar voor mij ligt het begrip onderdrukking wat ruimer. Natuurlijk dreigt het gevaar dat men het vermogen van mensen om tegen onderdrukking in opstand te komen over het hoofd ziet. Maar daar gaat het mij niet in de eerste plaats om. Wat ik zeggen wil: mensen met een ruim ethisch standpunt, en dat zijn mensen die ook bezwaar aantekenen tegen het lijden van dieren, hebben meestal tevens een progressief standpunt ten aanzien van menselijke onderdrukking. Ik ken veel mensen die lang en hard tegen de onderdrukking van mensen hebben gestreden en in het verlengde daarvan ook actief zijn geworden in de beweging voor de rechten van dieren. Zij zien op den duur geen enkele tegenstrijdigheid tussen beide werkterreinen.’
Verbergt zich achter uw strijd voor de rechten van dieren niet een heftige twijfel aan de menselijke beheersing van de natuur? Bij elke technische vernieuwing hoor je tegenwoordig het argument dat we niet mogen ingrijpen in de natuur.
'Ik heb nooit het argument gebezigd dat dit of dat door de natuur gegeven is en dus niet veranderd mag worden. Integendeel, mijn tegenstanders werpen vaak tegen dat het een natuurlijk gegeven is dat mensen dieren doden en opeten. Dus zouden we geen vegetarier hoeven te worden - we zouden dat niet eens kunnen. Maar ik denk dat de natuur op dit punt wel degelijk veranderd kan worden.
Het probleem is voor mij eerder dat de huidige toestand van de natuur het produkt is van een blinde evolutie. Wanneer men ingrijpt in de natuur, moet men rekening houden met de belangen van alle levende wezens. Ik zal niet beweren dat normale mensen zich niet van dieren onderscheiden. Ik wil ook niet ontkennen dat mensen een intellectuele visie op de wereld, de natuur en de geschiedenis kunnen ontwikkelen en dieren niet. Ik wil ook niet beweren dat mensen nooit mogen ingrijpen in de natuur. Ik wil alleen maar zeggen: men moet zulke ingrepen een ethische grondslag geven en rekening houden met de belangen van de verschillende levende wezens. En men moet bij ingrepen in de natuur voorzichtig te werk gaan. Veel van zulke ingrepen zijn misgelopen omdat we geen rekening hebben gehouden met de consequenties. Bijvoorbeeld wanneer we een grote stuwdam bouwden zonder te bedenken dat rivieren daardoor konden opdrogen, waardoor weer vissen uitstierven.’
Gelooft u dat risico’s over het algemeen te vermijden zijn? Wetenschap en onderzoek moeten toch ook risico’s durven nemen?
'Een zeker risico kan nooit worden uitgesloten, en sommige risico’s moeten we ook aandurven. Maar het nagestreefde doel moet altijd zo'n risico waard zijn. Ik vind het bijvoorbeeld geen goed idee atoomcentrales te bouwen, want het risico is te groot. Dat is gebleken in Tsjernobyl. De opbrengst van atoomenergie is te gering vergeleken met het enorme risico.’
DE BIOLOGE Jennifer Cunningham uit Glasgow noemt uw argumentatie over dieren gevaarlijk. Door mens en dier aan elkaar gelijk te stellen zou u het menselijk handelen reduceren tot biologische factoren. Dat komt weliswaar overeen met het hedendaagse pessimisme, maar gaat voorbij aan elke kans op ontwikkeling.
'Ook ik meen dat de mens biologisch niet beperkt is. Maar wat we met onze planeet kunnen uithalen, daarvoor bestaan, althans op dit moment, wel degelijk biologische beperkingen. Hoeveel uitlaatgassen kunnen we de lucht in blazen? Of hoeveel vis kunnen we uit zee halen? Bij zulke vragen stuit je op biologische grenzen. De beweging van de Groenen, die ik voor een groot deel steun, gaat ervan uit dat wij de natuur al zwaar beschadigd hebben en dat we daarom in de toekomst voorzichtiger moeten optreden.
Maar dat mag ook weer niet betekenen dat de mens principieel niet in staat is de grenzen van dit moment achter zich te laten. Ik vind het bijvoorbeeld niet principieel verkeerd om zieken te genezen met behulp van gentechnieken. Alleen ontbreekt het ons bij dergelijke ingrepen aan wetenschappelijke en ethische grondslagen.’
Over ethische grondslagen gesproken: wat heeft uw boek 'How Are We to live?’ eigenlijk voor nieuwe ethische grondslagen te bieden?
'De uitgangspunten van mijn boek vindt u merendeels ook bij andere schrijvers over ethiek. Wat echter nergens te vinden is, zijn concrete antwoorden op de vraag wat een “ethisch vervuld leven” kan betekenen. Ik beschrijf het leven van enkele mensen die een dergelijk leven leiden. Ik laat zien wat dat voor hen betekent. Bovendien bespreek ik de vraag of het genetisch bepaald is dat wij egoisten zijn en het daarom misschien onmogelijk is een ethisch leven te leiden. Ook op dat punt probeer ik nieuwe uitgangspunten te formuleren. Volgens mij zouden de mensen zich minder moeten beroepen op dat alledaagse, materiele concept van eigenbelang; ze zouden veeleer moeten streven naar ethische vervulling. Dat is natuurlijk geen eenvoudig perspectief, het vereist materiele offervaardigheid. Maar gezien de veelheid aan problemen in deze tijd, zijn er geen eenvoudige oplossingen meer.’