Het feest van karel appel

Alle voostellingen zijn uitverkocht
De kleuren fonkelen nog uren na op het netvlies, de beelden tuimelen nog lang over elkaar heen: De Zauberflote van Karel Appel - want zo mag de nieuwste produktie van de Nederlandse Opera gerust genoemd worden - is een visueel spektakel dat de zinnen begoochelt. Het ene moment waan je je in een aflevering van de Flintstones, het andere moment lijkt de toeschouwer verdwaald op de Efteling, dan weer lijkt de handeling zich tachtig meter onder een tropische waterspiegel af te spelen.

Tamino in Wonderland zou ook een geeigende titel zijn. Appel heeft immers het verhaaltje van Die Zauberflote aangegrepen om zijn fantasie de vrije loop te laten. Al meteen in de eerste scene is het raak: de slang waar Tamino voor op de vlucht is en die in veel produkties buiten beeld blijft, is hier een reusachtig monster dat zijn ogen als vervaarlijke zwaailichten door de zaal laat spoken. Papageno maakt zijn entree in een fantasiewagentje, begeleid door knalgele boswezens die bevallig staan te waggelen en te wentelwieken. De Koningin van de Nacht is daarentegen een in gifgroene glitters gehuld wezen, omringd door lichtgevende bloemen.
De extravagante hofhouding van Monostatos beweegt zich rond een metershoge reus met een groot gat op de plaats van zijn buik, dat dienst doet als sofa. De liefdesscene tussen Tamino en Tamina speelt zich af in een decor van wellustig openpuilende bloemkelken, terwijl de hogepriester Sarastro zijn status onderstreept door een fontijn van brandend water in werking te zetten.
Het is een extatische sprookjeswereld die Appel voor de ogen van het publiek laat opbloeien. Het lijkt alsof hij uitsluitend de bizarre, zauberhafte kant van Die Zauberflote benadrukt door het decor in fluorescerende kleuren te hullen, fantasiewezens door de lucht te laten zweven en personages met veel rook in de grond te laten zakken. Wel relativeert Appel zijn eigen megalomanie enigszins door de overweldigende beelden af te wisselen met luchtige grappen. Neem de drie knaapjes, die zo uit een jongensboek weggelopen lijken te zijn: eerst komen ze als piepkleine poppetjes in een bouwpakketvliegtuigje overgevlogen en vervolgens in een onhandig geknutselde libelle.
Af en toe lijkt het of Appel uitsluitend teert op special effects. Toch is dat, als het erop aan komt, niet het geval. Twee sleutelscenes komen prachtig uit de verf: het moment dat Tamino aan de vooravond van zijn beproevingen staat en op een volkomen kaal toneel zijn aria vol vertwijfeling zingt; en de scene waarin Tamino niet tegen zijn geliefde Tamina mag praten zonder dat zij weet waarom. Beider machteloosheid gaat, ondanks het drukke en overladen decor, dwars door de ziel.
De stripverhaalachtige voorstelling die Appel met zijn beelden creeert maakt niet alleen dat je je bij deze (doorgaans langdradige) opera geen moment verveelt, ook geeft hij een mooie en eigen visie op het thema. Tegenover de strengheid van de priesterorde, die is verbeeld door geometrische vlakken in felle en heldere kleuren, stelt hij de sensualiteit en warmte van de liefde. De naieve sprookjeswereld van Appel, met zijn zinnelijke vormen en overdadige kleurenpracht staat tegenover de ernst en zuiverheid van de moraal. Maar misschien nog wel belangrijker is dat Appels kinderlijke erotiek de buitengewoon truttige en oer- Duitse grappenmakerij (vooral van Papageno) overvleugelt.
De muzikale prestaties van Hartmut Haenchen en het Nederlands Kamerorkest zijn voortreffelijk (hoewel John Eliott Gardiner met zijn topuitvoeringen de markt heeft verziekt). Ook de zangers, op enkele bijrollen na, betonen zich zeer capabel. Maar het valt niet te ontkennen: na de era van de regisseurs-opera stevenen we nu af op de beeldende- kunstopera. Meer nog dan Baselitz (Punch and Judy) en Kounellis (eenakters van Schonberg en Feldman) heeft Appel de opera letterlijk en figuurlijk vormgegeven. Van begin tot eind een feest om naar te kijken.