De destructieve gevolgen van bezuinigingen

Het Europese debacle

De strenge bezuinigingen maken de Griekse economie kapot. Europa’s financiële en politieke leiders zouden moeten inzien dat hun rigide beleid averechts werkt.

Op 5 juni 1919 schreef John Maynard Keynes aan de Britse premier David Lloyd George: ‘Ik moet u laten weten dat ik deze nachtmerrie aanstaande zaterdag ga verlaten. Ik kan hier niets goeds meer doen.’ Zo eindigde de rol van Keynes als officieel vertegenwoordiger van het Britse ministerie van Financiën op de Vredesconferentie van Parijs. Hierdoor werd Keynes bevrijd van medeplichtigheid aan het door hem zo gehate Verdrag van Versailles, dat later die maand getekend zou worden. Waarom was Keynes zo negatief over een verdrag dat een einde maakte aan de staat van oorlog tussen Duitsland en de geallieerden?

Keynes klaagde uiteraard niet over het einde van de wereldoorlog en ook niet over de noodzaak van een verdrag om er een punt achter te zetten, maar over de voorwaarden uit dat verdrag, en met name over het lijden en de economische chaos die aan de verslagen vijand, de Duitsers, werden opgedrongen door de opgelegde herstelbetalingen, die alleen maar konden worden opgebracht door zware bezuinigingen.

Dat bezuinigen staat ook nu weer in het middelpunt van de belangstelling in Europa – ik zou het woord ‘helaas’ ergens aan deze zin willen toevoegen. Eigenlijk ging het boek dat Keynes over het verdrag schreef, The Economic Consequences of the Peace, in grote lijnen over de economische gevolgen van die ‘afgedwongen bezuinigingen’. Duitsland had de strijd al verloren en het verdrag ging over de vraag wat van de verslagen vijand zou worden geëist, inclusief wat die de overwinnaars zou moeten betalen. De voorwaarden van deze Carthaagse vrede, zoals Keynes die zag (verwijzend naar de Romeinse behandeling van het verslagen Carthago na de Punische Oorlogen), omvatten het opleggen van onrealistisch zware herstelbetalingen aan Duitsland, die het land niet zou kunnen opbrengen zonder zijn economie te ruïneren. Omdat de voorwaarden tevens de animositeit tussen overwinnaars en overwonnenen zouden bevorderen en de rest van Europa economisch geen goed zouden doen, had Keynes niets dan minachting voor het besluit van de zegevierende vier machten (Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten).

De hooggestemde morele retoriek ten gunste van het opleggen van zware verplichtingen aan Duitsland waar Keynes zich over beklaagde, kwam vooral van Lord Cunliffe en Lord Sumner, die Groot-Brittannië vertegenwoordigden in de Commissie voor Herstelbetalingen, en die Keynes graag de ‘Hemelse Tweeling’ noemde. In zijn afscheidsbrief aan Lloyd George zei Keynes dat hij het ‘aan de Tweeling wilde overlaten zich te verkneukelen over de verwoesting van Europa’.

Verheven retoriek over de noodzaak van het opleggen van bezuinigingen, om een einde te maken aan het economische en morele verval in Griekenland en elders, komt deze dagen eerder uit Berlijn zelf, nu de rol van Duitsland in de wereld een heel andere is geworden. Maar de ongunstige gevolgen die volgens Keynes voortvloeiden uit het opleggen van zware – en in zijn ogen ondoordachte – bezuinigingen zijn ook vandaag de dag nog even relevant.

Keynes was niet alleen bang voor de economische ondergang van een land, in dit geval Duitsland, als gevolg van de meedogenloze sequentie van de vereiste herstelbetalingen; daarnaast wees hij ook op de nadelige gevolgen voor de andere Europese landen van de economische ineenstorting van een van hun partners. Deze these van onderlinge economische afhankelijkheid, die Keynes later nog verder zou uitwerken – onder meer in zijn beroemdste boek, The General Theory of Employment, Interest and Money, dat in 1936 zou verschijnen – duikt in dit boek voor de eerste keer op, in de context van het Verdrag van Versailles.

‘We worden geconfronteerd met een inefficiënt, werkloos en ongeorganiseerd Europa’, aldus Keynes, ‘verscheurd door interne conflicten en wederzijdse haat, vechtend, hongerig, plunderend en liegend.’ Als een paar van die problemen vandaag in Europa ook weer zichtbaar zijn (zoals volgens mij in zekere mate het geval is), moeten we ons afvragen waarom dat zo is. 2015 lijkt immers op geen enkele manier op 1919. Waarom ziet het er dan toch naar uit dat deze woorden, ook al zijn ze uit hun context getrokken, op z’n minst voor een deel ook nu nog van toepassing zijn?

Het Europese debacle toonde aan dat je geen economen nodig hebt om een bende te veroorzaken: de financiële sector kan dat makkelijk zelf

Als bezuinigingen zo contraproductief zijn als Keynes dacht, hoe kan het dan dat het erop lijkt dat je er verkiezingen mee kunt winnen, althans in Groot-Brittannië? Welke waarheid gaat schuil in het commentaar in The Financial Times, dat kort na de Conservatieve verkiezingsoverwinning werd geschreven door de toonaangevende historicus Niall Ferguson: ‘Labour moet Keynes de schuld geven voor de verkiezingsnederlaag.’ Als het standpunt dat Ferguson vertegenwoordigt in wezen juist is, dan zijn de opgelegde bezuinigingen die we ondergaan geen nutteloze nachtmerrie (zoals de analyse van Keynes ons wil laten geloven), maar eerder een inspanning die we nu moeten leveren om een gezondere toekomst te bewerkstelligen, zoals de voorstanders van die bezuinigingen altijd hebben beweerd. En volgens deze zienswijze is dat een toekomst die zich, in ieder geval in Groot-Brittannië, al in onze tijd begint te ontvouwen, dankbaar in ontvangst genomen door de kiezers. Is dat nu het echte verhaal? En, meer in het algemeen, zou het kunnen dat de Hemelse Tweeling het destijds toch bij het rechte eind had?

Er kleven veel merkwaardige trekjes aan de ervaringen van de wereld sinds de crisis van 2008, die in de Verenigde Staten is begonnen. Eén daarvan is dat wat begon als een duidelijk falen van de markteconomie al snel werd gezien als een probleem dat was voortgekomen uit een te grote rol voor de staat. De crisis werd toen hij toesloeg in mijn ogen terecht beschouwd als het falen van de werking van de particuliere financiële instellingen, en heeft geleid tot een brede roep om de herintroductie van een deel van het staatstoezicht, met name op de financiële markten, dat in de Amerikaanse economie geleidelijk was geëlimineerd (door de regeringen van Reagan en Bush, maar voortgezet onder het presidentschap van Clinton). Nadat de massale inzinking van de financiële markten en het ondernemersvertrouwen echter een halt was toegeroepen en tot op zekere hoogte was gekeerd door staatsinterventies hadden de staten te kampen met grote schulden. De roep om een kleinere overheid, die al eerder was begonnen, onder aanvoering van degenen die sceptisch stonden tegenover uitgebreide publieke voorzieningen, groeide nu uit tot een luid koor. Politieke leiders staken elkaar de loef af met het bang maken van het publiek met het idee dat de economie zou kunnen instorten onder het gewicht van de staatsschulden.

***

Ook op internationaal niveau werd de mondiale vrije val na de crisis van 2008 grotendeels tot stilstand gebracht, dankzij het visionaire leiderschap van de Britse premier Gordon Brown, die de regeringen van de zojuist gevormde G20 bijeenriep voor een vergadering in Londen in april 2009. Daar werd afgesproken dat ieder zijn best zou doen de neerwaartse spiraal niet te voeden door binnenlandse maatregelen. Hierdoor werd met succes een pagina van de geschiedenis van de crisis omgeslagen, maar het verhaal veranderde al snel, toen van de overheden werd geëist dat zij plaats zouden maken voordat ze een gezond ondernemingsklimaat konden verzieken.

Wat het schuldenbeheer aangaat werd het idee van bezuinigingen, als een uitweg voor de met zware schuldenlasten kampende economieën, de overheersende prioriteit voor de financiële leiders van Europa. Mensen met belangstelling voor geschiedenis kunnen hier met gemak een herinnering in zien aan de dagen van de Grote Depressie van de jaren dertig, toen het snijden in de overheidsuitgaven ook eerder een oplossing dan een probleem leek. Dit is uiteraard het punt waarop Keynes zijn definitieve bijdrage leverde met zijn klassieke boek, de General Theory, in 1936. Keynes kwam met het fundamentele inzicht dat de vraag een belangrijke factor in de economische bedrijvigheid is, en dat het uitbreiden in plaats van het beperken van de overheidsuitgaven wel eens een betere manier zou kunnen zijn om de werkgelegenheid en de bedrijvigheid te stimuleren in een economie met veel ongebruikte productiecapaciteit en werkloosheid. Bezuinigingen konden weinig uitrichten, omdat een reductie van de overheidsuitgaven de ontoereikendheid van de particuliere inkomens en de marktvraag alleen maar zou versterken, waardoor nog meer mensen hun werk zouden verliezen.

De financiële leiders van Europa hielden er echter andere ideeën dan Keynes en veel mainstream-economen op na over wat er moest gebeuren, en waren niet van plan van die ideeën af te stappen. Omdat het tegenwoordig heel gewoon is economen in de schoenen te schuiven dat ze niet in staat zijn naar de echte wereld te kijken, neem ik deze gelegenheid te baat om op te merken dat zeer weinig professioneel opgeleide economen overtuigd waren van de richting waarin de Europese financiële leiders besloten hadden Europa te gaan sturen. Het Europese debacle toonde feitelijk aan dat je helemaal geen economen nodig hebt om een enorme bende te veroorzaken: de financiële sector is daartoe met de grootste elegantie en het grootste gemak geheel zelfstandig in staat. Bovendien: terwijl het bezuinigingsbeleid de Europese economische problemen alleen maar heeft verscherpt, heeft het niet geholpen het doel te bereiken van het in enige significante mate terugdringen van de omvang van de schuldenlast ten opzichte van het bbp – en in feite zo nu en dan precies het tegenovergestelde. Als de zaken in de afgelopen paar jaar zijn verbeterd, dan komt dat vooral doordat Europa nu is begonnen een hybride beleid van enigszins afgezwakte bezuinigingen te combineren met monetaire expansie. Omdat dat een halfhartig gebaar in de richting van Keynes is, zijn de resultaten ook niet al te denderend.

Er zijn feitelijk veel bewijzen te vinden in de wereldgeschiedenis die erop wijzen dat de meest effectieve manier om tekorten terug te dringen het weerstand bieden aan recessies is, naast het combineren van een vermindering van die tekorten met snelle economische groei. De grote tekorten na afloop van de Tweede Wereldoorlog werden met gemak onder controle gebracht door de snelle economische groei van de naoorlogse jaren. Iets soortgelijks is gebeurd tijdens de acht jaar dat Bill Clinton president was van de Verenigde Staten, toen hij een groot begrotingstekort wist terug te brengen tot nul, grotendeels dankzij een snelle economische groei. Ondanks politieke impasses en een grotendeels niet-functionerend Congres zijn de Verenigde Staten de afgelopen jaren veel slimmer te werk gegaan dan Europa, door handig gebruik te maken van dit cruciale inzicht. De omvang van het begrotingstekort in vergelijking met het bbp van de VS is dankzij de economische groei gedaald, wat – eerder dan bezuinigingen – uiteraard de beproefde methode is om het gewenste resultaat te bereiken.

Als de Europese politieke leiders (aanhangers van een bijzonder kleingeestige visie op de financiële prioriteiten) meer publieke discussie hadden toegestaan, in plaats van eenzijdige beslissingen te nemen in financiële achterkamertjes, hadden de beleidsfouten misschien voorkomen kunnen worden, via de normale procedures van overleg, onderzoek en kritiek. Het is opmerkelijk dat dit niet is gebeurd op het continent dat de wereld de fundamentele ideeën van de institutionele democratie heeft geschonken. De grote epistemologische fout van het veronachtzamen van de lessen uit het verleden over wederopbouw, tekortreducties en economische groei is niet alleen een kwestie van verkeerde keuzes van de financiële leiders, waaronder die van de Europese Centrale Bank, maar ook van het democratisch tekort in het huidige Europa. Het is geen troost dat de meeste Europese regeringen die de bezuinigingsstrategie omarmden bij de eerstvolgende verkiezingen werden afgestraft. Democratie moet gaan over het voorkomen van fouten door participatoir overleg, en niet over het laten rollen van koppen nadat er fouten zijn gemaakt. Dit is een van de redenen dat John Stuart Mill de democratie zag als ‘regeren door overleg’, wat vereist dat de publieke besluitvorming vooraf wordt gegaan door discussies.

Een verstandige pensioen­gerechtigde leeftijd introduceren is niet hetzelfde als hardhandig snijden in de pensioenen
***

Het is de vraag hoe het mogelijk was dat de fundamentele keynesiaanse inzichten zo uit beeld zijn geraakt bij het formuleren van het Europese economische beleid, waarvan de bezuinigingen deel uitmaakten. Sommige dominante figuren in de financiële wereld hebben lange tijd vastgehouden aan hun scepsis over de economische relaties waarop Keynes zich richtte. Die scepsis wordt nu pas bijgesteld in de vorm van reality checks ten aanzien van de straf die staat op het veronachtzamen van deze keynesiaanse relaties. Het stoutmoedige plan van de nieuwe president van de Europese Centrale Bank, Mario Draghi, dat we om meerdere redenen mogen verwelkomen, om een ‘kwantitatieve versoepeling’ van een biljoen euro door te voeren (niet onvergelijkbaar met het verruimen van de geldvoorraad), heeft doorslaggevende expansieve effecten. Dit plan is een gevolg van het verlate inzicht dat langzaam maar zeker de aanpak van de Europese Centrale Bank is gaan bepalen: dat expansie en niet zozeer krimp datgene is wat de economie echt nodig heeft.

Hoewel het onvermogen om een paar fundamentele keynesiaanse relaties te doorgronden deel uitmaakt van de verklaring van wat er is gebeurd, gaat er ook nog een ander, subtieler verhaal schuil achter de verwarde economische uitgangspunten van de bezuinigingen. Er was sprake van een rare vermenging in het beleidsdenken van de echte noodzaak om tot institutionele hervormingen over te gaan in Europa en de ingebeelde noodzaak om te bezuinigen – twee heel verschillende dingen. Er kan weinig twijfel over bestaan dat Europa al langere tijd behoefte heeft aan serieuze institutionele hervormingen – van het aanpakken van belastingontduiking en het vaststellen van een redelijke pensioengerechtigde leeftijd tot het overeenkomen van verstandige werktijden en de eliminatie van institutionele starheden, onder meer op de arbeidsmarkt. Maar de echte (en harde) argumenten voor institutionele hervormingen moeten worden onderscheiden van ingebeelde argumenten voor willekeurige bezuinigingen, die niets aan het systeem veranderen, maar louter pijn veroorzaken. Door deze twee typen argumenten samen te bundelen, als een chemische verbinding, werd het heel moeilijk om voor hervormingen te pleiten zonder tegelijkertijd overal op de overheidsuitgaven te bezuinigen. Dit heeft de zaak van de hervormingen geen goede dienst bewezen.

Dat is een punt dat eenvoudig genoeg te begrijpen is, maar het is verbazingwekkend hoe lastig het is gebleken om dit over te brengen. Ik moet bekennen dat ik op vernederende wijze heb gefaald in mijn pogingen beleidsmakers hiervan te overtuigen bij de Europese Commissie, het imf en de Bank voor Internationale Vereffeningen, en op gezamenlijke bijeenkomsten van de Wereldbank en de oeso, vanaf de zomer van 2009.

Een analogie kan helpen dit punt te verduidelijken: het is alsof iemand om een antibioticum heeft gevraagd om zijn koorts te bestrijden, en een gemengde tablet met antibioticum en rattengif heeft gekregen. Je kunt het antibioticum niet slikken zonder het rattengif ook te slikken. Er werd in feite tegen ons gezegd: als je economische hervormingen wilt, moet je ook akkoord gaan met bezuinigingen, hoewel er absoluut geen reden is waarom die twee als een chemische verbinding zouden moeten worden samengebracht. Het introduceren van een verstandige pensioengerechtigde leeftijd, iets wat veel Europese landen niet kennen (en een broodnodige institutionele hervorming zou zijn) is niet hetzelfde als het hardhandig snijden in de pensioenen waarvan de levens van arme werkende mensen afhangen (een favoriete maatregel van de voorstanders van bezuinigingen). Het op één hoop gooien van deze twee doeleinden – niet in de laatste plaats in de eisen die aan Griekenland worden gesteld – heeft het veel moeilijker gemaakt institutionele hervormingen door te voeren. De krimp van de Griekse economie als gevolg van vooral de bezuinigingen heeft juist zeer ongunstige omstandigheden geschapen voor deze institutionele hervormingen.

Een ander contraproductief gevolg van het beleid van afgedwongen bezuinigingen en de daaruit voortvloeiende werkloosheid is, om keynesiaanse redenen, het verlies aan productiekracht – en het verlies aan vaardigheden – geweest dat het resultaat is van de aanhoudende jeugdwerkloosheid. In veel Europese landen is die vandaag de dag verbazingwekkend hoog; ruim de helft van de Griekse jongeren heeft nog nooit een baan gehad. Het proces van de vorming van menselijke vermogens, waarop Adam Smith de nadruk heeft gelegd als de werkelijke motor van economisch succes en menselijke vooruitgang, is behoorlijk belemmerd door het laten versmelten van ongewenste bezuinigingen (die geen enkel land werkelijk nodig heeft) en noodzakelijke hervormingen (waar veel Europese landen wel degelijk behoefte aan hebben).

Ruim tweehonderd jaar geleden specificeerde Adam Smith met veel scherpzinnigheid in The Wealth of Nations hoe je een goed functionerende van een goed geleide economie kunt onderscheiden. Een goede politieke economie moet volgens Smith ‘twee verschillende doelstellingen hebben’: ‘In de eerste plaats het in voldoende inkomsten voorzien voor het bestaan van de mensen, of beter gezegd het in staat stellen van hen om voor zichzelf te zorgen; en in de tweede plaats het aan de staat of de gemeenschap bieden van toereikende middelen voor de openbare voorzieningen.’

De vader van de moderne economie en de kampioen van het marktsysteem twijfelde er dus niet aan waarom de rol van de staat integraal past bij de eisen van een goede samenleving. Deze brede visie van Adam Smith is generaties lang in toenemende mate bevestigd en gesteund door de publieke opinie. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat dit vandaag de dag ook het geval zou zijn geweest, als een open en geïnformeerde publieke dialoog een echte kans had gekregen en niet zou zijn uitgesloten door de vermeende superioriteit van de financiële leiders, met hun adembenemend kortzichtige kijk op de menselijke samenleving en hun fundamentele gebrek aan belangstelling voor de eisen van de overlegdemocratie.

Cijfers die duiden op een schijnbaar hoge staatsschuld kunnen van pas komen om een bevolking de stuipen op het lijf te jagen
***

Het is zeker waar dat het bezuinigingsbeleid is aangevoerd als de reden voor het relatieve succes van de Britse economie. Maar dan wel in vergelijking met Europa, dat zich in een veel dieper gat bevond dan Groot-Brittannië, en waar een veel stringenter bezuinigingsbeleid is gevoerd, vooral in sommige landen (waarvan Griekenland uiteraard het extreme voorbeeld is, met de grote krimp van de economie, in plaats van economische expansie). De relatief positieve groei van de afgelopen jaren zorgt er nog niet voor dat de totale Britse groei-ervaring in de periode van de bezuinigingen indrukwekkend is geweest, als we even verder kijken dan Europa. Niet alleen is het aan het prijsniveau aangepaste bbp per hoofd van de bevolking in Groot-Brittannië vandaag de dag nog steeds lager dan het was vóór de crisis van 2008, maar in de periode van herstel na het dieptepunt van 2009 is het bbp per hoofd van de bevolking ook veel trager gestegen dan in de VS en Japan (om maar te zwijgen van een paar snel groeiende Aziatische economieën).

Zouden de Britse kiezers het echte verhaal over het hoofd gezien kunnen hebben? Dat is mogelijk, en ik zal daar zo iets over zeggen, maar de uitslagen van de verkiezingen duiden niet bepaald op een golf van steun voor de bezuinigingen. Er is geen twijfel mogelijk dat Labour het heel slecht heeft gedaan en terrein heeft verloren, niet alleen in Schotland; de partij zal haar prioriteiten en strategie radicaal moeten heroverwegen. Maar de partijen die de coalitieregering vormden – de Conservatieven en de Liberaal-Democraten – hadden in 2010, bij de voorgaande verkiezingen, de steun van ruim 59 procent van de kiezers (dat wil zeggen: voordat ze het Britse publiek overvielen met hun verrassende bezuinigingswoede); bij deze verkiezingen wisten de coalitiepartijen samen echter slechts zo’n 45 procent van de kiezers te verleiden – ná de ervaring van de bezuinigingen. Niet bepaald een overtuigend argument voor de stemmenwervende kracht van het bezuinigingsbeleid. De Tories sleepten op eigen kracht weliswaar een duidelijke zetelmeerderheid in de wacht (en hebben goede redenen om dat resultaat te vieren), maar deze prestatie leverden zij op basis van slechts 37 procent van de stemmen.

Wat echter niet kan worden betwijfeld is dat het grote publiek in Groot-Brittannië na de crisis van 2008 steeds zenuwachtiger is geworden over de omvang van de staatsschuld en over de verhouding van de staatsschuld ten opzichte van het bbp. Wat hier over het hoofd wordt gezien is dat hoewel er veel kosten verbonden zijn aan staatsschulden (en het niet paranoïde is om die in de gaten te blijven houden) het anders werkt dan bij individuele schulden, die uitstaan bij heel iemand anders. Een interne nationale schuld staat weliswaar ook uit bij ‘iemand anders’, maar wel in dezelfde economie. Cijfers die duiden op een schijnbaar hoge staatsschuld kunnen van pas komen om een bevolking de stuipen op het lijf te jagen met denkbeeldige verhalen over het ruïneren van toekomstige generaties. Analyses van staatsschulden vergen echter meer kritisch denkvermogen en mogen niet zijn gebaseerd op een misleidende analogie met particuliere schulden.

Er spelen hier twee verschillende zaken. In de eerste plaats zijn bezuinigingen, zelfs als we de staatsschuld snel willen terugdringen, geen bijzonder effectieve manier om dat te bewerkstelligen (zoals de Europese en Britse ervaringen bevestigen). Daarvoor hebben we economische groei nodig, en bezuinigingen zijn, zoals Keynes al opmerkte, in wezen funest voor de groei. In de tweede plaats is het ook belangrijk op te merken dat – hoewel het misschien makkelijk is om paniek te zaaien – het bestaan van paniek nog niet aantoont dat daar ook redenen voor waren. Niet minder belangrijk is dat het publiek niet altijd bang is gemaakt met de omvang van de staatsschuld. De omvang van de staatsschuld in verhouding tot het bbp was in Groot-Brittannië twee decennia lang, van midden jaren veertig tot midden jaren zestig, aanzienlijk groter dan op welk moment ook na de crisis van 2008. En toch was er geen sprake van paniek toen Groot-Brittannië in die periode vol vertrouwen de verzorgingsstaat inrichtte, in tegenstelling tot de angstige verwarring, om niet te zeggen de georkestreerde angst, die vandaag de dag langs de ruggengraat van de geterroriseerde Britten lijkt te kruipen, en waarop bezuinigen een passend antwoord lijkt.

Toen Groot-Brittannië ging pionieren met de verzorgingsstaat en de National Health Service (de nationale gezondheidszorg), naast andere publieke voorzieningen, en premier Aneurin Bevan op 5 juli 1948 het Park Hospital in Manchester opende, was de staatsschuld ruim twee maal zo groot als het bbp, en in verhouding veel groter dan hij de afgelopen jaren op welk moment ook is geweest. Als het Britse publiek in die tijd met net zo veel succes angst was aangepraat over de omvang van de staatsschuld zou de nhs nooit zijn geboorte hebben beleefd, en zou het grote experiment van de Europese verzorgingsstaat (waarvan de hele wereld, van China, Korea en Singapore tot Brazilië en Mexico, zou leren) nooit voet aan de grond hebben gekregen. Tien jaar later, toen Harold Macmillan als de trotse nieuwe premier in 1957 tegen het Britse volk zei dat het het ‘nog nooit zo goed had gehad’, bedroeg de omvang van de staatsschuld ruim 120 procent van het bbp – veel meer dan de ruwweg zeventig procent op het moment dat Gordon Brown ervan werd beticht de toekomst van Groot-Brittannië op het spel te hebben gezet door verkwisting.

Deze bangmakerij bestond niet tussen eind jaren veertig en eind jaren zestig, toen Groot-Brittannië zowel regeringen had van Labour als van de Conservatieven, wellicht omdat de angstzaaiers toen schaarser waren. Gewapend met goede openbare voorzieningen en een bloeiende markteconomie wist Groot-Brittannië gestaag de omvang van de staatsschuld in verhouding tot het bbp omlaag te brengen dankzij economische groei, en ondertussen de verzorgingsstaat in te richten, evenals een grote reeks nieuwe openbare diensten.

Kennis en inzicht bij het grote publiek zijn inderdaad van cruciaal belang voor het vermogen van een democratische regering om een goed beleid te voeren. The Economic Consequences of the Peace eindigt met een verwijzing naar het verband tussen epistemologie en politiek, en het betoog dat we louter een verschil kunnen maken in de wereld door (in de woorden van Keynes) ‘die krachten van onderricht en verbeelding in werking te stellen die de publieke opinie veranderen’. De laatste zin van het boek bevestigt zijn hoop: ‘Ik draag dit boek op aan de vorming van de publieke opinie van de toekomst.’ In deze opdracht gaan verlichting en optimisme schuil, twee eigenschappen die we vandaag de dag hard nodig hebben.


Amartya Sen is hoogleraar economie en filosofie aan de Harvard Universiteit. Hij ontving in 1998 de Nobelprijs voor de economie. Hij is de eerste winnaar van de Charleston-EFG John Maynard Keynes Prize en auteur van vele boeken, waaronder The Idea of Justice.
Dit is een geredigeerde versie van zijn lezing op het Charleston Festival in Firle, East Sussex, op 23 mei, en stond oorspronkelijk in The New Statesman.
Vertaling: Menno Grootveld