Hoofdcommentaar

Het failliet der liberalen

Voor de liefhebbers van thrillers zijn de Tweede-Kamerverkiezingen uitgedraaid op een bloedbad. De pvda is (met uitzondering van het rampjaar 2002) kleiner dan ooit sinds Drees. Ze moet zichzelf weer uitvinden. De vvd is teruggekegeld naar het niveau waarop Wiegel in 1972 zijn opmars begon en staat nu op de rand van scheuring. Alleen het cda, met minder zetels dan tijdens Van Agt en Lubbers, zeilt rustig uit.

De verkiezingen hebben meer geopenbaard dan louter conjuncturele schommelingen. Vooral pvda en vvd hebben last van crisisverschijnselen. Er wordt in die kringen nu niet toevallig gesmeekt om charisma. Op zich is dat al een uiting van crisis, omdat die roep altijd weerklinkt ten tijde van crisis. Maar 22 november heeft meer aan het licht gebracht: dat er een ideologisch vacuüm is ontstaan in het centrum.

De spectaculaire zege van de Partij voor de Vrijheid (pvdv) is, zeker buiten thuishaven Limburg van Wilders, een breekijzer in de toch al schizoïde vvd. De partij heeft bovendien een splijtzwam in eigen huis. Hoezeer de liberalen ook hebben geprobeerd om Verdonk te isoleren, ze hebben gefaald. De vvd lijkt nu op de weg richting zelfontbranding. Dat komt niet uit de lucht vallen. Tot 2002 dacht de vvd de ‘rechterflank’ te kunnen afdekken en integreren. Quod non. Eerst doorkruiste de lpf die gemakzucht. Nu nemen Wilders en Verdonk de afbraak ter hand. Het project dat partijleider Bolkestein in 1989 begon, is mislukt. Zijn voorkeur voor Verdonk dit voorjaar en zijn appèl tot loyaliteit nu illustreren de onmacht van het conservatieve liberalisme om de boel bij elkaar te houden.

De sp is al helemaal geen conjunctureel kwestietje. Hoewel er door modestemmen wellicht enige lucht zit in haar 25-koppige fractie is de sp een soevereine stroming die in potentie de plaats van de PVDA kan gaan innemen. Want waar de sp de sociale én culturele klassenstrijd voert, heeft de pvda die verwaarloosd omdat ze in de illusie verkeerde dat de burgerij zich niet meer structureel bedreigd voelt en dus alleen nog is geïnteresseerd in een tikkie links of een tikkie rechts. Voor de pvda geldt, net als voor de vvd, dat het project-Kok om zich van de ideologische veren te bevrijden op een misverstand berustte.

Zelfs het cda is niet vrij van zorgen. Het kan dan wel bogen op een maatschappelijk netwerk in de suburbane of provinciale samenleving, ook de christen-democratie beschikt niet meer vanzelfsprekend over oproepkrachten in het ‘middenveld’ dat afgelopen decennia is vermarkt.

Met uitzondering van sp, pvdv en ChristenUnie – die ieder voor zich een apart wereldbeeld hebben dat één term gemeen heeft: ‘heimwee’ naar de goede oude polarisatie respectievelijk christelijke grondslag van God, Nederland en Oranje – moeten al deze partijen een tijdbom ontmantelen, een tijdbom die tikt sinds Paars in de jaren negentig het tafelzilver van de staat ging verkopen zonder te weten welke gevolgen dat zou hebben voor de verhouding tussen staat en burger.

Sindsdien is er namelijk sprake van een driedubbele deling. Langs de klassieke lijnen uit de twintigste eeuw is er een scherpere scheiding tussen links en rechts, waarbij rechts per saldo drie zetels heeft gewonnen en links in totaal zes. Maar sinds de val van de Muur en de militaire globalisering na 9/11 hebben zich nu ook andere breuklijnen aangediend: die tussen progressief en conservatief en die tussen kosmopolitisch en patriottisch.

Progressief en conservatief, evenals open en gesloten, zijn uiteraard gecompliceerde begrippen, omdat sociaal-economische oriëntatie en culturele waarden door elkaar lopen, zowel binnen de partijen als tussen de partijen. Maar de vrijzinnigheid van de optimistische en jubelende jaren negentig is op sterven na dood nu de min of meer liberale stromingen van pvda, vvd, GroenLinks en d66 het hebben afgelegd. En wel omdat ze dachten dat het ideologische gevecht al gewonnen was, dat het alleen nog ging om de finetuning van de BV Nederland, een woord dat in de jaren negentig werd gebruikt. In die zin hebben pvda en vvd bijna existentiële problemen. Als ze doorsukkelen, zijn ze beide rijp voor de slacht.

De vvd kan zich in de oppositie laten drukken. Met een vierde leiderschapscrisis in vier jaar doet ze er zelf alles aan om op voorhand een onbetrouwbare partner te zijn. Zeker nu Verdonk de partij openlijk uitdaagt, zal de vrijzinnigheid van de vvd worden ontmanteld ten gunste van een xenofobe bevelsideologie die informeel kan bogen op negentien zetels. De vvd als liberale partij verkeert in surseance.

De pvda op haar beurt moet zoeken naar een solidair sociaal-economisch idee dat spoort met haar culturele verheffingspretenties én meritocratische idealen. Kortom, de pvda heeft een uitgangspunt nodig, zoals de marxistische sdap dat in 1937 dankzij Wiardi Beckman kreeg, en een andere politieke stijl, zoals Den Uyl die na 1967 bood. Intussen moet de pvda ook oog hebben voor het feit dat ze haar verankering in de samenleving aan het kwijtraken is. De intellectuelen, die de pvda nog altijd rijk is, zijn losgeslagen van hun maatschappelijke basis. Ze zijn geen trendsetters meer, maar trendvolgers. En dat zijn in een nieuwe ideologische tijd, als de onze, op zich al drie helse opdrachten.

De erfenis van acht jaar paarse vrijzinnigheid ziekt nog altijd door. De architecten van deze coalitie (Kok, Bolkestein en Van Mierlo) zijn nogal roemloos of zelfs halverwege verdwenen. Hun opvolgers hebben die geschiedenis niet begrepen. Uit de moederschoot van de paarse clubs zijn daarom nieuwe partijen geboren, die de heroriëntatie van die paarse partijen van buitenaf kunnen dicteren. De vvd moet nu lonken naar het nationaal liberalisme. De pvda kan zich niet klem laten zetten door het patriottisch socialisme. Zelfs GroenLinks moet zich afvragen waarom het op aarde is. Als er over vier jaar een liberale én een sociaal-democratische stroming is met verankerde macht is dat een hele prestatie.

Het is geen film. Het is pure non-fictie.