Mijn eerste Groene-column verscheen op 20 februari 2009, vijf maanden na het uitbreken van de grootste financiële crisis uit de menselijke geschiedenis. De titel was Gevallen priesters en luidde een frontale aanval in op de academische economiebeoefening. In de column sprak ik er mijn verbazing over uit dat journalisten economen nog altijd ‘topeconomen’ noemden en ze ook na september 2008 aan het woord lieten over de smeulende ruïnes die ze zelf hadden veroorzaakt:

‘Ik wil een lans breken voor meer sociologen, antropologen, politieke economen, historici en geografen in de economiepanels van morgen. Waarom niet eens een briljante economische socioloog als Olav Velthuis aan het woord gelaten? Waarom niet eens geluisterd naar de scherpe analyses van Marieke de Goede? Waarom niet de sociaal-geograaf Manuel Aalbers gevraagd om de Amerikaanse hypotheekmarkt toe te lichten?’

Diezelfde avond zat ik bij Max van Weezel in Met het oog op morgen om met de econoom Arnold Heertje in debat te gaan over de rol van de academische economie bij het ontstaan van de crisis.

Schuldig, luidde niet verrassend mijn oordeel. Volgens Heertje betoonde ik mij daarmee een antisemiet, naar het redeneerschema: economen zijn joods, wie tegen economen is, is heimelijk tegen joden, ergo: jij bent een antisemiet.

Een killere terugreis van studio naar huis in de taxi die Heertje en ik deelden, is nauwelijks denkbaar.

Het luidde het begin in van vijf jaar aan vrijwel onophoudelijke optredens op radio en tv, in krant, weekblad, debatcentrum, grote en kleine zaaltjes, en wekelijkse telefonades met gelijkgezinde journalisten die uitleg wilden over buffers, schaduwbanken, securitisaties, hefbomen en wat de politiek moest doen.

Mijn diepste motivatie was een uit een diep rechtvaardigheidsgevoel voortkomend idealisme, dat meende dat de crisis met wat meer gezond verstand, een wat bredere blik, wat minder vertrouwen op modellen en cijfers en wat minder politieke corruptie voorkomen had kunnen worden. En dat was urgent en een goed robbertje vechten met de vereende politiek-financiële krachten waard, omdat de financiële crisis echte burgers reële pijn deed. Terwijl de toch al zo geprivilegieerde daders er grotendeels zonder kleerscheren van afkwamen.

Oftewel, een betere wereld begint bij wat minder slaafs gehoorzamen aan de inzichten en aanbevelingen van economen en andere zelfbenoemde experts. En daar hebben we meteen een van de thema’s die als een rode draad loopt door de welgeteld 361 columns, essays en interviews die ik tot nu toe voor De Groene Amsterdammer schreef: het falen van de experts. Hun paradigma is maar al te vaak doortrokken van vertekeningen en dient niet zelden om achterliggende belangen te verhullen. Niet respect en bewondering – die tot uitdrukking komen in het voorvoegsel ‘top’ voor ‘econoom’ of ‘viroloog’ – zijn hier op hun plaats, maar scepsis.

Blinde vlekken aanwijzen, leugens en halve waarheden bestrijden, belangen ontmaskeren, de schimmel in de keuken blootleggen, de achterkant van het tapijt laten zien, de macht wantrouwen, experts niet op hun blauwe ogen geloven, opkomen voor de woordelozen, de ongehoorden, de kwetsbaren, voor de wezens zonder geschiedenis – me dunkt dat dit voor veel deelnemers aan het publieke debat ooit de belangrijkste beweegreden is geweest om het te doen. En uiteindelijk (noem me naïef) ligt daar de aandrift aan ten grondslag dat het ons collectief – door dingen bespreekbaar te maken, door systemische dwarsverbanden bloot te leggen, door het Overton-venster te verschuiven – een stapje dichter bij de waarheid brengt, waardoor we als samenleving schreden kunnen zetten naar een betere, duurzamere, rechtvaardigere wereld.

En (noem me opnieuw naïef) ik dacht dat alle deelnemers aan het publieke debat dat in meer of mindere mate wilden, dat ze allemaal hun pijlen richtten op de machthebbers, en dat ze allemaal de gedeelde morele overtuiging hadden dat je allereerst voor de kwetsbaren moest strijden, omdat je nu eenmaal hun banier aan je helm had geknoopt en je voor hen je pen zo scherp mogelijk had geslepen.

Het bleek een misvatting. Toen ik in 2009, 2010 en 2011 mijn pijlen richtte op handelaren, bankiers, economen en toezichthouders had ik veel vrienden onder de progressieve zwerm. Van d66 tot SP, van GroenLinks tot pvda, van economen tot antropologen, van journalisten tot romanschrijvers – iedereen meende in die jaren dat de financiële sector een toontje lager moest zingen. Debat was er over hoe dat moest, of de banken moesten worden opgebroken of niet, of de geldscheppingsfunctie publiek moest zijn of niet, hoe hoog de buffers moesten zijn.

Wat wij toen onvoldoende beseften – en hier steek ik mijn hand in eigen boezem – is dat we met ons gekrakeel precies het juiste rumoer produceerden waarin de sector stilletjes kon terugkeren naar de verdienmodellen van voor 2008 en zich tegelijkertijd zuchtend kon beklagen over hoe zwaar ze het had door al die nieuwe, louter cosmetische regeltjes.

Maar toen in 2010 de financiële crisis muteerde in een economische doordat de staat op het verkeerde moment prioriteit gaf aan het op orde brengen van de eigen begroting veranderde die progressieve eensgezindheid. In de lente van 2012 trok Geert Wilders de stekker uit het kabinet-Rutte I, omdat hij als gedoogpartner een tweede, ongekend groot pakket aan bezuinigingen en lastenverzwaringen niet voor zijn rekening wilde nemen. En hij deed dat met argumenten die zo uit de pen van de sociaal-liberaal John Maynard Keynes hadden kunnen komen. En dus verwachtte ik dat mijn progressieve vrienden Wilders zouden complimenteren met zijn beslissing.

Wat schetst mijn verbazing toen twee maanden later een wonderlijke kongsi van d66 en GroenLinks alsnog bereid bleek haar handtekening onder de voorgenomen bezuinigingen en lastenverzwaringen te zetten en Rutte I aan de meerderheid te helpen die nodig was om Nederland in de langste recessie ooit te laten storten. Eenzaam luidde de titel boven de column die ik daarover schreef. Hoe kun je de Nederlandse burger zo in de kou laten staan? Hoe kun je zulk stupide begrotingsbeleid steunen? En hoe kun je je laten afschepen met wat goedkope spiegeltjes en kraaltjes op het gebied van duurzaamheid, diversiteit en inclusiviteit?

Het ideologische gezelschap waar ik al die jaren toe had behoord maakte steeds vaker andere keuzes

En het meest verbijsterende was nog dat de progressieve zwerm het prachtig vond. Ik schreef: ‘Eindelijk onder het juk van Wilders vandaan, eindelijk heeft het fatsoen gezegevierd, eindelijk normale politiek, eindelijk daadkracht, eindelijk betrokkenheid bij de publieke zaak! Mijn timeline stond vol loftuitingen aan het adres van Sap en Pechtold. Moed, gezag, realisme en staatsman/-vrouwschap werden hun toegeschreven. Ook de kranten en talkshows waren lyrisch. Zelden heb ik mij politiek eenzamer gevoeld. Hoezo moed? Goedkoop opportunisme. Hoezo gezag? Pure stupiditeit. Hoezo landsbelang? Linkse bijltjesdag. Maar als de golf van opluchting zo tsunamisch over je heen dendert, moet je verdomd stevig in je schoenen staan. Ben ik nou zo slim of is de rest zo dom?’

Als ik een moment zou moeten aanwijzen waarop mijn standpunten begonnen af te wijken van die van de zwerm, dan is dit het. Niet omdat mijn rechtvaardigheidsgevoel veranderd was, omdat ik ‘rechts’ aan het worden was, of van het padje af zou zijn. Maar omdat het diffuse ideologische gezelschap waar ik al die jaren toe had behoord collectief steeds vaker andere keuzes begon te maken dan ikzelf deed.

Ik meende namelijk dat het de taak van de staat was om zijn balans als financiële paraplu te gebruiken en kwetsbare burgers te beschermen. Precies zoals Keynes in 1936 in zijn General Theory had beschreven. Tot mijn verbazing verbond het progressieve blok zijn electorale lot echter aan de bezuinigingscultus van het extreme centrum van vvd en cda. Alleen maar, zo leek het, om zich te onderscheiden van het populistische monster dat pvv heette! Onder het motto ‘wij zijn voor alles waar Wilders tegen is, en zijn tegen alles waar Wilders voor is’. Alsof driemaal links nog steeds links is.

Een half jaar later zou de pvda, die in mei 2012 wijselijk voor de eer had bedankt, er nog een schep bovenop doen door toe te treden tot het kabinet-Rutte II en verantwoordelijkheid te nemen voor maar liefst 22 miljard euro aan versoberingen.

Het is een politieke paardensprong die kenmerkend is geworden voor het publieke debat: de progressieve zwerm probeert populistische uitdagers te bestrijden door blind de tegenovergestelde kant op te vliegen, niet beseffend dat zo de eigen agenda door de politieke tegenstander wordt bepaald en – belangrijker nog – dat je zo steeds verder afdrijft van wat ooit de ideologische missie van de progressieve beweging was: opkomen voor de kwetsbaren.

Het heeft te maken met de ondraaglijke lichtheid van de hedendaagse politieke partij, zoals beschreven in het werk van de Leidse politicoloog Peter Mair. Niet alleen zijn ze hun lokale ledenbasis kwijtgeraakt, Haags geworden en daarmee voor hun opkomst, groei, bloei en verval met huid en haar overgeleverd geraakt aan de media. Ook zijn ze hun ideologisch verleden uit het oog verloren, waardoor het politieke heden bestaat uit een losse verzameling gebeurtenissen en het politieke overleven wordt bepaald door de behendigheid waarmee de politieke leider het electorale positiespel weet te spelen, terwijl de politieke toekomst bestaat uit een vergaarbak van versleten ideologische clichés die in dit postideologische tijdperk voor visie moeten doorgaan. Als organisaties hebben ze hun kiel verloren en dus dobberen ze stuurloos mee op de ideologische wind van de dag.

Het verklaart het succes van de roekeloze opportunist Rutte. Verklaart de zielloosheid van het huidige politieke bedrijf: de gemiddelde Nederlandse politicus klinkt als een bestuurder of manager. En verklaart waarom een organisatorische fusie als oplossing kan worden gezien voor de ideologische leegte van ‘links’.

Het tweede moment was op 13 januari 2013. Toen schreef ik een column onder de titel Referendum! die ging over wat het aangescherpte Europese Stabiliteits- en Groeipact voor de Nederlandse begrotingssoevereiniteit zou gaan betekenen. De context was er een van begrotingstekorten en dus oplopende staatsschulden in een monetaire unie die door de financiële crisis van 2008 zwaar uit het lood hing. Om de boel weer in het gareel te krijgen en de euro een bestendige toekomst te geven, was besloten de eerdere afspraken aan te scherpen en nu eindelijk te gaan afdwingen. En dus kreeg de Europese Commissie een grotere, dwingendere rol bij het controleren van nationale begrotingen op hun verenigbaarheid met de eisen van een monetaire unie.

De eerste zinnen van mijn column luidden: ‘Nederland staat aan de vooravond van een staatsgreep. Niet door Duitsers, Russen, Arabieren, leger of grootkapitaal. Dit is geen coup van vlees en bloed, tanks en barricades, maar een putsch van metaal en papier, juristen en technocraten, achterafkamertjes en persconferenties. Laat ik het beestje bij zijn naam noemen: door die vermaledijde emu en de begrotingsunie die zij afdwingt, worden wij, vrije burgers van Nederland, horigen van de koning van Brussel: de euro.’

Een dramatische tekst, die in het vervolg van de column werd geïllustreerd met citaten uit een zogenaamde ‘voorlichting’ van de Raad van State, waarin het eerbiedwaardige instituut zijn zorgen uitsprak over het democratische soevereiniteitsverlies dat het nieuwe Europese begrotingspact zou veroorzaken. En uiteraard kwamen daar wat mij betreft mijn eerdere begrotingszorgen bij. Het pact verbood keynesiaans begroten en dwong neoliberaal hervormingsbeleid af.

Mijn slotzinnen vatten samen en riepen op tot actie: ‘Als Van Rompuy zijn zin krijgt, heeft Nederland geen parlement meer maar een raad van toezicht. Dat is de coup. En als kabinet en parlement daarmee instemmen, schenden zij eenzijdig de bepalingen van het eeuwenoude contract tussen volk en staat dat onze grondwet belichaamt. Volgens John Locke heeft de demos dan het morele recht om het sociale contract te ontbinden. Daarom wil ik een referendum.’

De uitspraken van de Raad van State gaven wind in de zeilen van de poging van een bonte verzameling bezorgde burgers om het parlement zich te laten uitspreken over de (on)wenselijkheid van dit alles. Dit burgerinitiatief – Burgerforum-EU genaamd – werd aangevoerd door Thierry Baudet, en kan anno 2022 door vrijwel niemand meer in het historische licht van 2013-2014 worden gezien. Een groot aantal deelnemers was niet rechts maar links – Arjo Klamer, René Cuperus, Jelle Brandt Corstius, ondergetekende – en onderschreef pertinent níet de xenofobe oikofilie waarmee Baudet zich toen in het publieke debat manifesteerde. En veel betrokkenen – waaronder ondergetekende – vertrokken nadat het parlement zich op 21 januari 2014 over de zorgen van het burgerinitiatief had uitgesproken en de motie om een referendum over Europa te houden had verworpen, en zijn derhalve op geen enkele wijze verantwoordelijk voor de erfopvolger van het initiatief.

Het zijn feiten die in het ademloze, gepolariseerde publieke debat van vandaag de dag, waarin de drogredenering van ‘guilty by association’ welig tiert, helaas geen gehoor vinden: de melaats verklaarde populist besmet in de ogen van de progressieve zwerm eenieder die zich achter een van diens standpunten schaart, hoe progressief die standpunten in essentie ook mogen zijn en hoe progressief diens motieven ook waren.

Het Burgerforum-EU was een politiek-filosofisch gedreven gelegenheidscoalitie, geboren uit gedeelde bezorgdheid over de machtsgreep van de Europese Commissie en de toekomst van nationale democratieën en rechtsstaten in een monetaire unie die steeds meer een politiek keurslijf werd. En die in de ogen van de betrokkenen noodzakelijk was omdat de gedachteloze EU-filie van de middenpartijen velen van hen politiek dakloos had gemaakt.

Het was dezelfde politieke stijlfiguur als twee jaar eerder: zoals het keynesianisme van Wilders de progressieve zwerm in de armen van de neoliberale versoberingszeloten van cda en vvd had gedreven, zo joeg nu de euroscepsis van Baudet de zwerm in de armen van de Europese Commissie van Juncker. Voor of tegen de Europese Unie werd een kwestie van levensstijl: de academisch geschoolde, tweeverdienende, Volkskrant-lezende, GroenLinks en d66 stemmende stadsbewoner was voor; de praktisch geschoolde, anderhalfverdienende, sociale-media-verslaafde Vinex-bewoner was tegen.

Dat GroenLinks, pvda en d66 met hun keuze voor de Europese Unie ook kozen voor neoliberaal begrotings- en hervormingsbeleid, voor verdere onttroning van nationale democratieën en daarmee voor de belangen van de rijken en machtigen ontgaat deze partijen tot op de dag van vandaag.

Het gebeurde opnieuw tijdens de identiteitspolitieke revolutie die, afkomstig van de Amerikaanse ‘campus wars’, na de kredietcrisis als een strobrand door het publieke debat raasde. Volgens de Amerikaanse socioloog Musa al-Gharbi, die heeft onderzocht waar Amerikaanse kranten, week- en maandbladen en tv-stations de afgelopen vijftig jaar over hebben bericht, zijn sinds 2008 onderwerpen als racisme, seksisme, discriminatie veruit de belangrijkste geworden. Volgens al-Gharbi is de journalistieke aandacht ervoor met maar liefst vierhonderd procent toegenomen.

De gevestigde media zijn hun lezers, kijkers en luisteraars steeds meer naar de mond gaan praten

Hij wijt het aan een combinatie van deels culturele, politiek-economische en sociale ontwikkelingen. Samen hebben die ertoe geleid dat de gevestigde media steeds meer hun lezers, kijkers en luisteraars naar de mond zijn gaan praten; steeds meer media van, voor en door de gegoede, academisch geschoolde, urbane middenklasse zijn geworden; zich steeds meer zijn gaan vereenzelvigen met de cultureel progressieve maar economisch neoliberale elite die de meeste politieke en bestuurlijke posities bezet; en die identiteitspolitieke onderwerpen steeds meer zijn gaan gebruiken om zichzelf te onderscheiden van het al dan niet vermeende racisme, seksisme en, sinds het uitbreken van de pandemie, het wetenschapsscepticisme van de veronderstelde aanhangers van Trump, de Brexit, Le Pen, Wilders en Baudet.

In Nederland is met vertraging hetzelfde gebeurd. Ook hier zijn journalisten overwegend academisch geschoolde, cultureel progressieve stadsbewoners geworden die zich in grote mate vereenzelvigen met de academisch geschoolde, cultureel progressieve, urbane politici en beleidsmakers die de toon zetten in politiek en bestuur. Ook hier zijn identiteitspolitieke onderwerpen daardoor niet meer weg te denken van scherm en pagina.

Ik schreef er op 31 januari 2018 een veel (en fel) bekritiseerde column over, onder de titel Links narcisme. Daarin probeerde ik antwoord te geven op de vraag hoe het komt dat politiek ‘links’ electoraal wordt gedecimeerd terwijl de kogel toch echt van ‘rechts’ was gekomen.

Dat antwoord was vierledig: te weinig ideologische diepgang; daardoor niet geloofwaardig als uitdager van het grootkapitaal; en de technocratisering van de progressieve politicus naarmate hij of zij langer in Den Haag verblijft. Maar de belangrijkste verklaring was wat mij betreft de progressieve omarming van de symbolen van de identiteitspolitieke strijd: genderneutrale rompertjes, ‘cancelen’ van politieke tegenstanders, omvertrekken van standbeelden, hernoemen van straten en verwijderen van politiek incorrecte cultuuruitingen.

Ik schreef: ‘Wat mij betreft loopt er een kaarsrechte causale pijl van onze collectieve preoccupatie met identiteit naar de dalende arbeidsinkomensquote, stagnerende inkomens, stijgende woonlasten, groeiende ongelijkheid, ten hemel schreiend dierenleed, afnemende biodiversiteit en de snel oplopende opwarming van de aarde. Er zijn belangrijkere zaken dan het genderneutrale rompertje van de Hema. Zolang links zich verliest in het “narcisme van de kleine verschillen” van de identiteitspolitiek lacht de factor kapitaal in zijn vuistje. En zullen we de uitbuiting van aarde en arbeid nooit tot staan brengen.’

Het was het begin van een fraaie discussie op niveau met academische collega’s van me. Maar het was ook het begin van een lange reeks van minder fraaie scheldpartijen waarin ik werd uitgemaakt voor fascist en die mij uiteindelijk op opiniewebsite Joop officieel het predicaat ‘rechts’ opleverde, omdat ik niet langer voor gelijkheid zou strijden. Alsof er behoudens culturele ongelijkheid überhaupt geen materiële ongelijkheid zou bestaan, alsof die strijd allang gestreden en beslecht was, of, nog erger, alsof die samen met het begrip ‘klasse’ domweg bij de boom was gezet.

Het doel van mijn kritiek op de identiteitspolitieke versmalling van ‘links’ was nou juist de progressieve zwerm erop wijzen dat er na vier decennia neoliberalisme een grote economische onderklasse was ontstaan die je politiek nooit zou mobiliseren als je hun zorgen over hun basale bestaanszekerheden niet adresseert.

En het gebeurde opnieuw tijdens de coronacrisis. Al vrij snel na het uitbreken van de pandemie rezen bij mij twijfels over de proportionaliteit van de maatregelen. De eerste kritische column die ik erover schreef dateert van 15 april 2020, midden in de eerste lockdown, en was getiteld De rekening.

Voorzichtig wees ik op de ongelijke verdeling van de kosten en baten van de maatregelen: zestigplussers werden beschermd, jongeren werden opgesloten; kapitaalbezitters kregen een kontje van de ecb, werknemers kregen de zak.

Er volgden columns over hoe de politieke verantwoordelijkheid voor de gevolgen van besluiten aan het virus werd toegeschreven; over hoe het woord ‘samen’ moest bedekken hoe de maatregelen de ene groep wel raken en de andere niet; waarom groene partijen de maatregelen zouden moeten afwijzen; waarom niet het virus maar de managers in de zorg de schuld waren van de lockdowns; waarom de Zweedse ‘Sonderweg’ werd doodgezwegen; waarom we van mondige burgers in onmondige onderdanen waren veranderd; waarom virologen en epidemiologen dezelfde scepsis verdienden als economen. Om te culmineren in mijn column van 15 december 2021.

Onder de titel Milgram verhaalde ik van mijn verbazing over het gemak waarmee de progressieve zwerm had ingestemd met maatregelen die een discutabele effectiviteit hadden, burgerlijke vrijheidsrechten schonden en het weefsel van samenleving en economie beschadigden.

Ik besloot met: ‘Ondertussen heeft het virologisch-farmaceutisch complex er alle belang bij om ons in een staat van permanente angst te houden – en fungeren media en politiek al twee jaar als hun nuttige idioten. De vaccins zijn de grootste financiële klapper uit de geschiedenis van Big Pharma. De winst van bedrijven als Pfizer is dan ook nog nooit zo groot geweest. Om maar te zwijgen van die van mondkapjesboeren, testsetfabrikanten en appmakers. Pas als de onvermijdelijke deceptie over het uitblijven van de technotopische beloftes van het virologisch-farmaceutisch complex verder groeit, zal aan dit onzalige experiment een einde komen.’

Bijna vijf maanden later beginnen we te ontwaren hoe schadelijk lockdowns zijn, hoe beperkt de effectiviteit van de vaccins is, en hoezeer de getroffen maatregelen de bestaande neoliberale kloven in samenlevingen als de Nederlandse hebben vergroot. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling is de groei van het Nederlandse en het Zweedse bbp weliswaar min of meer gelijk, het begrotingstekort bedraagt in Zweden 0,2 procent en in Nederland 2,7 procent, terwijl de Zweedse staatsschuld 34,1 procent bedraagt tegen 58,1 in Nederland. Na vier lockdowns gaat Nederland opnieuw een decennium van versobering tegemoet, terwijl Zweden dat lot heeft weten te ontlopen. Tegen de achtergrond van levensgroot opdoemende ecologische crises is dat niet minder dan desastreus.

Ik verwacht niet dat er in Nederland een groot zielenonderzoek naar de proportionaliteit van de coronamaatregelen gaat plaatsvinden. De progressieve gewetensvraag wordt er echter niet minder prangend door: had het progressieve blok in het licht van de kennis van nu niet andere afwegingen moeten maken? En hadden we met een opener, kritischer publiek debat niet kunnen voorkomen dat we ons in de doodlopende steeg van polarisatie en eindeloze lockdowns hadden geschilderd? De Zweedse casus suggereert van wel.

Sinds de kredietcrisis van 2008 struikel je erover: het citaat van Antonio Gramsci, de Italiaanse verzetsheld uit de jaren dertig, over de tussentijd waarin het oude is gestorven maar het nieuwe niet geboren kan worden en dat grossiert in wat hij ‘morbide symptomen’ noemde: ‘De politieke crisis zit hem in het feit dat het oude afsterft en het nieuwe nog niet geboren kan worden. In deze tussentijd verschijnt een grote variëteit aan morbide symptomen.’

Het is inderdaad een passend motto voor onze huidige, verwarrende tijd, die wordt gekenmerkt door de ideologische paardensprongen die ik hierboven heb beschreven en die een parodie hebben gemaakt van de klassieke politieke ankerpunten van ‘links’ en ‘rechts’. En door een politieke praktijk die steeds meer is gereduceerd tot een tragikomisch theaterstuk dat een falende technocratie van een fineer aan democratische legitimiteit moet voorzien.

De oorzaak, aldus Gramsci, is een gezagscrisis die wordt veroorzaakt doordat de ideologische consensus die politicus en kiezer ooit verbond teloor is gegaan, waardoor de politicus niet meer leidt maar alleen nog domineert. En daarmee verwijst hij naar de knoet waarmee het fascisme van ‘Il Duce’ Mussolini gehoorzaamheid afdwong.

Na de nederlaag van het fascisme en bijna zeventig jaar aan massademocratie ziet onze gezagscrisis er anders uit. De fysieke dwang waar Gramsci over sprak is in de 21ste eeuw ingeruild voor het monopolie van een opiniërend complex dat met amuserende niemendalletjes, halve waarheden, deelwaarheden en soms regelrechte onwaarheden, maar ook met moreel bezette denk- en spreekverboden ervoor zorgt dat Gramsci’s tussentijd steeds nog net even wat langer duurt dan goed voor ons is. En het verontrustende is dat de deelnemers het niet zien: de blinde vlekken van de machthebbers zijn die van de controleurs geworden. Daarover gingen mijn columns.

Na dertien jaar met soms veel retorisch geweld op de deur van het nieuwe te hebben gebeukt, wissel ik van genre. De punksong ruil ik in voor de sonate: Gang of Four voor Arvo Pärt, zeg maar. In de essays en interviews die ik voor De Groene Amsterdammer zal blijven schrijven, wil ik de vroedvrouwen van het nieuwe aan het woord laten, die ons kunnen uitleggen waarom die tussentijd maar niet ten einde komt en hoe dat nieuwe dat aan de andere kant schemert ter wereld kan worden gebracht.