TONEEL

Het fileermes van Jürgen Gosch (1)

Die Möwe

Deutsches Theater, Berlin-Mitte. Voor de toneelopening staat een hoge zwarte wand met over de lengte een zitbank, een ondiepe speelvloer reikt tot vrij ver in de zaal, waar twee schijnwerpers klaarstaan. De waarschuwing op het toegangskaartje – ‘Nach Vorstellungsbeginn kein Eintritt’ – geldt niet meer. De deuren zwaaien open en uit de foyers komt het druk pratende en lachende ensemble van twee kanten de toneelvloer op hollen, laatkomers onder het publiek in hun kielzog. Twee toneelknechten dragen een zwerfkei op en zetten die middenvoor neer: het podium voor het toneelstuk in het toneelstuk waarmee Tsjechovs Meeuw straks zal openen.
‘De mensen zijn zo nerveus’, zegt een toneelspeler en zo is het, dit is een kluwen van zenuwpezen die over ziekte, succes, geld en toekomst kibbelen. Boven het gewirwar van kleine uitbarstingen zijn de bekende teksten te horen. ‘Waarom loopt u altijd in ’t zwart?’ vraagt de onderwijzer aan de jonge vrouw die altijd in het zwart loopt. ‘Ik ben in de rouw om mijn leven’, schreeuwt de jonge vrouw in het zwart boven iedereen uit. De liefdesverklaring van de onderwijzer verwaait in de zenuwen van de jonge Treplew, wiens toneeltekst hier straks gespeeld gaat worden. Met een wilde blik kijkt hij naar zijn muze, de liefde van zijn leven, Nina, die hier gaat optreden. De toneelknechten trekken een vloerdoek los, iedereen gaat tegen de achterwand zitten en houdt het zwarte doek voor het gezicht, op een teken van Treplew laten ze het vallen en de voorstelling (‘Mensen, leeuwen, adelaars en patrijzen’) is begonnen. Als de toneelknechten dwaallichtjes aan grote hengels over het podium laten zwieren, zegt de echte actrice, Arkadina, de moeder van Treplew: ‘Dat is toch kitsch’, en de hele boel ontploft in het gezicht van de schrijver en zijn muze.
Zo staat het bij Tsjechov, zo wordt het gespeeld. Kaal, geen trucs, niet aan de sterren geven deze toneelspelers hun personages prijs, slechts aan hun gebreken, hun verscheurdheid, de barsten in hun geluksgevoel – indien al aanwezig. Het is het fileermes van regisseur Jürgen Gosch dat hier zijn werk doet. Al het overbodige wegsnijden tot de kern blootligt. Niet een concept of een interpretatie is wat hier wordt nagejaagd, toneelspelers zijn niet doende iets te verduidelijken, de regie was niet op zoek naar zoiets als stilering of estheticisme. De toneelspelers zijn aan zichzelf overgeleverd, om aan zichzelf en aan elkaar te ontfutselen wat de kern van hun rol is, de angsten waarmee die mensen moeten leven, de wanhoop die ze niet ontlopen kunnen.
Neem de jonge vrouw Nina, die in het stuk dolgraag toneelspeelster wil worden. In de werkelijkheid van haar vertolkster, Kathleen Morgenmeyer (1977), ís ze nog maar net die toneelspeelster. En Gosch heeft haar gevraagd om alles, maar dan ook werkelijk álles uit haar kast te trekken om te tonen hoe feestelijk én hoe gruwelijk dat kan zijn: de toneelspeelster te willen worden die je nog niet bent. Als een mislukte fee staat ze daar op de steen, met de doodsangst in haar ogen doet ze toelatingsexamen op de krankzinnige tekst van Treplew, in haar doorschijnende jurkje harkend naar de woorden, de blikken mijdend van de beroemde actrice en de beroemde schrijver die daar op die zitbank kijken, met hun ruggen klam van plaatsvervangende schaamte (de actrice) en opkomende geilheid (de schrijver) geplakt tegen die zwarte wand. Zo wil je wel eindeloos toneel zien spelen. De drie uur zijn voorbij voor je het weet. (wordt vervolgd)

Die Möwe blijft op het repertoire van
Deutsches Theater Berlin,
www.deutschestheater.de