Het fatale denken heidegger in holland

HET IS VOOR DE verdedigers van de rede in de filosofie en het gezond verstand in het denken maar moeilijk te verkroppen dat Martin Heidegger twintig jaar na zijn dood nog altijd door duizenden wordt gelezen en trouwhartig geloofd. En dat hij, en niet Bertrand Russell of Ludwig Wittgenstein, als de belangrijkste filosoof van de twintigste eeuw de geschiedenis dreigt in te gaan.

Tallozen zijn zijn werk al met moker of fileermes te lijf gegaan om er de voosheid van aan te tonen. Rudolf Carnap probeerde het in 1932 met zijn vlijmscherpe artikel überwindung der Metaphysik durch logische Analyse der Sprache en dertig jaar later hekelde Theodor Adorno (zelf evenmin een wonder van parelende helderheid) in zijn Jargon der Eigentlichkeit Heideggers mengsel van verbale mist en troebele gedachten. De Franse socioloog Pierre Bourdieu volgde in 1975 met een lang artikel over L'ontologie politique de Martin Heidegger, dat na de publicatie van Heidegger et le nazisme van Victor Farias in 1987 alsnog in boekvorm verscheen, waarna Rudy Kousbroek in Einsteins poppenhuis (1990) aan zes bladzijden genoeg meende te hebben om de man definitief onder de zoden te schoffelen. Ook dat bleek buiten de waard gerekend, zodat de definitieve Heidegger-studie van de Leidse filosoof Herman Philipse, die volgend jaar in Amerika moet verschijnen, voor alle zekerheid maar weer op vele honderden bladzijden is begroot.
HET IS DE vraag of dat zal helpen. Heidegger lijkt een soort onverwoestbaarheid te bezitten die zijn tegenstanders soms radeloos maakt. Dat komt de discussie niet altijd ten goede, want radeloosheid is een slechte raadgeefster, die het gevoel en de argumenten nog wel eens wil vertroebelen. George Steiner maakte het waarschijnlijk het bontst, toen hij Heidegger in zijn monografie zelfs diens ‘boerenslimheid’ en 'op elkaar geperste lippen en toegeknepen ogen’ verweet, maar ook Bourdieu was niet vies van een argument ad hominem meer of minder.
Dat Heidegger zelfs de keurigste naturen uit de plooi van rede en fatsoen weet te krijgen, komt allereerst doordat hij zich in zijn obscurantisme niet voor rede vatbaar toont. Daarvan zijn hun tegenstanders althans diep overtuigd. Maar, zo betoogde Arnold Heumakers een paar weken geleden op de Nederlands-Vlaamse Filosofiedag in Wageningen, daarbij gaan zij er ten onrechte van uit dat beide kampen dezelfde spelregels en eenzelfde idee van 'redelijkheid’ hanteren. In zo'n visie is elke filosofische onenigheid niet meer dan een meningsverschil, dat met een goed gesprek en een kundige analyse in principe oplosbaar is. Wie aan die redelijkheid niet beantwoordt, zet zichzelf daarmee bij voorbaat buitenspel en kan dus ook niet serieus worden genomen.
En precies dat laatste is volgens Heumakers tussen pro- en anti-heideggerianen het geval. Het denken van de een is de ander zo volkomen vreemd dat alleen een filosofische vernietigingsoorlog het pleit zou kunnen beslechten. Tussen hen heerst geen collegiaal meningsverschil maar regelrechte vijandschap. Dat beide kampen elkaar met alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen bestrijden, is dan ook niet meer dan begrijpelijk.
HET MINSTE DAT je ervan kunt zeggen is dat dat leven in de brouwerij brengt. Maar veel belangrijker, aldus Heumakers, is dat er in die confrontatie kennelijk iets op het spel staat dat voor beide zijden van absoluut belang is en waarover geen compromis te sluiten valt. Het gesprek stokt, en eigenlijk is dat vreemd. Want één van beide kampen - dat hij in navolging van de Duitse staatsrechtsgeleerde Carl Schmitt het 'liberale’ kamp noemt - zweert nu juist bij het oneindige gesprek als de koninklijke weg naar de overeenstemming. Zolang de open en eerlijke discussie maar voortduurt, is de oplossing nog in zicht, meent het 'liberale’ denken van Habermas tot Taylor.
Volgens Heumakers is dat een vrome illusie, die in het leven en de politiek van alledag best te handhaven valt, maar die het laat afweten als de zaken echt gaan spannen. En om de scherpe kantjes van het denken, die gewoonlijk verborgen blijven, en de uiteindelijke grond daarvan is het de filosofie nu juist te doen. Zoals de politiek volgens Schmitt altijd rekening moet houden met de Ernstfall, waarin het diplomatiek verkeer het laat afweten en twee partijen onwrikbaar tegenover elkaar staan, zo moet ook de filosofie zich er altijd bewust van blijven dat er een einde is aan het beschaafd gesprek waarvan zij zich de incarnatie waant. Aan het einde van alles liggen strijd en onverzoenbaarheid: dat zou een discipline die zich erop beroept alles tot in zijn uiterste consequenties door te denken, als eerste moeten weten.
ARNOLD HEUMAKERS IS al sinds jaren gefascineerd door het troebele gebied waar de rede ophoudt en het geweld begint. Al in zijn bundel Schoten in de concertzaal uit 1993 laat hij zien hoe auteurs als Jünger, Céline, Sade en Bataille onder woorden brengen wat wij gewoonlijk liever niet horen: dat elke orde en elk evenwicht - zelfs de democratie, de rechtvaardigheid en de rede - gebouwd zijn op hun tegendeel. Zijn onlangs verschenen bundel opstellen De fatale cirkel ademt diezelfde sfeer. 'De mens in het algemeen, wanneer hij aan zichzelf wordt overgelaten, is te slecht om vrij te zijn’, zo citeert hij de aartsconservatieve Joseph de Maistre, een andere favoriete auteur. De Maistre was het ook die de kampioenen van orde en rechtvaardigheid aanraadde zich maar niet al te veel in de geschiedenis te verdiepen. Aan de oorsprong ervan staat altijd geweld, zo constateerde hij. Elk recht is gebouwd op het recht van de sterkste, dat vervolgens zorgvuldig wordt gemaskeerd.
Dat zijn onleefbare waarheden, schreef Heumakers in zijn gelijknamige essay uit 1990. We kunnen alleen maar leven door onze ogen ervoor te sluiten en ze hoogstens toe te laten in onze fantasie. Daar hebben we de literatuur voor, schreef hij toen.
En de filosofie, zo kan hij er nu aan toevoegen. In een reeks dialogen met de filosoof Wouter Oudemans, die zojuist week onder de titel De horizon van Buitenveldert is verschenen, wordt de rede keer op keer op zijn grenzen gewezen. De discussie verloopt aan de hand van belangrijke conservatieve cultuurcritici wier namen niet zullen verrassen: Alexis de Tocqueville, Botho Strauss, Ernst Jünger. De naam van Martin Heidegger valt in het boek nauwelijks, maar zijn denken is massief op de achtergrond aanwezig.
Dat zijn (misschien op Tocqueville na) allemaal suspecte denkers, waarmee de liberale Verlichtingstraditie liefst niets te maken heeft. Ze wantrouwen het optimisme van de moderne tijd, die meent dat ze de werkelijkheid voldoende onder controle heeft om een redelijk leefbare wereld te scheppen. Ook Carl Schmitt, die Heumakers bij zijn lezing over filosofische vijandschap inspireerde, zag er geen been in de 'kroonjurist’ van het Derde Rijk te worden. En over Heideggers geschiedenis hoeft sinds Farias’ boek niemand zich meer illusies te maken.
IS DAARMEE WAT Heidegger betreft voor velen de kous af, voor Heumakers begint zijn verhaal pas. Een paginagroot artikel naar aanleiding van de affaire-Farias was een van de opmerkelijkste cultuurfilosofische beschouwingen die de Volkskrant van hem afdrukte. Het stuk is nog altijd een wonder van helderheid en evenwicht, wat in die hectische dagen niet vanzelfsprekend was. Menig Volkskrant-lezer zal even hebben moeten slikken bij Heumakers’ conclusie dat het nog altijd meer dan de moeite waard was Heidegger te lezen, misschien zelfs juist vanwege zijn nazi-engagement. Zijn denken, schreef hij, was 'analyse en symptoom tegelijk van een crisis waarin de westerse beschaving zich nu al een eeuw lang meent te bevinden’, in een tot nu toe nauwelijks geslaagde poging in het reine te komen met de door Nietzsche verkondigde dood van God.
'NATUURLIJK’, zegt Heumakers nu, op een rustige zaterdagmiddag, kort voor zijn Wageningse lezing, 'lees ik deze denkers niet omdat ik per se hun politieke keuzen omarm. Dat Heidegger zich in 1933 in dienst heeft gesteld van het nationaal-socialisme vind ik ook niet de beste zet die hij in zijn leven gedaan heeft. Maar ik lees ze als een soort geprivilegieerde omweg waardoor ik de wereld waarin ik mij bevind van een andere kant kan bekijken. Jünger wil in feite niets anders dan dat. En ik denk dat dat ook voor de filosofie van Heidegger geldt.’
Die andere kant is de duistere onmacht van het menselijk denken en doen dat het 'liberale denken’ laat verdwijnen achter de illusie dat alle problemen in principe oplosbaar zijn en dat het denken dus uiteindelijk een vaste greep op de wereld heeft. 'Het Verlichtingsidee’, zegt Heumakers, 'gaat ervan uit dat de mens in principe heer en meester van de natuur is en nu voor de opdracht staat dat ook daadwerkelijk te worden. Daarbij vergeet het gemakkelijk dat er onoplosbare problemen zijn en dat menselijke ellende waarschijnlijk nooit geheel valt te elimineren. Je kunt natuurlijk wel proberen daarin zo ver mogelijk te komen, maar als je denkt dat je dat ook helemaal zal lukken, reken je lelijk buiten de waard.’
De ideologie van het eindeloze gesprek, of de herrschaftsfreie Kommunikation, zoals Habermas dat noemt, gaat naadloos met dat optimisme samen. Het is een illusie die je best voor werkelijkheid kunt aanzien zolang die werkelijkheid een beetje wil meewerken. Maar wanneer de tegenstellingen echt oplopen, wordt die illusie al snel doorkruist. En dan, zegt Heumakers, zit je als liberaal denker met de handen in het haar.
'In de meeste westerse democratieën komt het gelukkig nooit zo ver. Maar in Algerije zie je hoe dat kan gaan. Daar blijkt de democratie zichzelf op een bepaald ogenblik de nek te moeten omdraaien, ironisch genoeg precies om zichzelf te handhaven. Als de fundamentalisten de meerderheid hadden gekregen, wat heel waarschijnlijk was, had dat het einde van die democratie betekend. Dan kun je als democratische partij zeggen: we gaan roemvol ten onder. Of je zegt: we redden de democratie (zoals ze ook gedaan hebben). Maar dat kon alleen maar door de verkiezingen ongeldig te verklaren, waarmee het met de democratie alsnog gedaan was.’
In de werkelijkheid, aldus Heumakers, schuilt een mogelijkheid tot geweld waar redelijk overleg nooit tegen bestand is. 'Als het erop aankomt, wint dat geweld altijd, want tegen kogels helpt nu eenmaal geen enkel argument. Natuurlijk is dat een uitzonderingstoestand, een Ernstfall zoals Schmitt het (met de Weimar-republiek in het achterhoofd) noemde, maar die mogelijkheid is wel steeds op de achtergrond van elk redelijk overleg aanwezig. Ze is de grens ervan. En wat aan gene zijde daarvan ligt is machtiger, dus misschien wel “echter”, dan de vreedzame illusies die wij koesteren.’
WAT GELDT VOOR het spreken over de werkelijkheid, geldt volgens Heumakers ook voor ons doen en laten. De reikwijdte ervan is maar beperkt en wordt aan alle kanten door de realiteit ingehaald. De hele twintigste eeuw is een opeenvolging van grootse plannen die het heil op aarde moesten brengen, en van de catastrofale gevolgen die dat met zich meebracht. Nationaal-socialisme en communisme waren misschien wel de meest extreme uitingen van de totale maakbaarheid van het bestaan. Daarin waren ze symptomatisch voor het moderne denken dat geen grenzen erkent, en waarin Heidegger zich zo verschrikkelijk heeft vergist. Hij heeft zich dat - denkt Heumakers - achteraf ook wel gerealiseerd. Terwijl zijn geschriften tot 1935 nog vol staan van oproepen tot vastbeslotenheid, krijgt vanaf dat moment de aansporing tot gelatenheid de overhand.
Dat is, zegt hij, niet hetzelfde als passiviteit of onmacht. 'Wanneer je leert inzien dat het menselijk denken en handelen maar beperkt is, kom je in een sfeer terecht waarin de tegenstelling tussen macht en onmacht niet helemaal adequaat is. Een vreemde sfeer, die bijna onbegrijpelijk obscuur wordt wanneer je haar vanuit rationalistisch standpunt bekijkt. Maar neem onze huidige situatie, in Nederland. Er is waarschijnlijk nooit in de geschiedenis een toestand geweest van zo veel welvaart. Toch klagen mensen voortdurend over verlies aan zin en zeggen ze niet gelukkig te zijn. Kennelijk is het idee dat we ons geluk zelf kunnen maken te hoog gegrepen. We kunnen het wel als een soort ideaal koesteren, maar uiteindelijk is het iets dat zich buiten onze maat bevindt.
Dat stemt ook wel overeen met onze gelukservaring. We ondergaan dat niet als iets dat we zelf maken, maar als iets dat ons toevalt. Dat merk je al wanneer je een stuk schrijft, of een college geeft dat buitengewoon geslaagd is. Daar kun je zeer gelukkig van worden, maar je wordt er ook door verrast. Je krijgt het als het ware cadeau. Kunstenaars raken daar niet over uitgepraat.’
DAT WETEN DE 'liberale’ rationalisten natuurlijk ook wel, geeft Heumakers toe. Alleen, ze houden er volgens hem als het er op aankomt geen rekening mee. Dat is niet verwonderlijk: je kunt het niet berekenen. En op rekenmodellen en calculaties komt het toch steeds weer aan, wanneer de politieke en maatschappelijke lijnen worden uitgestippeld. In de calculatie is geen plaats voor het niet-berekenbare. En hoe volmaakt onze modellen ook zijn, steeds blijkt er weer iets aan te ontsnappen waardoor het doel uiteindelijk wordt gemist. Dat is in de hele utopische traditie zo gebleken, en zo is het nog steeds.
Karl Popper, die ook al niet in het bestaan van absoluut zekere en betrouwbare waarheden geloofde, beval de politiek daarom een beleid van kleine, steeds corrigeerbare stapjes aan. Daar is niets op tegen, vindt Heumakers, zolang je maar niet de illusie koestert zo het calculeren achter je te laten. 'Het is alleen een wat prudenter calculeren geworden. Maar in een denken als dat van Heidegger gaat het om iets anders: om het inzicht dat alle pogingen tot beheersing uiteindelijk gedragen worden door iets dat niet van de aard van beheersing is, en ook niet tot de mens zelf behoort. Je kunt er geen “rekening” mee houden (in de zin dat je het zou kunnen berekenen), maar in je eigen denken zou je je er niet voor moeten afsluiten. Dat kan leiden tot een zeker voorbehoud ten opzichte van de wereld van de maakbaarheid, in het besef dat er altijd iets kan gebeuren dat volstrekt buiten iedere berekening valt.’
'Aan Heideggers denken heb je dus niks, wanneer je er een concrete ethiek of politiek van verwacht’, zegt Heumakers. 'Heidegger heeft nooit een ethiek geschreven. Wat hij beoogde was een andere manier van denken over de wereld en onze plaats daarin. Dat denken was voor hem ook een handelen, en dus een ethiek, al zou ik niet goed weten wat daar de praktische consequenties van zijn. We leven in een technische wereld en ik ben daar een betrekkelijk goed functionerend wezen in. Het heeft geen zin je daartegen te verzetten, dat doet ook Heidegger niet. Zijn denken opent eerder een geestelijke ruimte, waarin je zou kunnen zien dat die wereld waarin je zo volmaakt functioneert ook nog iets anders is dan zij voorgeeft te zijn.’