Het failliet van niet nix

Achteraf was het meer dan symbolisch. Op de avond na de verkiezingen, 6 mei, wierp een van de oprichters van PvdA-rebellenclub Niet Nix zich op als bodyguard voor Wim Kok. De flink uit de kluiten gewassen Erik van Bruggen zorgde ervoor dat partijleider Kok rustig Paradiso en vervolgens het podium kon bereiken, zonder te veel last te hebben van het opdringende volk. Even daarvoor was Van Bruggen al gesignaleerd als typist van Kok. Tijdens een ‘Internet-interview’ was het Van Bruggen die Koks antwoorden intikte - de premier heeft het niet zo op moderne apparatuur.

Krap drie maanden later stond het nieuwe kabinet op het bordes. Vijftien gestaalde bestuurders, die gemiddeld allemaal zo'n kwart eeuw meelopen in het politiek-bestuurlijke circuit. Gemiddelde leeftijd: 52. Gemiddelde leeftijd van de PvdA-ministers: 54,8. Het failliet van Niet Nix, opgericht door Felix Rottenberg ter vernieuwing en verjonging van de PvdA, had niet beter geïllustreerd kunnen worden.
Het is niet moeilijk Wim Kok en de zijnen van gerontocratische trekken te beschuldigen. Hetgeen dezer dagen dan ook veelvuldig gebeurt. Maar het ware vruchtbaarder als het jonge aanstormende politiek talent ook eens bij zichzelf te rade zou gaan. Niet Nix wilde het anders doen, anders dan haar rebellerende voorgangers in de jaren zestig en zeventig. Dus geen vadermoord en geen ideologie, beide zijn ouderwets. Wat overbleef was vorm en leeftijd (‘jong!’, 'nieuw’, 'nieuwe generatie!’), twee kaarten die Felix Rottenberg ook tijdens zijn voorzitterschap voortdurend uitspeelde, maar die hun zeggingskracht al snel verloren. Met vormkritiek en jonger-zijn alleen red je het niet. Bovendien was er de amechtige braafheid. Zolang de jongens van Niet Nix - en dat geldt ook voor het nieuwe talent in de Tweede Kamer - als diepste wens koesteren dat ze door Kok en de zijnen geaccepteerd worden, blijven de vijftigplussers regeren.
Het gebrek aan lef en eigen ideeën van de nieuwe generatie is een belangrijke maar niet de hele verklaring voor de partijpolitieke almacht van de generatie uit de jaren zeventig. Langzamerhand begint zich te wreken dat de politiek haar bestuurders nog steeds uit eigen partijpolitieke kring rekruteert, terwijl steeds minder mensen hun heil zoeken in het lidmaatschap van politieke partijen. Kamerleden wil men tegenwoordig nog wel eens aantrekken 'uit de maatschappij’ (snel even lid worden is voor sommige partijen genoeg), maar ministers, staatssecretarissen en burgemeesters - dat moeten doorgewinterde partijbaronnen zijn. En die worden schaars.
Wie pleit voor het aantrekken van niet-partijgebonden bestuurders, krijgt al snel het verwijt de politiek te beschouwen als technocratisch te leiden bedrijf. Alsof iedereen die geen partijbons is automatisch een technocraat is. Alsof maatschappelijke betrokkenheid en een coherente visie niet buiten het partijpolitieke circuit te vinden zouden zijn. En alsof de huidige bestuurders zich zo kenmerken door ideologische bevlogenheid. Peper, ideologisch bevlogen? Kok, ideologisch bevlogen? Frank de Grave, ideologisch bevlogen? En ex-minister Wijers was ook een mooi voorbeeld van een niet-partijman met een zeer coherente, liberale, visie.
Maar er is nog hoop. Want de geïnstalleerde nieuwe ministers en vooral staatssecretarissen laten vele lege stoelen na die de komende maanden opnieuw gevuld moeten worden. Gezocht: burgemeester van Leeuwarden, burgemeester van Rotterdam, Commissaris van de Koningin in Friesland, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, burgemeester van Zutphen, burgemeester van Zeewolde, voorzitter van de PvdA. De laatste functie is misschien wat moeilijk te vervullen door een niet-partijbons (hoewel, ook Felix Rottenberg was niet bepaald een partijman), maar bij alle overige functies is er geen enkele reden om louter te kijken naar het partijpolitieke circuit. Jammer voor Margreeth de Boer, Anneke van Dok, Gmelich Meijling, Van de Vondervoort, Tommel, en al die anderen die staan te trappelen.
Het is onhandig voor de politiek dat zo weinig Nederlanders lid worden van een politieke partij. Het is echter nóg onhandiger als Nederland geleid wordt door een selectie uit die twee à drie procent van de bevolking die partijlid is.