Het fenomeen Houellebecq

Volgens Michel Houellebecq is een roman meer dan een goed verteld verhaal. Een roman bevat gedachten, overpeinzingen en beschrijvingen die voor de voortgang van de plot niet van belang zijn. De romans van Houellebecq zijn niet altijd boeiend, niet altijd «literair», maar ze zetten de lezer aan het denken.

In de laatste jaren kon men dikwijls horen dat de Franse literatuur van nu – in vergelijking tot vroeger, de tijd van de existentialisten en van de Nouveau Roman – niet meer erg boeiend is. Er worden ook nu nog heel veel romans gepubliceerd, dat wel, maar die gaan bijna altijd over oninteressante privé-problemen van meestal alleenstaande vrouwen en mannen, vooral in Parijs. Wanneer men deze kritiek uit, vergeet men evenwel dat dit soort romans in feite deel uitmaken van een eeuwen oude Franse traditie, namelijk die van de zogenaamde psychologische – en meestal slecht aflopende – liefdes roman, een traditie die bij Madame de La Fayette in de zeventiende eeuw begint en tot op heden veel navolgers heeft. Je zou vandaag onder meer aan het werk van Annie Ernaux of Christine Angot kunnen denken.

Natuurlijk interesseert dit type roman niet iedereen; ook velen die van de Franse literatuur houden, grijpen liever naar Balzac of Zola. En als het om hedendaagse problemen gaat en men tijdgenoten wil lezen, kijkt men begrijpelijkerwijs liever naar Latijns-Amerika, waar schrijvers als García Márquez, Carlos Fuentes of Vargas Llosa over zeer actuele collectieve en politiek-sociaal relevante problemen schrijven, zoals armoede, onderdrukking en dictatuur.

En dan, na een periode van geringe belangstelling voor Frankrijk, plotseling het fenomeen Houellebecq! Eindelijk weer eens een Franse schrijver die overal vertaald en gelezen wordt, een van de meest verkochte romanciers over de hele wereld, in het bijzonder ook in Nederland. Maar de vraag rijst meteen: is hij wel een Franse schrijver? Zijn populariteit heeft hij vermoedelijk juist aan het feit te danken dat hij anders schrijft, dat hij weinig lijkt op wat men zoal onder een Franse schrijver verstaat. Hij woont al jaren in Ierland en Spanje en beschrijft de landschappen daar en niet de Parijse straten. En al zegt hij in interviews wel dat zijn lievelingsschrijvers Balzac en Baudelaire zijn, in zijn werk citeert hij – naast Pascal wellicht als enige Fransman – twee buitenlanders het meest: de Duitse filosoof Schopenhauer, op wiens werk hij overigens een doorlopend commentaar schrijft (dat naar zijn zeggen pas met zijn dood zal ophouden) en de Amerikaanse auteur Howard Phillips Lovecraft, aan wie hij zijn eerste boek gewijd heeft.
Lovecraft leefde van 1890 tot 1937 en schreef griezelverhalen die pure horror met sciencefiction vermengen. The Whisperer in the Darkness – om één voorbeeld te noemen – speelt zich in de staat Vermont af, waar zich in de bergen merkwaardige wezens ophouden die mensen die te dichtbij komen vermoorden. De ik-persoon, Wilmarth, een etnoloog die de folklore en de oude legendes van die streek goed kent, wil er meer van weten en neemt contact op met Henry Akeley, een intelligente alleenstaande man die dicht bij die mysterieuze bergen woont. Zij schrijven elkaar brieven om te proberen een wetenschap pelijke verklaring voor deze verschijnselen te vinden, maar als Wilmarth eindelijk naar de afgelegen boerderij van Akeley reist, is deze al stervende. De griezelige wezens die van een andere planeet komen, hebben hem gedood.

De verhalen van Lovecraft stralen een enorm gevoel van angst uit, dat versterkt wordt door het feit dat de personages steeds naar wetenschappelijke verklaringen zoeken, maar deze ver klaringen wijzen, hoe serieus ze ook be doeld zijn, altijd naar een moeilijk voorstelbare, buitenaardse achtergrond. Men begrijpt de grote belangstelling van Houellebecq: «Lovecrafts grote teksten», schrijft hij, «bleven een merkwaardige aantrekkingskracht op me uitoefenen, volledig in strijd met mijn verdere literaire voorkeuren.»
Het zoeken naar wetenschappelijke verklaringen die de verbeeldingskracht te boven gaan, is iets wat we ook in het werk van Houellebecq tegenkomen, maar ook het karakter van Lovecraft heeft trekken die hem moeten hebben aangesproken. Volgens Jacques Bergier, zijn Franse vertaler die hem persoonlijk heeft gekend, was Lovecraft uitermate belezen en geleerd, op de hoogte van de moderne natuurwetenschappen, maar ook van de beschavingen van Kreta en Mexico en hij kende een zeer groot aantal talen, waaronder vier Afrikaanse. Dit alles moet Houellebecq, die zelf ook een brede wetenschappelijke belangstelling heeft, zeer zeker gefascineerd hebben.

Maar hij is ongetwijfeld ook geïnteresseerd in het merkwaardig puriteinse seksleven van Lovecraft; hij is 32 jaar oud wanneer hij voor het eerst door een (enkele jaren oudere) vrouw wordt gekust. Zij trouwen, maar hun huwelijk loopt vrij gauw stuk. En ten slotte: ook bij Lovecraft komen we enigszins racistische uitspraken tegen, evenals bij Houellebecq. Hij is bang voor de vermenging van rassen en maakt zich zorgen over het voort bestaan van de blanken.
Ik heb vrij lang bij Lovecraft stil gestaan, omdat hij qua persoon en werk als een rechtstreekse voorloper van Houellebecq kan worden gezien – maar dan wel met één groot verschil: de verhalen van Houellebecq zijn niet griezelig. Wanneer bij hem wezens opduiken die geen gewone mensen zijn, dan is dat doodgewoon het resultaat van wetenschappelijke experimenten: we hoeven niet bang te zijn, dit is normaal, dit komt op ons af. En dit is nu juist het ergste, deze paradox: de verhalen van Houellebecq zijn uiteindelijk, juist omdat ze gewoon zijn, nog griezeliger. Zo is het nu eenmaal, dit is de toekomst die op ons wacht.

Houellebecq had al meteen vanaf het begin een zeer negatieve reputatie, die hij vermoedelijk expres heeft op gebouwd. Seksueel genot in al zijn vormen is het belangrijkste in het leven. Zonder in pornografie te vervallen, zoals bijvoorbeeld Catherine Millet, schrijft hij met veel details over pedo filie, masturbatie, groepsseks, seks toerisme in Thailand, meestal in de eerste persoon. Het zijn eenvoudige en vrij precieze observaties, zonder dat hij veel moeite doet om er literatuur van te ma ken. «Taal is niet echt geschikt om ge waarwordingen uit te drukken», merkt hij ergens op, «of die nu aangenaam zijn of pijnlijk.»

Zijn negatieve reputatie dankt hij hiernaast zeker ook aan zijn extreme uitspraken; hij schrijft dingen op die andere mensen – «de gewone man», «de man in de straat» – vaak denken, misschien zelfs zeggen, maar nooit op papier durven te zetten. Het bekendste is wat hij over Arabieren en de islam geschreven heeft, en dit heeft hem, zoals men weet, een proces opgeleverd. Maar wat hij over kinderen en baby’s schrijft, is ook niet mis. Daniël1, de hoofdfiguur van zijn nieuwste roman, Mogelijkheid van een eiland, is vrij op gelucht als zijn zoon zelfmoord pleegt. Hij was even stom, zegt hij, als zijn moeder en even gemeen als zijn vader. Het verdwijnen van zulke wezens is geen ramp: ze zijn overbodig op aarde. En verderop in de roman stelt hij dat elke normale man alleen maar walgen kan van baby’s: zij krijsen, stinken en kruipen in hun vuil over de grond. Honden zijn Daniël1 veel liever dan kinderen.

Daniël1 schrijft zijn leven op, een triest leven, want hij was een provocerend en komisch televisieacteur, en zoals Houellebecq ten aanzien van de door hem zeer bewonderde Louis de Funès opmerkt: mensen die anderen aan het lachen maken zijn vaak zeer bedroefd. Droevig of niet, een mens moet een afgesloten levensverhaal be zitten, waar het einde zin geeft aan wat daaraan is voorafgegaan, achteraf een verklaring biedt voor alles. Volgens de filosoof Ricœur, die Houellebecq overigens niet citeert, verlangt elk menselijk bestaan ernaar om achteraf een verhaal te worden. Dat van Daniël1 krijgt een bij zonder slot, dat weer eens aan Lovecraft herinnert: zijn geliefde hond Fox sterft op mysterieuze wijze in een griezelig landschap in Spanje en hijzelf pleegt enige tijd later zelfmoord, door beide door hem beminde vrouwen verlaten. Kan deze zelfmoord als de zin geving aan een afgesloten levens verhaal worden gezien?

Tweeduizend jaar na zijn dood be commentariëren zijn «neohumane», wetenschappelijk gekloonde nakomelingen, vooral Daniël25, zijn autobiografie, een tekst waarvan ze het meeste uiteraard niet meer begrijpen. Ze zijn immers steeds verder verwijderd van wat vroeger een mens was, ze kennen geen menselijke emoties, ze weten niet meer wat lachen en huilen, wat goed en wat kwaad is. En ook seksueel genot is hun vreemd.

De rol die de sekte van de Elohimisten in zijn laatste roman speelt, is niet helemaal duidelijk. Houellebecq liet zich inspireren door de sekte van de Raëlianen, die beweren dat de mensen door buitenaardse wezens zijn geschapen naar hun evenbeeld. Elke religie begint eerst als een sekte, zegt onze schrijver, en wordt pas later een religie. Ook het christendom begon zo, en toen het overwon, werd het een geïnstitutionaliseerde kerk. Maar de lezer vraagt zich af of de roman deze Elohimisten, die overigens heel intelligente en interessante lezingen houden voor nieuwkomers als Daniël1, eigenlijk wel nodig heeft. De houding van de schrijver tegenover deze sekte is op zichzelf al dubbelzinnig, daar hij ze uitspraken in de mond legt die als een kritiek op het boeddhisme geduid kunnen worden. Daarbij komt dat Houellebecq groot vertrouwen in de wetenschap heeft. Wetenschap is anders dan filo sofie of literatuur, zij is onaanvechtbaar; de vorderingen van de wetenschap kan niemand tegenhouden. Dat wil zeggen dat onze gekloonde opvolgers over tweeduizend jaar hoe dan ook zullen verschijnen, ze hebben de hulp van een sekte (of religie) absoluut niet nodig.

Blijft de vraag of wij de titel ondanks alles optimistisch moeten opvatten. Het tweede en langste deel van de roman eindigt met een gedicht over geluk en seksuele liefde en de laatste regel roept «de mogelijkheid van een eiland» op. Bestaat er een mogelijkheid, een eiland, waar men aan de menselijke aftakeling en aan het onmenselijke klonenbestaan kan ontsnappen? Opvallend is wel dat het hier om een gedicht gaat, daar Houellebecq in een recent televisie-interview met Laure Adler zei dat poëzie iets geheel anders is dan proza: bij het lezen van gedichten krijgt hij tranen in de ogen, poëzie is stilstand en geluk.

Journalisten aan wie hij interviews heeft toegestaan, bevestigen wat wij eigenlijk al uit zijn boeken kunnen weten: Michel Houellebecq komt altijd als een bescheiden en zeer belezen man over, die heel rustig en schijnbaar vriendelijk spreekt. Maar hij is wel ie mand die geen blad voor de mond neemt en over allerlei zaken of personen zijn eigen mening heeft. Hij is blijkbaar niet bang voor processen, hij heeft het vaak, ook in zijn boeken, over bekende persoonlijkheden (net als de door hem weinig gewaardeerde Chris tine Angot). Over Chirac schrijft hij dat deze «niets anders is dan een ergere, dommere versie van Mitterrand». De couturier Karl Lagerfeld werkt tijdens een receptie op zeer onsmakelijke wijze veel kaviaar naar binnen, de filosoof Michel Onfray is een potsierlijke grafomaan et cetera.

Als we Houellebecq mogen geloven, zal ook de hele nieuwere geschiedenis van het Franse culturele leven herschreven moeten worden. Hij schrijft aan het begin van het nieuwe millennium: «Op het gebied van wetenschap en techniek kan de twintigste eeuw misschien op hetzelfde niveau worden geplaatst als de negentiende. Op het gebied van literatuur en filosofie daarentegen on waar schijnlijk veel lager, vooral sinds 1945, en is de situatie alarmerend: als je terugdenkt aan de grote wetenschappelijke onwetendheid van een Sartre of een Beauvoir, van wie toch algemeen wordt aangenomen dat ze zich met filosofie be zighielden, en als je stilstaat bij het onwaarschijnlijke feit dat André Malraux – al was het maar heel kort – als een groot schrijver heeft kunnen gelden, dan besef je hoezeer het idee van politiek engagement ons heeft afgestompt, en snap je niet hoe men een intellectueel nog altijd serieus kan nemen; je snapt bijvoorbeeld niet hoe een Bourdieu en een Baudrillard nog altijd kranten vinden om hun kletspraatjes te publi ceren.»
Uit deze aanvallen evenals uit zijn afkeer voor de Franse psychologische roman vloeit logisch voort dat voor Houellebecq de ware – en niet alleen Franse – literatuur van de twintigste eeuw er heel anders uitziet dan voor de meesten van ons. Zij bestaat voornamelijk uit de Engelse fantastische literatuur van het begin van de eeuw, waarbij later de sciencefiction komt. Houellebecq noemt verschillende, voornamelijk Engelstalige voorbeelden. Binnen de hedendaagse Franstalige literatuur heeft hij een bijzondere voorkeur voor de in Montréal woonachtige en tot het christendom bekeerde Maurice G. Dantec: wie diens Metafysisch dagboek leest, denkt een tekst van Houellebecq in handen te hebben! Houellebecq kent hem niet, maar heeft in een interview gelezen dat Dantec van eenvoudige komaf was. «Aha, zei ik bij mezelf, dat is het dus. Toevallig verkeer ik in dezelfde situatie, dat maakt het makkelijker te begrijpen. Het eerste voordeel als je van eenvoudige komaf bent, is dat je geen enkel respect hebt voor het volk; het tweede, dat je dat ook niet hebt voor links.»

Waar wil Houellebecq eigenlijk naartoe? Deugt er zo ongeveer niets van de recente – en niet alleen Frans talige – literatuur? Moet men het zoeken in de richting zoals hijzelf schrijft? Volgens hem is een roman meer dan een goed verteld verhaal. Een roman bevat gedachten, overpeinzingen en beschrijvingen die voor de voortgang van de plot niet van belang zijn. De romans van Houellebecq zijn niet altijd boeiend, niet altijd «literair», maar ze zetten de lezer aan het denken.
Hij vindt dat Mogelijkheid van een eiland zijn beste roman is tot nog toe. Sommige lezers zullen waarschijnlijk vinden dat het ook zijn somberste is. Ondanks het gedicht waarvan de laatste regel de titel van het boek is geworden, ondanks de ambivalente fascinatie die de religie op hem schijnt uit te oefenen, is het verhaal door en door ontmoedigend. Het ouder worden is verschrikkelijk, een fysieke en geestelijke aftakeling – Daniël1 merkt dit aan zijn gepensioneerde, uit Noord-Europese landen afkomstige buren uit Spanje – en deze aftakeling is voor vrouwen nog veel erger dan voor mannen. Houellebecq doet alles om dit trieste proces, vooral bij vrouwen, genadeloos en precies te beschrijven.

Maar dit is niet alles, de roman is ook nog om een andere reden bijzonder somber. Enige tijd geleden zei een computerdeskundige tegen mij dat volgens hem de mens alles doet, instrumenten ontwerpt en experimenten bedenkt, om zichzelf op aarde overbodig te maken. In dat geval komt er dus geen gewoon – en somber – einde aan deze roman met de zelfmoord van de hoofdpersoon, integendeel: er ís toekomst, maar dan wel een heel verschrikkelijke, en hier wijst Houellebecq op. De mens maakt plaats voor virtuele wezens aan wie al het menselijke vreemd zal zijn.