Het ezeltje

Zondagochtend, op mijn hijgende ronde door het Vondelpark, ontmoette ik als vaste zelfkwel-collegae een oud-burgemeester van Amsterdam, blazend als een stoomgemaal, en een televisiepresentator en kinderheld die het zichzelf nog zwaarder maakt door niet de verharde weg maar het zandpad voor paarden te kiezen; en, voor het eerst een telg uit een vermaard advocatengeslacht.

Bekende Nederlanders in goede en vooral kwade zaken. Van de eerste twee weet ik precies wie ze zijn en juist daarom kost het geen enkele moeite te doen alsof dat niet zo is. In hun belang en het mijne: weinig lijkt erger dan immer aangegaapt te worden en zij moeten vooral niet denken dat ik een fan zou zijn.
Maar die advocaat zag ik daar voor het eerst en dus ging ik in de fout: hij komt je bekend voor, je denkt dat je met hem op school of op voetbal zat, je kijkt es extra goed om hem niet voor het hoofd te stoten en als hij voorbij is, besef je wie het is en dat je je gedroeg als de eerste de beste handtekeningenjager. Kleine kans dat hij dat juist wel lekker vindt, maar je eigenwaarde krijgt een tik. Max Pam en Bernlef, die er ook vaak lopen, los van elkaar trouwens, en niet hijgend maar met hond respectievelijk sigaret, brengen me geenszins in verlegenheid: bij hen hoef ik niet eens ostentatief weg te kijken, ik kan doen alsof ze willekeurige voorbijgangers zijn. Wat ze natuurlijk, net als ik, ook zijn. Pam kijkt zelf nog wel es, zoals hij überhaupt de blik van een waarnemer heeft, net als Rinus Ferdinandusse, die met stok gewapend de buurt doorstruint, rondkijkend als was hij op zoek naar iets kostbaar verlorens of naar de dader. Maar voor Bernlef lijkt de omgeving niet te bestaan. Die fluit en kijkt naar binnen waar hij blijkens zijn geschriften verbluffend veel zaken treft die daar liggen middels precieze waarneming - een mirakel.
Maar het park is niet alleen voor goden, het is er vooral voor stervelingen. Wandelend, fietsend, rennend, paardrijdend verplaatsen we ons door de seizoenen. Een nieuwe variant is de jonge vader, trimmend met de peuter voor zich in een driewieler en met moeder de vrouw in haar gewone kloffie ernaast op de fiets. Zondagochtend, uiteenlopende hobby’s, maar toch is het gezin gezellig bijeen.
Zij zijn uitzondering - revolutionair is de nieuwe regel van de skeelers. Die planten zich voort als knaagdieren, pakweg lemmingen, en storten zich met doodsverachting in de massa der wandelaars en fietsers, van de laatsten vooral verschillend doordat een deel van hen de techniek van het remmen slecht beheerst. Dit leidt tot pijnlijke confrontaties. Zoals het ook pijnlijk is te zien hoe de elegantie van de kundigen onder hen anderen heeft verleid tot de aanschaf van een grandioze uitrusting die hartgrondig vloekt met hun wanhopig en ongeneselijk lijkend gestuntel. En waren zij nu maar kinderen, maar het zijn vooral jongens en meisjes die de dertig of zelfs veertig ruimschoots zijn gepasseerd. Nou ja, alsof mijn Zatopek-stijl aan te zien is.
Niet door de skeelers is het park het park niet meer - hen kan het er best bij hebben. Maar van de grote weide verdwenen vorig jaar de twee koetjes met hun mooie dikke vacht van ’ ’s winters buiten’. Plots is er van de twee lama’s nog eentje over. Daar kan ik mee leven, want lama’s horen op hoogvlakten.
Maar vrienden, het ezeltje is weg, die troost der melancholen! En ezeltjes horen overal. Dus zeker in ons park.