Cassius Dio, Samenzwering en verraad

Het failliet van de republiek

Cassius Dio
Samenzwering en verraad: De strijd om de macht na de moord op Julius Caesar
Vertaald door G.H. de Vries
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 39,95

«Democratie, het woord heeft een sympathieke klank en lijkt alle burgers een zekere garantie te bieden op gelijke rechten, maar de werkelijkheid is heel anders dan de mooie naam suggereert. Monarchie daarentegen mag dan niet zo prettig klinken maar is een voor de burgers uiterst doelmatige regeringsvorm, want het is gemakkelijker één man van uitzonderlijke kwaliteit te vinden dan een heleboel die aan die voorwaarde voldoen. Maar ook al slaag je er niet in zo’n persoon te vinden, dan nog is er geen enkele aanleiding de democratische staatsvorm als bruikbaar alternatief te zien: het merendeel van de mensen zal nooit een voldoende hoog niveau bereiken. Trouwens, ook als iemand van minder allooi erin zou slagen de macht te grijpen, is dat toch te prefereren boven de mogelijkheid dat de grote massa van datzelfde kaliber dat zou doen – kijk maar naar de geschiedenis van de Grieken en de barbaren, en ook die van de Romeinen zelf.»

Dit is een sleutelpassage uit het werk van Cassius Dio, een Griekstalige senator die aan het begin van de derde eeuw een Romeinse geschiedenis in tachtig boekrollen op schrift stelde, waarvan er in Byzantium helaas zestig zijn zoekgemaakt. Het eerste probleem dat zich bij deze passage voordoet, betreft de vertaling van het Griekse woord «dêmokratia», dat weliswaar «heerschappij van het volk» betekent, maar hier kennelijk gebruikt wordt om de Romeinse republiek aan te duiden, die nauwelijks democratisch genoemd kan worden. Voordat keizer Augustus de macht greep, was het al eeuwenlang de senatoriale elite die de dienst uitmaakte. Er was weliswaar een volksvergadering, maar die diende vooral om de senatoren te kiezen die hen bestuurden. Tien volkstribunen vertegenwoordigden het volk bij de senaat, maar ook deze functionarissen waren in de praktijk vaak onderdeel van het establishment. Cassius Dio heeft overigens gelijk als hij beweert dat de republikeinse staatsvorm in Rome tot chaos heeft geleid, want de laatste anderhalve eeuw voor de troonsbestijging van Augustus geeft een reeks extreem bloedige burgeroorlogen te zien.

Het tweede probleem is dat van Dio’s perspectief. Dat hij zelf tot de senaat behoorde, blijkt uit menige bladzijde van zijn werk, waar hij zich verontwaardigd uitspreekt over dictators en keizers die senatoren respectloos behandelen. Maar Dio leefde in een periode waarin de senaat goeddeels monddood was en keizers van wisselende bekwaamheid de immense economische, demografische en militaire vraagstukken waarvoor het Romeinse Rijk zich gesteld zag meestal zonder veel succes trachtten op te lossen. Je zou verwachten dat de auteur zijn twijfels zou hebben bij de allerminst bevredigende status-quo.

In de derde plaats is de episode die in de boeken 44 tot en met 50 wordt beschreven, aan het begin waarvan de geciteerde passage is te vinden, niet bepaald het meest gelukkige voorbeeld van een geslaagde overgang van republiek naar monarchie. Bijna alle hoofdfiguren in dit verhaal zijn op macht en geld beluste opportunisten: Caesar, Marcus Antonius, Octavianus (de latere Augustus), Cicero, Lepidus en Sextus Pompeius. Alleen Brutus en Cassius kunnen met enige goede wil nog als oprechte vrijheidsstrijders – althans als verdedigers van de belangen van de senaat – worden gezien. Het is geen fraai verhaal, en in zijn oeverloze opeenvolging van moordpartijen, gekonkel, bondgenootschappen tussen mannen die elkaar voor geen cent vertrouwen, zinloze veldslagen en halfslachtige vlootoperaties is het hier en daar ook een verschrikkelijk saai verhaal. Dat komt deels door Cassius, die beslist niet de grootste verteller uit de oudheid is, deels ook door de gebeurtenissen zelf. Sommige personages wisselen zo vaak van partij dat er geen wijs uit te worden is, sympathieke helden kent dit boek niet en ook door en door verdorven schurken met de allure van een Caligula of een Nero ontbreken.

Intussen is het wel degelijk een belangwekkend boek, al is het alleen omdat Dio’s relaas het enige overgeleverde doorlopende verslag van deze verwarrende periode behelst. Hij schrijft tweeënhalve eeuw na dato, maar heeft gebruik kunnen maken van bronnen die voor ons verloren zijn gegaan.

Gewoonlijk wordt de geschiedenis als volgt samengevat. Caesar vergaart, nadat hij in 48 voor Chr. Pompeius heeft verslagen, zo veel macht dat dit de onvrede van de senaat oproept. Brutus en Cassius vermoorden in 44 voor Chr. de dictator en vluchten naar Griekenland, waar ze in 42 voor Chr. in de pan gehakt worden door Caesars achterneef Octavianus en Caesars voormalige adjudant Marcus Antonius. Vervolgens krijgen Antonius en Octavianus mot, hetgeen er uiteindelijk toe leidt dat de laatste in 30 voor Chr. zijn rivaal, die inmiddels samenleeft met Cleopatra, definitief verslaat. En dan begint de keizertijd. Augustus herstelt law and order en iedereen is opgelucht.

Lees je nu Cassius Dio, dan blijkt de geschiedenis aanzienlijk minder overzichtelijk te zijn verlopen. Het meest opvallend is wel de rol van de senaat. Dit conservatieve lichaam waait twintig jaar lang met alle winden mee, zonder ooit één principiële daad te stellen. Caesar krijgt van de senaat uitzinnige eerbewijzen die leiden tot zijn dood in datzelfde huis, in de periode daarna worden zowel Brutus en Cassius als de wrekers van Caesars dood speciale volmachten toegekend, en na de slag bij Philippi in 42 voor Chr. steunt de senaat zowel Octavianus als Antonius als hun gemeenschappelijke vijand Sextus Pompeius (de zoon van Caesars rivaal). Verder is het onthutsend om te zien hoe plaatselijke vorsten binnen en buiten het Romeinse Rijk even gemakkelijk van politieke voorkeur wisselen als van kleding, en hoe geen van de kemphanen ooit werkelijk doortastend optreedt. Als je Dio leest, krijg je de indruk dat het puur toeval is dat er uiteindelijk een monarchie ontstond.

G.H. de Vries is enkele jaren geleden begonnen het werk van Cassius Dio te vertalen, vreemd genoeg in omgekeerde volgorde. Eerst verscheen een deel over de keizers Tiberius, Caligula, Claudius en Nero (14-68), daarna een deel over het bewind van Augustus (30 voor Chr. – 14 na Chr.) en nu was dus de periode die daaraan voorafging aan de beurt (44-31 voor Chr.). Ligt hieraan een idee ten grondslag? Bijvoorbeeld dat historische progressie een illusie is?