Opheffer

Het evangelie van Opheffer

Laatst hoorde ik Hanneke Groenteman over een boek van Kees van Kooten zeggen: «Kees, dit is een prachtig boek, een feel good-boek, en daarvan worden er te weinig geschreven.»

Ik dacht: ik wil een feel bad-boek schrijven. Ik wil een boek waarin het slecht gaat met alles en iedereen die erin voorkomt. Geen kopje kan niet stuk van de tafel vallen. Een boek over mensen die zichzelf ongelukkig maken, die arm zijn, die alles wat mooi is in de wereld missen. Een boek waarin het altijd regent, ook als de mensen binnen zijn, een boek waarin de kachel kapot is, waarin het oorlog is en waarin niet gelachen wordt.

Ik zou best met een spandoek over straat willen lopen: «Feel bad! Voel je slecht!»

Waarom wil ik dat?

Mijn vriend Hans zegt dat hij gemerkt heeft dat ik dat wil omdat ik eigenlijk stinkend jaloers ben op mensen die gelukkig zijn. Hm… ik geloof inderdaad niet dat het met een Kees van Kooten of een Youp van ’t Hek ooit slecht gegaan is; ze hebben prachtige vrouwen, prach tige kinderen, schitterende huizen, altijd geld genoeg, ze worden gewaardeerd, ze hebben een leuk leven — ze maken ook nog eens mensen in hun omgeving blij.

Ik kan me, hoe ik me ook draai, wend of keer, niet met ze vergelijken. Mijn rijkdom is een dochter, verder ben ik ingezuurd, arm en miskend en heb ik een ruggengraat die nog slapper is dan mijn slijmerige karakter. Ik maak nooit iemand blij, integendeel. Dus wil ik heel graag dat anderen zich ook slecht voelen. Het is geen mooie eigenschap van mij, maar ik kan niet an ders — tot hiertoe ben ik gebracht.

«Maar wil je dan niet dat het goed met je gaat?»

Natuurlijk wil ik dat, maar ik denk dat het niet meer komt.

Soms weet je dingen over jezelf. Zo weet ik bijvoorbeeld dat ik door velen, door de meesten zelfs, arrogant en onsympathiek word gevonden. Ik weet ook hoe dat komt: ik heb een middenstandersmentaliteit. Ik kan niet groot denken, ik durf geen grote beslissingen te nemen, ik laat me een beetje leven in de hoop dat het schip op koers blijft, en als het slecht gaat, geef ik anderen de schuld. Ik heb de moed niet om te veranderen en dus zal het zo blijven. Dus wil ik dat anderen zich, met mij, slecht voelen.

Ik wil dat mijn ex net zo huilt als ik. Ik wil dat mijn vriend net zo in paniek is om zijn toekomst als ik. Ik wil slechte dingen: ontrouw, bedrog, financiële debacles — bij anderen.

«En dan?»

Dan wil ik gered worden en zelf redden. Ik wil best een kruis dragen voor anderen. Als ze het maar eerst slecht hebben. Ik wil graag goed doen, als ze maar eerst lijden, zoals ik. Ik wil dat de mensheid lijdt.

Als iedereen lijdt — en ik doe goed — komt er opeens een mooi meisje. Het is eigenlijk mijn ex, maar dat weet niemand. Ze is misschien een stuk jonger, of ze is ouder en mooier. Zij gaat mij redden en mij weer naar het licht brengen waar wij vroeger waren. We gaan elkaar vergeven. En ik beloof niet alleen eeuwige trouw, maar ook dat ik vanaf heden geen kind meer zal zijn, maar volwassen. We zullen beiden met weinig tevreden zijn, maar ons leven zal velen tot voorbeeld strekken.

En later, als we oud zijn, kijken we terug op deze nare periode in ons leven, en dan zullen we zeggen: «Het had een doel.» ’s Avonds lezen zij en ik goede boeken. Als er aan onze deur geklopt wordt en iemand om een aalmoes bedelt, ge ven wij iets aan Kees of Youp; nooit een lullig bedrag, altijd iets waarmee zij voort kunnen. Ook krijgen zij van ons, gratis, goede raad.

Dit alles wordt binnenkort op muziek gezet.